Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.4.3.2
3.4.3.2 De gevolgen van overtreding van het bestuursverbod
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS448672:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Lindley/Banks (2010), nr. 31-04, Twomey (2000), nr. 28.106. Zo al Underhill/King (1919), p. 155, Underhill/Hesketh (1950), p. 155, Lindley/Scamell (1962), p. 819, Prime & Scanlan (1995), p. 352-353.
Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 24.13.
Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 24.13.
Lindley/Banks (2010), nr. 31-04, voetnoot 17. Overigens blijkt uit de toevoeging van de woorden ‘Sed quaere.’ aan het slot van deze voetnoot dat Banks een andersluidende opvatting niet uitsluit.
Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 24.13.
Prime & Scanlan (1995), p. 353, Twomey (2000), nr. 28.106, Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 24.13.
Morse (2010), p. 105-106.
Prime & Scanlan (1995), p. 353, Twomey (2000), nr. 28.84, Lindley/Banks (2010), nr. 30-03.
Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde handeling niet noodzakelijkerwijs door een general partner, maar ook door een manager zou kunnen worden verricht vloeit uit deze handeling geen aansprakelijkheid op grond van holding out voort. Zie Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 5.3, Lindley/Banks (2010), nr. 5-37.
Twomey (2000), nr. 7.03-7.43, Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 5.2-5.10, Morse (2010), p. 66-73, Lindley/Banks (2010), nr. 5-35-nr. 5-64.
Twomey (2000), nr. 7.11 en 7.26, Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 5.6., Lindley/Banks (2010), nr. 5-36 en 5-41.
Twomey (2000), nr. 7.40, Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 5.7.
Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 12.33, Morse (2010), p. 187.
Daarvan is slechts sprake als de limited partner intern bevoegd was de litigieuze handeling te verrichten, zie Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 12.35.
Twomey (2000), nr. 14.44, Blackett-Ord & Haren (2011), nr. 12.33-12.37.
Twomey (2000), nr. 14.39.
Limited Partnerships (Jersey) Law 1994, Art. 19 (4), Delaware Revised Uniform Limited Partnership Act, § 17-303 (a).
Law Commissions’ Consultation Paper (2001), p. 34.
Law Commissions’ Consultation Paper (2001), p. 34.
Law Commissions’ Report (2003), p. 282.
Een overtreding van de regel dat een limited partner zich niet mag inlaten met het bestuur van de vennootschap blijft ook in het Engelse recht niet zonder gevolgen. Art. 6 lid 1 tweede volzin van de Limited Partnerships Act 1907 bepaalt hierover het volgende:
‘Section 6:
(1) (..)If a limited partner takes part in the management of the partnership business he shall be liable for all debts and obligations of the firm incurred while he so takes part in the management as though he were a general partner.’
Over de uitleg van deze bepaling bestaat geen eenstemmigheid. Letterlijke lezing ervan leidt tot de gevolgtrekking dat de aansprakelijkheid van de bedrijvige limited partner beperkt is tot verbintenissen die door de vennootschap zijn aangegaan in de periode waarin hij deelnam aan het besturen van de vennootschap. Door Lindley/Banks en Twomey wordt dit ook zo verstaan.1 Blackett-Ord en Haren daarentegen gaan ervan uit dat hiermee wordt bedoeld dat de bedrijvige limited partner gedurende de periode waarin hij aan het bestuur deelneemt voor alle alsdan bestaande schulden en verbintenissen van de vennootschap aansprakelijk is. Hun argument hiervoor is wetssystematisch van aard. In art. 9 van de Partnership Act 1890 wordt bepaald dat iedere general partner van een partnership aansprakelijk is for all debts and obligations of the firm incurred while he is a partner. Dat moet zonder twijfel zo worden begrepen dat een general partner voor alle bestaande schulden en verbintenissen van de vennootschap aansprakelijk is. De in zoverre identieke bewoordingen van art. 6 lid 1 tweede volzin van de Limited Partnerships Act 1907 moeten volgens Blackett-Ord en Haren dan ook in gelijke zin worden uitgelegd.2
De vraag wanneer een eenmaal ingegane onbeperkte aansprakelijkheid van de limited partner weer eindigt wordt evenmin eensluidend beantwoord. Volgens Blackett-Ord en Haren eindigt deze zodra de bedrijvige limited partner zijn bestuurlijke bemoeienis staakt, zij het dat hij wel aansprakelijk blijft voor vennootschapsverbintenissen die hij zelf is aangegaan gedurende de periode waarin hij deelnam aan het bestuur.3 Dat laatste meent ook Lindley/Banks, maar overigens is deze auteur van mening dat de onbeperkte aansprakelijkheid van de bedrijvige limited partner niet ipso facto verdwijnt zodra hij zich niet langer met het bestuur inlaat.4 Hoe deze aansprakelijkheid in deze visie dan wel kan worden beëindigd blijft onduidelijk. De vraag hoe de derde het bewijs kan leveren dat de limited partner zich inlaat met het (zich niet extern manifesterende) vennootschapsbestuur en omgekeerd hoe de limited partner het bewijs kan leveren dat hij daarmee is gestopt komt in de wet, jurisprudentie of literatuur niet aan de orde. Wat wel vast lijkt te staan is dat de bedrijvige limited partner jegens alle vennootschapscrediteuren aansprakelijk wordt en niet slechts jegens die crediteuren wier vordering op de vennootschap door de bestuursbemoeienis van de bedrijvige limited partner is ontstaan.5 Eveneens wordt algemeen aangenomen dat een bedrijvige limited partner door zijn bestuurlijk handelen geen general partner wordt.6
Aan overtreding van het eveneens in art. 6 lid 1 eerste volzin van de Limited Partnerships Act 1907 opgenomen verbod de limited partnership te vertegenwoordigen is niet het gevolg van onbeperkte aansprakelijkheid voor alle schulden van de vennootschap verbonden: dit geldt volgens art. 6 lid 1 tweede volzin slechts if a limited partner takes part in the management of the partnership business. De gevolgen van onbevoegde vertegenwoordiging door de bedrijvige limited partner worden beheerst door de algemene regels van vertegenwoordiging. Ingeval de bedrijvige limited partner niet over een uitdrukkelijke machtiging van de limited partnership (‘actual authority’) beschikt is hij niet in staat haar te verbinden, tenzij de limited partnership als vertegenwoordigde de schijn van bevoegde vertegenwoordiging heeft gewekt (‘apparent authority’).7 Daarnaast is de onbevoegd handelende commanditair wegens het niet-instaan voor zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid (‘breach of warranty of authority’) aansprakelijk voor daaruit voor derden voortvloeiende schade.8 De bedrijvige limited partner kan eveneens aansprakelijk zijn op basis van het hieraan verwante leerstuk van ‘holding out’: degene die zich op enigerlei wijze onmiskenbaar9 als general partner gedraagt of willens en wetens duldt dat hij door derden of door de partnership als zodanig wordt gepresenteerd zal ook als general partner aansprakelijk zijn.10 Dit is gebaseerd op art. 14 lid 1 van de Partnership Act 1890, dat luidt als volgt:
‘Section 14:
(1) Every one who by words spoken or written or by conduct represents himself, or who knowingly suffers himself to be represented, as a partner in a particular firm, is liable as a partner to any one who has on the faith of any such representation given credit to the firm, whether the representation has or has not been made or communicated to the person so giving credit by or with the knowledge of the apparent partner making the representation or suffering it to be made.’
Aan een beroep op deze bepaling worden strenge eisen gesteld. In de eerste plaats moet de onjuiste schijn van de hoedanigheid van general partner zijn gewekt vóórdat de derde met de vennootschap handelt. In de tweede plaats moet deze schijn zijn gewekt jegens de betrokken derde zelf en niet jegens anderen. In de derde plaats moet de derde aantonen dat hij op de onjuiste schijn heeft vertrouwd: als de derde wist dat de bedrijvige limited partner geen general partner was komt hem geen beroep op deze bepaling toe.11 Mocht de limited partner op basis van deze bepaling aansprakelijk zijn, dan strekt deze aansprakelijkheid zich uit over alle vennootschapsschulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die derden met de vennootschap hebben verricht in het vertrouwen dat de limited partner de general partner was.12
Indien een bedrijvige limited partner op basis van een van de hierboven beschreven rechtsgronden wordt aangesproken door een derde en hij deze betaalt, dan heeft hij naar Engels recht slechts in een beperkt aantal gevallen regres op de vennootschap. Deze kwestie wordt geregeerd door art. 24 lid 2 van de Partnership Act 1890, dat als volgt luidt:
‘Section 24:
The interests of partners in the partnership property and their rights and duties in relation to the partnership shall be determined, subject to any agreement express or implied between the partners by the following rules-
(..).
The firm must indemnify every partner in respect of payments made and personal liabilities incurred by him-
In the ordinary and proper conduct of the business of the firm, or
In or about anything necessarily done for the preservation of the business or property of the firm.’
Deze bepaling wordt zo uitgelegd dat zij uitsluitend ziet op betalingen door een vennoot aan een derde die strekken tot voldoening van een vennootschapsschuld.13 Wanneer uit de handeling van de bedrijvige limited partner geen vennootschapsschuld voortvloeit mist hij dus iedere regresmogelijkheid. Wanneer ten gevolge van de handeling van de bedrijvige limited partner wel een schuld van de vennootschap is ontstaan, dan heeft hij regres op de vennootschap, maar niet zonder meer: dat is alleen het geval indien de door hem verrichte handeling hetzij is aan te merken als een daad van behoorlijke bedrijfsvoering14 hetzij noodzakelijk is voor het behoud van het bedrijf van de vennootschap of haar bezittingen.15 Bij deze laatste categorie dient aan situaties te worden gedacht die naar Nederlands recht met behulp van de figuur van de zaakwaarneming worden opgelost.16 De regeling is overigens, zoals uit de aanhef van art. 24 Partnership Act 1890 blijkt, van aanvullend recht: nu dit als een aangelegenheid wordt gezien die uitsluitend de rechtsverhouding tussen de partners onderling regardeert zijn zij vrij op dit vlak overeen te komen zoals hun goed dunkt.17
In de eerder vermelde voorstellen die de Law Commissions in het eerste decennium van deze eeuw heeft gedaan voor de modernisering van het personenvennootschapsrecht zijn de gevolgen van overtreding van het bestuursverbod nauwelijks aan de orde geweest. Punt van aandacht is slechts geweest de gedachte om – evenals in Jersey en in Delaware –18 de bedrijvige limited partner alleen aansprakelijk te houden jegens de derde die wist dat de limited partner zich had ingelaten met het bestuur en daarenboven meende, en ook redelijkerwijze kon menen, dat deze een general partner was.19 De Law Commissions achtten de introductie van een dergelijke regel niet aanbevelenswaardig,20 welk standpunt in de consultatieronde ruime bijval ontving.21