Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.2:16.4.2 Overheidstoezicht bij oprichting
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.2
16.4.2 Overheidstoezicht bij oprichting
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406907:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tijdens de herziening van 1830 was binnen en buiten de Tweede Kamer hevig gediscussieerd over de wenselijkheid van de bemoeienis van de overheid bij oprichting. Daartegen werd onder meer aangevoerd dat het “volstrekt onnoodig en zelfs gevaarlijk is, om de regering het regt toe te kennen zich te mengen in de bijzondere overeenkomsten, vooral handels-overeenkomsten der ingezetenen”. Zie De Pinto 1876, p. 62.
Art. 36 lid 2 WvK 1838.
Art. 50 WvK 1838.
Diephuis 1874, p. 101.
Art. 37 WvK 1838.
Kist/Visser 1914, p. 446.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het WvK 1838 werd, tot de teleurstelling van sommigen, vastgehouden aan de overheidsgoedkeuring bij oprichting.1 Een NV kon zonder een Koninklijke Bewilliging niet tot stand komen.2 Om voor de bewilliging in aanmerking te komen was geboden dat ten minste een vijfde van het maatschappelijke kapitaal was genomen en een termijn was bepaald waarbinnen de overige aandelen geplaatst zouden worden.3 Indien binnen deze termijn niet alle aandelen waren geplaatst, verviel de Koninklijke Bewilliging. Zij was dus, “zoolang niet voor het volle kapitaal deelgenomen, slechts voorwaardelijk verleend.”4 De mogelijkheid om een eenmaal verleende bewilliging weer in te trekken, werd in de nieuwe wet uitdrukkelijk uitgesloten.5 Daarnaast werd in de wet vastgelegd dat de bewilliging uitsluitend mocht worden onthouden indien de vennootschap in strijd zou zijn met de goede zeden of de openbare orde, of indien de akte van oprichting bepalingen bevatte die in strijd waren met de wettelijke regeling.
In Kist/Visser werd daarom overwogen: “Het hoeft geen betoog dat aldus die bewilliging, welke aanvankelijk aangeprezen werd als noodig om de maatschappij te vrijwaren tegen de oeconomische gevaren, welke de naamloze vennootschap met de tot haar kapitaal beperkte aansprakelijkheid kon veroorzaken, geheel en al van karakter veranderd is. Zij is […] niet veel meer dan eene formaliteit […].”6