Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.2
3.2.2 Oudvaderlands recht
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192507:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. III Placaat 1540, kenbaar uit Lagerweij 1862, p. 58.
Van der Linden 1806, p. 385; Lagerweij 1862, p. 58; De Wal 1872, p. 97-98.
Zie daarover ook Wessels Insolventierecht I 2018/1039 met verdere verwijzingen.
Lagerweij 1862, p. 58-61; De Wal 1872, p. 97-98. Zie ook Stadsarchief Gemeente Amsterdam, Archief van de Commissarissen van de Desolate Boedelkamer, te raadplegen via https://stadsarchief.amsterdam.nl/archieven/archiefbank/overzicht/5072.nl.html (laatst geraadpleegd 30 december 2019).
Ordonnantie voor de kamer van de desolate boedels der stad Amsterdam 1777 (‘Ordonnantie 1777’). Ik bespreek alleen deze regeling omdat deze Amsterdamse ordonnantie van invloed is geweest op de inhoud van het procesrecht van de Bataafse republiek en het latere Wetboek van Koophandel. Ook in andere steden, zoals Rotterdam, Middelburg en Dordrecht golden verordeningen of ordonnanties inzake akkoorden, zie Van der Linden 1806, p. 385; Lagerweij 1862, p. 61-67. Zie voor een beknopte bespreking van eerdere Amsterdamse Ordonnanties: Noordam 2007, p. 161-164.
Art. 6-12 Ordonnantie 1777.
Art. 13 Ordonnantie 1777.
Art. 13 Ordonnantie 1777.
Art. 14 Ordonnantie 1777.
Art. 16 van Ordonnantie 1777 luidt: “Des zal op de oppositie der Crediteuren geen reguard worden geflagen; ten zy dezelven ten minsten zyn twee in getal, en dat derzelver praetensien te zamen ten minsten bedraagen vyf pro cento, of een twintigste part van het generaale montant der Schulden, zo als het zelve montant door den Debiteur wordt opgegeeven, en volgens de Boeken of anderzins aan Heeren Commissarissen en de Se questers zal kunnen blyken. Edoch één voornaam Crediteur in den Boedel gevonden wordende, wiens praetensie, maar oogenschyn, een vyfde of zesde van het montant des Boedels bedraagt, zal deszelfs op positie tegen het accoord alleen ge noeg zyn, schoon door geen twee den Crediteur geadsisteerd zynde.” Noordam merkt op dat het onder eerdere Ordonnanties eenvoudiger was akkoorden tot stand te laten komen: Noordam 2007, p. 162.
Art. 17 Ordonnantie 1777 bevat een fictie: “Geene, of geene genoegzaame oppositie tegen het geproponeerde Accord vallende, zal het daar voor worden gehouden, dat het zelve door de gezaamentlyke Crediteuren is geaccepteerd”.
Art. 18 Ordonnantie 1777. Zie hierover Lagerweij 1862, p. 61-66; Noordam 2007, p. 161-164.
Van der Linden 1806, p. 385.
41. Akkoorden waren in de late middeleeuwen uit den bozen. Karel V kondigde in 1540 het volgende aan:
“Alle contracten gesloten met bankeroeten en fugitieven, ’t zij van quijtschelding van heurlieder schuld of een deel van dien zullen wezen nul ende van onweerde.”1
In art. 35 van zijn ordonnantie van 1544 verwoordde Karel V het verbod op een dwangakkoord nog duidelijker:
“Dat men geene brieven verleenen en sal om te bedwingen den crediteur te consenteren in ’t appoinctement ghemaect by syne schuldenare niette meeste partye van syne crediteuren, soo verre dat bij den voorz. Appoinctemente men quytschelt eenige partye.”2
Vanaf midden zeventiende eeuw werd echter geleidelijk afgeweken van dit uitgangspunt. In diverse steden werden ‘Kamers van desolate boedels’ opgericht, een soort faillissementskamers.3 In ordonnanties en plakkaten werden de voorwaarden voor de totstandkoming van een akkoord nader vastgelegd. Het akkoord was destijds een middel om insolventverklaring te voorkomen.4 De vergelijking met de moderne idee van een dwangakkoord buiten faillissement dringt zich op. Die vergelijking gaat echter niet helemaal op omdat de schuldenaar indertijd eerst de feitelijke macht over zijn vermogen verloor, terwijl de moderne pre-insolventieakkoordprocedures juist gebaseerd zijn op de gedachte dat de schuldenaar beheers- en beschikkingsbevoegd blijft over zijn vermogen.
Amsterdamse schuldenaren konden op grond van de Ordonnantie van 17775 met hun schuldeisers tot een akkoord proberen te komen. Zodra een schuldenaar, of één van zijn schuldeisers, bij de Desolate Boedelkamer aangaf betalingsmoeilijkheden te hebben, spoedden twee sequesters zich naar de schuldenaar. Deze functionarissen namen de boedel in verzegelde bewaring (sequestratie).6 Vervolgens kreeg de schuldenaar een maand de tijd om een akkoord met zijn schuldeisers tot stand te brengen.7 De schuldenaar moest het akkoordvoorstel bij de commissarissen van de Boedelkamer indienen.8 De commissarissen plaatsten drie ‘Edictaale advertentien’ om de crediteuren op de hoogte te brengen van het akkoordvoorstel. Het akkoord werd ter inzage en ondertekening bij een notaris gelegd. De crediteuren die niet met het voorstel akkoord wilden gaan, konden verzet aantekenen.9 Wanneer crediteuren die gezamenlijk ten minste 5% van de schuldenlast vertegenwoordigden of één crediteur wiens vordering 1/5 of 1/6 van de gehele schulden bedroeg verzet aantekenden, kwam er géén akkoord tot stand.10 Wanneer er geen of onvoldoende verzet was aangetekend ratificeerden de commissarissen van de Desolate Boedelkamer het akkoord. Het werd dan verbindend voor alle schuldeisers.11 Als gevolg van dit akkoord herkreeg de schuldenaar de beschikking over zijn goederen en werd de formele faillietverklaring voorkomen.12
Naast deze lokale regelingen bestond er nog een andere mogelijkheid om tot een dwangakkoord te komen. Van der Linden beschrijft de mogelijkheid dat de ‘Hooge overheid’ een gesneuveld akkoord bekrachtigt.13