In Melai/Groenhuijsen wordt zelfs betoogd dat met de term “hetzelfde rechtscollege” bedoeld wordt dat dezelfde rechters de zaak opnieuw moeten behandelen (aant. 8). Anders op dit punt echter Blok en Besier II, p. 171. In het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering wordt in het voorgestelde artikel 4.2.66 lid 5 – blijkens de MvT bij de ambtelijke versie mede vanwege het wegnemen van verwarring daaromtrent – geopteerd voor het woord ‘rechtbank’.
HR, 15-11-2022, nr. 20/04142
ECLI:NL:HR:2022:1626
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-11-2022
- Zaaknummer
20/04142
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1626, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:531
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:3937
ECLI:NL:PHR:2022:531, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑06‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1626
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0233
Uitspraak 15‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). 1. Kon hof de zaak zelf inhoudelijk afdoen i.p.v. zaak terug te wijzen naar Rb, nu Rb niet binnen wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan? Art. 345 Sv en 423 Sv. 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren [één van de raadsheren] van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Opvatting dat hof was gehouden zaak terug te wijzen naar Rb zodat zaak opnieuw door Rb zou worden berecht en afgedaan, vindt geen steun in het recht, i.h.b. niet in art. 345 en 423 Sv. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04142
Datum 15 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 december 2020, nummer 20-001810-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van een of meerdere raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438 heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het de zaak zelf inhoudelijk kon afdoen in plaats van de zaak terug te wijzen naar de rechtbank ondanks de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan.
2.2
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten op 22 mei 2017. Vervolgens heeft de rechtbank op 6 juni 2017 – en dus op de vijftiende dag na 22 mei 2017 – uitspraak gedaan. Het hof heeft daarover het volgende overwogen en beslist:
“Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 345, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan, terwijl zij vervolgens, in strijd met het bepaalde in het vierde lid van voornoemd wetsartikel, heeft verzuimd om de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. De verdediging en de advocaat-generaal hebben dit in hoger beroep niet aan de orde gesteld.Het verzuim heeft evenwel nietigheid van het vonnis tot gevolg. Het hof zal het beroepen vonnis derhalve geheel vernietigen. Het hof zal de zaak zelf afdoen nu niet gebleken is van enig belang aan de zijde van de verdachte of de advocaat-generaal om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.”
2.3
De toepasselijke wettelijke bepalingen luiden:
“3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.
4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.”
“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.
2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.”
2.4
Het cassatiemiddel berust kennelijk op de opvatting dat het hof gehouden was de zaak terug te wijzen naar de rechtbank zodat de zaak opnieuw door de rechtbank zou worden berecht en afgedaan. Die opvatting vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in de artikelen 345 en 423 Sv. Het cassatiemiddel faalt daarom.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2022.
Conclusie 28‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Uitspraak rechtbank na veertiende dag. Klacht over niet terugwijzen zaak door hof. AG is van mening dat klacht faalt nu art. 345.4 Sv is gericht aan de rechter die de zaak onder zich heeft. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/04142
Zitting 28 juni 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 11 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 3. en 4. telkens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en 5. “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen over vorderingen van benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof onterecht niet de nietigheid van het vonnis heeft uitgesproken. Bezien in samenhang met de toelichting, lijkt (tevens) te worden geklaagd over het feit dat het hof de zaak niet heeft teruggewezen naar de rechtbank maar deze zelf heeft afgedaan.
Procesverloop
3.1.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 22 mei 2017. Bij de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 6 juni 2022. Zo is ook gebeurd.
3.2.
Tegen dit vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Noch bij het indienen van grieven, noch ter zitting is door de verdachte of zijn raadsman bezwaar gemaakt tegen de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
3.3.
Het gerechtshof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:
“Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 345, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan, terwijl zij vervolgens, in strijd met het bepaalde in het vierde lid van voornoemd wetsartikel, heeft verzuimd om de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. De verdediging en de advocaat-generaal hebben dit in hoger beroep niet aan de orde gesteld.
Het verzuim heeft evenwel nietigheid van het vonnis tot gevolg. Het hof zal het beroepen vonnis derhalve geheel vernietigen. Het hof zal de zaak zelf afdoen nu niet gebleken is van enig belang aan de zijde van de verdachte of de advocaat-generaal om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.”
Juridisch kader
3.4.
Het eerste lid van art. 135a Sv luidt als volgt:
“De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 46, eerste lid, tweede volzin, 345, 379 en 396.”
3.5.
Art. 345 Sv bepaalt:
“1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.
2. Te bepaalden tijde kan de uitspraak mondeling tot een naderen dag worden uitgesteld. De uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van den verdachte.
3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.
4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.”
3.6.
Art. 423, ten slotte, luidt voor zover relevant als volgt:
“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.
2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.”
3.7.
In de jurisprudentie zijn enkele situaties benoemd waarin het hof de zaak moet terugwijzen, ook als zich niet een van de in art. 423 lid 2 Sv voorziene situaties voordoet. Gewezen zij met name op HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442 (NJ 1996, 557, m.nt. A.C. ’t Hart) en de op dit arrest gevolgde rechtspraak.
3.8.
In een zaak waarin het gerechtshof te laat uitspraak had gedaan, oordeelde de Hoge Raad, bij arrest van 19 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1801), als volgt:
“2.4
Blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven is het onderzoek ter terechtzitting op 23 juli 2014 gesloten, terwijl eerst uitspraak is gedaan op 8 augustus 2014. Gelet daarop heeft het Hof in strijd met het bepaalde in art. 345, derde lid, Sv niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak gedaan, terwijl het vervolgens in strijd met het bepaalde in art. 345, vierde lid, Sv heeft verzuimd de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. Dat verzuim heeft nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.”
Beoordeling van het middel
3.9.
Vast staat dat de rechtbank in deze zaak te laat, want op de vijftiende dag, uitspraak heeft gedaan. Nu de Algemene termijnenwet niet van toepassing is op de termijnen genoemd in art. 345 Sv, is het gegeven dat pinkstermaandag in 2017 op 5 juni viel immers niet relevant. De volgende vraag is dan is of het hof gehouden was de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, in plaats van deze zelf af te doen.
3.10.
De steller van het middel meent dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en baseert zich hierbij op het hiervoor onder 3.5 weergegeven art. 345 lid 4 Sv, waarin staat dat “hetzelfde rechtscollege” de zaak opnieuw moet onderzoeken indien de termijn van veertien dagen niet wordt gehaald.1.
3.11.
Mij lijkt het echter zo te zijn dat dit artikel(lid) een instructie bevat die gericht is aan de feitenrechter die de zaak onder zich heeft en die, indien hij zelf het verzuim constateert, een nieuw onderzoek moet gelasten. Hiermee is niet gezegd dat indien de rechter die de zaak onder zich heeft het verzuim niet constateert, en bijgevolg ook het bepaalde in lid 4 van art. 345 Sv verzuimt, zulks – in alle gevallen – tot terugwijzing moet leiden.
3.12.
Het antwoord op de vraag wanneer een hof moet terugwijzen en wanneer het een zaak zelf mag afdoen kan in de eerste plaats worden gevonden in art. 423 Sv. Het uitgangspunt van het systeem zoals dit mede in dit artikel uitdrukking vindt, en zoals dat mede tot stand is gekomen met de Wet stroomlijnen hoger beroep,2.is dat het gerechtshof, indien het een verzuim constateert in het vonnis waarvan beroep, de zaak aan zich houdt en – na vernietiging van het vonnis, indien dit is aangewezen – zelf afdoet. Mede hierin verschilt het hoger beroep van het beroep in cassatie, en reeds hierin verschilt de onderhavige zaak dus ook van de situatie die zich voordeed in de onder 3.8 besproken zaak.
3.13.
Op de hoofdregel van evocatie (d.w.z.: de hoger beroepsrechter trekt de zaak naar zich toe) bestaat een aantal uitzonderingen, onder andere genoemd in lid 2 van art. 423 Sv (zie hiervoor onder 3.6) en in de jurisprudentie (zie hiervoor onder 3.7).3.Noch in de wet, noch in de jurisprudentie, wordt het verzuim toepassing te geven aan art. 345 lid 4 als zo’n uitzondering aangemerkt. Ik zie ook niet in waarom dit wel zo zou moeten zijn.
3.14.
Op grond van het voorgaande meen ik dat de klacht moet falen. Enigszins ten overvloede wijs ik er nogmaals op dat noch door de verdachte, noch door zijn raadsman ter zitting bezwaar is gemaakt tegen het moment waarop het vonnis is gewezen, terwijl mij evenmin duidelijk is geworden welk belang van de verdachte gediend zou zijn met een hernieuwde behandeling.
3.15.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑06‑2022
Voluit: Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (Stb. 2006, 47; i.w.tr. Stb. 2007, 70).
Vgl. nader P.G. Wiewel, ‘Bevestigen, vernietigen of terugwijzen’, in: P.G. WieweL & R.E. de Winter (red.), Stroomlijning van het hoger beroep in strafzaken, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2007. In het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering worden deze uitzonderingen gecodificeerd en enkele nieuwe toegevoegd (art. 5.4.28 nieuw). Schending van 4.2.66 Sv nieuw wordt hierin – evenmin – als grond voor terugwijzing genoemd.
Beroepschrift 10‑10‑2021
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
In de zaak van de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats], requirant van cassatie, te dezer zake domicilie kiezende aan de Parkstraat 10 te (4818 SJ) Breda, ten kantore van TDNL Strafrechtadvocaten, van wie mr. J.J.J. van Rijsbergen bepaaldelijk is gevolmachtigd deze cassatieschriftuur op te maken, te ondertekenen en in te dienen, tegen het hem betreffende arrest met het parketnummer 20/001810-17 van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 11 december 2020.
Middel I
Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder van art. 345 lid 3 Sv jo. art. 345 lid 4 Sv jo. art. 415 lid 1 Sv, doordat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld het verzuim dat de rechtbank in eerste aanleg niet tijdig uitspraak heeft gedaan geen nietigheid van het vonnis tot gevolg heeft.
Toelichting
Op pagina 1 van het arrest heeft het hof het navolgende overwogen:
‘Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 345, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan, terwijl zij vervolgens, in strijd met het bepaalde in het vierde lid van voornoemd wetsartikel, heeft verzuimd om de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. De verdediging en de advocaat-generaal hebben dit in hoger beroep niet aan de orde gesteld.
Het verzuim heeft evenwel nietigheid van het vonnis tot gevolg. Het hof zal het beroepen vonnis derhalve geheel vernietigen. Het hof zal de zaak zelf afdoen nu niet gebleken is van enig belang aan de zijde van de verdachte of de advocaat-generaal om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.’
Art. 345 Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv eveneens op de terechtzitting in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:
- ‘1.
Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.
- 2.
Te bepaalden tijde kan de uitspraak mondeling tot een naderen dag worden uitgesteld. De uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van den verdachte.
- 3.
In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.
- 4.
Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht. ’
Blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 mei 2017 gesloten,1. terwijl eerst uitspraak is gedaan op 6 juni 2017.2. Gelet daarop heeft het de rechtbank in strijd met het bepaalde in art. 345, derde lid, Sv niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak gedaan, terwijl de rechtbank vervolgens in strijd met het bepaalde in art. 345, vierde lid, Sv eveneens heeft verzuimd de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. Dat verzuim heeft op grond van art. 345, vierde lid Sv nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg. Gezien het voorgaande heeft het hof in de hiervoor geciteerde overweging ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat dit verzuim van de rechtbank geen nietigheid tot gevolg heeft.
Met conclusie
Op voormelde grond concludeer ik namens requirant tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.
Breda, 14 oktober 2021
J.J.J. van Rijsbergen