Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/2.6.2
2.6.2 Europese wetgeving
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399510:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is het prijsindexcijfer als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake de geharmoniseerde indexcijfers van de consumentenprijzen, Pb. 1995, L 257/1, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. 2003, L 284/1.
Een regeling die in de praktijk overigens tot veel hoofdbrekens aanleiding geeft.
Zie art. 30 van de Richtlijn in - bijvoorbeeld - de Engelse, de Franse en de Duitse versie, die alle bepalen dat de Richtlijn in werking treedt op de twintigste dag na haar publicatie in het Publicatieblad van de EU. De publicatie vond plaats op 7 oktober 2009. De Nederlandse tekst bepaalt dat zij in werking treedt op de dag van haar publicatie, gezien de tekst van de overige versies kennelijk een misslag.
Zie document COM(87) 868 PV.
Zie voor een en ander document COM(2008) 98 definitief van 27 februari 2008, nr. 1 tot en met 3: de Toelichting bij het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrij tuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (gecodificeerde versie).
Zie art. 29 van de Richtlijn.
Zie de Toelichting op het Commissievoorstel, nr. 3 en 4 (document COM(2008) 98 definitief).
In 2005 komt de 5e Richtlijn tot stand. Deze regelt een veelheid aan onderwerpen, veelal van een hoog detailniveau, soms betrekking hebbend op zeer specifieke situaties.
Een belangrijk aspect van de 5e Richtlijn is de aanzienlijke verhoging van de minimaal te verzekeren sommen en van de introductie van een periodiek stelsel van herziening van deze bedragen op basis van een Europese prijsindex.
De verzekerde som voor materiële schade dient minimaal € 1 miljoen per ongeval te bedragen. Voor zover het letselschade betreft, moet het verzekerde bedrag ofwel € 5 miljoen per ongeval, dan wel € 1 miljoen per slachtoffer zijn. Kiest een lidstaat voor deze laatste optie, dan geldt deze som ongeacht het aantal slachtoffers.
Lidstaten krijgen de mogelijkheid van een overgangsperiode. Zij mogen een periode van vijfjaar na de datum van omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving vaststellen, waarbij zij de bedragen dertig maanden na de datum van omzetting wel op de helft van de door de richtlijn voorgeschreven bedragen moeten hebben gebracht. Verschillende lidstaten hebben van deze overgangstermijn gebruikgemaakt.
Elke vijf jaar worden de bedragen aangepast aan de ontwikkeling van het Europese indexcijfer van de consumentenprijzen.1 Weinig bevredigend daarbij is, dat de eerste indexatie pas plaatsvindt vijf jaar na ommekomst van de laatste door een lidstaat gebruikte overgangstermijn. De datum waarop de richtlijn moet zijn omgezet, werd vastgesteld op 11 juni 2007. Dat betekent dat de mogelijke overgangstermijn uiterlijk op 11 juni 2012 eindigt en dat de eerste indexatie plaats zou vinden in 2017, na twaalf jaar.
De 5e Richtlijn regelt daarnaast een aantal onderwerpen die in de praktijk tot problemen aanleiding zouden hebben gegeven.
In de eerste plaats bevat de 5e Richtlijn een nieuwe regeling voor de verzekeringsplicht van voertuigen die binnen de EU worden verkocht. Het gaat daarbij om door particulieren, maar soms ook door handelaren in een andere lidstaat dan die van hun woonplaats of vestigingsplaats gekochte en naar de eigen lidstaat vervoerde voertuigen (parallelimport). In de praktijk zou het moeilijk zijn om deze voertuigen vóór het moment van registratie in de lidstaat van bestemming, te verzekeren: noch verzekeraars in de lidstaat van oorsprong, noch die in de lidstaat van bestemming zouden er veel voor voelen, om praktische en juridische redenen. Daarom bepaalt de 5e Richtlijn dat deze voertuigen, gedurende dertig dagen na de levering aan de koper, als risicoland de lidstaat van bestemming hebben. Dat betekent dat zij in die lidstaat verzekerd moeten worden. De gedachte is dat daardoor de mogelijkheid om een dergelijk voertuig te verzekeren verbetert.2
Ook brengt de 5e Richtlijn een wijziging aan in de behandeling van voertuigen die zijn voorzien van een kentekenplaat die niet of niet langer overeenstemt met het voertuig: valse platen, maar ook verlopen, geschorste of ingetrokken kentekens. Werden voertuigen met dergelijke platen conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU tot dan toe behandeld als voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van de lidstaat van deze plaat, de 5e Richtlijn bepaalt dat zij moeten worden beschouwd als gewoonlijk te zijn gestald in de lidstaat van het ongeval.
De bescherming die de waarborgfondsen bieden wordt verder verbeterd, onder meer door de afschaffing van eigen risico's in gevallen waarbij de aansprakelijke onverzekerd is of het voertuig gestolen of door geweld verkregen is en door de bepaling dat de waarborgfondsen ook materiële schade dienen te vergoeden als deze door onbekend gebleven voertuigen is veroorzaakt en met aanzienlijk letsel gepaard gaat, zij het dan nog wel met de mogelijkheid van een eigen risico.
Een (voorlopig) laatste ontwikkeling op het terrein van de Europese wetgeving is de inwerkingtreding op 28 oktober 2009 van Richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009.3In deze richtlijn, die ik zoals gezegd kort aanduid als 'de Richtlijn', zijn de vijf eerdere richtlijnen op het gebied van de motorrijtuigverzekering gecodificeerd.
De achtergrond en reden voor deze codificatie is het besluit van de Europese Commissie van 1 april 1987.4 Bij dat besluit heeft de Commissie haar diensten opgedragen alle wetgevingsbesluiten na maximaal tien wijzigingen te codificeren, teneinde het gemeenschapsrecht te vereenvoudigen en te verduidelijken, zodat het toegankelijker wordt voor de gewone burger. Daarmee wil de Commissie bereiken dat de burger "nieuwe mogelijkheden krijgt en in staat wordt gesteld gebruik te maken van de specifieke rechten die hij aan het Gemeenschapsrecht kan ontlenen". Zolang bepalingen van gemeenschapsrecht meermaals en vaak ingrijpend zijn gewijzigd, gedeeltelijk in het oorspronkelijke besluit en gedeeltelijk in latere wetgevingsbesluiten, is veel zoekwerk vereist en moet vaak een groot aantal wetgevingsbesluiten worden vergeleken. Codificatie is dan ook volgens de Commissie van essentieel belang om het gemeenschapsrecht duidelijk en doorzichtig te maken.5
De Richtlijn vervangt de eerdere richtlijnen die dan ook zijn ingetrokken.6 Verwijzingen in andere documenten naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de Richtlijn. Om dergelijke verwijzingen gemakkelijker in de Richtlijn terug te vinden is een zogenaamde 'concordantietabel' toegevoegd als bijlage II van de Richtlijn.
Bij codificatie van bestaande richtlijnen mogen geen inhoudelijke wijzigingen in de betrokken wetteksten worden aangebracht. De gecodificeerde tekst laat de inhoud van de besluiten die worden gecodificeerd onverlet en beperkt zich ertoe deze samen te voegen. Slechts die formele wijzigingen worden aangebracht die voor de codificatie zelf vereist zijn.7 In de volgende hoofdstukken zal worden onderzocht of de Europese wetgever in dit streven om geen inhoudelijke wijzigingen aan te brengen, is geslaagd en daarbij zal blijken dat zulks niet geheel is gelukt. Dat roept de vraag op of aan dergelijke verschillen tussen de oorspronkelijke teksten en de bewoordingen van de Richtlijn (van 2009) materiële betekenis moet worden toegekend. Ik zou menen dat dit niet het geval is. Daarbij moet worden bedacht dat de codificatie tot stand komt op basis van een lichtere, versnelde wetgevingsprocedure dan bij normale wetgevingsdocumenten het geval is. In feite wordt door het Europees Parlement en de Raad van Ministers slechts gecontroleerd of de Commissie de teksten op juiste wijze heeft samengevoegd. De Richtlijn zal waar nodig moeten worden geïnterpreteerd in de context van de documenten waarvan zij de codificatie is.
Bij het opstellen van de gecodificeerde tekst van de Richtlijn zijn in beginsel de teksten van de eerdere richtlijnen - in de versie zoals zij zijn komen te luiden na amendering en wijziging door volgende richtlijnen - achter elkaar geplaatst. Bepalingen zijn vervolgens in hoofdstukken geplaatst die titels hebben gekregen, maar enige systematiek is daarin moeilijk te ontdekken. Zo draagt bijvoorbeeld hoofdstuk 5 als opschrift: "bijzondere slachtoffercategorieën, uitsluitingsclausules, enkele premie, voertuigen die worden verzonden vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat". De rechtstreekse vordering is met de verplichting voor de verzekeraar om - kort gezegd - een bonus-malusverklaring aan de verzekeringnemer af te geven en het verbod om franchises en eigen risico's aan de benadeelde tegen te werpen, bijeengeveegd in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 draagt het opschrift: "Afdoening van vorderingen als gevolg van een ongeval, veroorzaakt door een voertuig dat door de in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt" (het betreft hier de verplichting van elke lidstaat om een algehele, de gehele EU omvattende verzekeringsplicht voor motorrijtuigen in te voeren, FJB), maar bevat tevens vrijwel de gehele materie van de 4e Richtlijn.
Van enige onderlinge samenhang tussen al deze verschillende onderwerpen is naar mijn mening geen sprake. De logica van de opeenvolging van de bepalingen van de Richtlijn springt dan ook niet steeds in het oog en kan alleen, en dan nog slechts ten dele, worden verklaard uit de chronologie waarin zij tot stand zijn gekomen. Of de Europese burger hiermee daadwerkelijk een duidelijker en toegankelijker tekst tot zijn beschikking heeft gekregen waarmee hij zijn gemeenschapsrechten eenvoudiger kan uitoefenen, valt dan ook te betwijfelen.
Vanzelfsprekend wordt in deze studie Richtlijn 2009/103/EG gebruikt. Zoals ik al eerder aangaf wordt, wanneer van 'de Richtlijn' wordt gesproken, de Richtlijn van 2009 bedoeld. Waar het nuttig of nodig is om terug te grijpen op de voorafgaande richtlijnen, bijvoorbeeld om een ontwikkeling of de achtergrond van een bepaling te schetsen, worden deze, zoals gezegd, aangeduid als de le, 2e, 3e, 4e en 5e Richtlijn.