De kwalificatie van het onder 1 primair A en 2 primair A bewezenverklaarde luidt: “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd.” De kwalificatie van het onder 7 bewezenverklaarde luidt: “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.”
HR, 01-07-2025, nr. 23/00951
ECLI:NL:HR:2025:1026
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
23/00951
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1026, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:475
ECLI:NL:PHR:2025:475, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1026
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0233
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal uit woning met braak en/of inklimming, meermalen gepleegd (art. 311.1 Sr). Verjaring, art. 70 (oud) Sr. Hof heeft verdachte veroordeeld voor feiten die onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C en 7 zijn tenlastegelegd. Recht tot strafvervolging voor tenlastegelegde feiten is vervallen. Wat betreft het onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C en 7 tlgd. staan redenen daarvoor vermeld in CAG. Op vergelijkbare gronden moet ook wat betreft onder 1 subsidiair B en 2 subsidiair B en C tenlastegelegde (schuldheling) - op welk feit steeds gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren is gesteld - worden geoordeeld dat recht tot strafvervolging voor deze feiten is vervallen. CAG: Het moet ervoor worden gehouden dat verjaring van onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C en 7 bewezenverklaarde feiten niet is gestuit vóór verstrijken van fatale 12-jaarstermijn respectievelijk 20-jaarstermijn. Volgt partiële vernietiging en n-o verklaring OM in vervolging t.a.v. de onder 1, 2 en 7 tlgd. feiten.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00951
Datum 1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 3 mei 2001, nummer 23-002382-99, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (volgens opgave BRP: [verdachte] ),
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof en de in eerste aanleg gedane uitspraak van de rechtbank Alkmaar in de strafzaak met het parketnummer 14.020326.99, tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding en tot compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2.1
Aan de verdachte is – zakelijk weergegeven – onder meer tenlastegelegd:
- onder 1 primair A en 2 primair A: gekwalificeerde diefstal door twee of meer verenigde personen, respectievelijk gepleegd op of omstreeks 22 en/of 23 september 1998 en op of omstreeks 28 en/of 29 september 1998;
- onder 1 primair B en 2 primair B en C: gekwalificeerde diefstal door twee of meer verenigde personen, respectievelijk gepleegd op of omstreeks 23 september 1998 en op of omstreeks 29 september 1998;
- onder 1 subsidiair B en 2 subsidiair B en C: (schuld)heling, respectievelijk gepleegd op of omstreeks 23 september 1998 en op of omstreeks 29 september 1998;
- onder 7: gekwalificeerde diefstal, gepleegd op of omstreeks 26 maart 1999.
2.2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, de feiten die onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C, en 7 zijn tenlastegelegd.
2.3
Het recht tot strafvervolging voor de onder 2.2.1 genoemde tenlastegelegde feiten is vervallen. Wat betreft het onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C, en 7 tenlastegelegde staan de redenen daarvoor vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. Op vergelijkbare gronden moet ook wat betreft het onder 1 subsidiair B en 2 subsidiair B en C tenlastegelegde – op welk feit steeds een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren is gesteld – worden geoordeeld dat het recht tot strafvervolging voor deze feiten is vervallen.
2.4
De Hoge Raad zal wat betreft de onder 2.2.1 genoemde tenlastegelegde feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Gelet op de hierna volgende beslissing is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 augustus 1999, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de hiervoor onder 2.2.1 genoemd feiten;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1, onder 2 en onder 7 tenlastegelegde;
- verklaart de [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;
- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. (Medeplegen van) diefstallen uit woningen (met braak en/of inklimming) en pinnen van geld met de bij die diefstallen gestolen bankpassen. Slagend middel over verjaring. Conclusie strekt tot vernietiging en niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00951
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 3 mei 2001 (rolnummer 23-002382-99) door het gerechtshof Amsterdam (bij verstek) voor het (samen met een ander) plegen van diefstallen uit woningen (met braak en/of inklimming)1.en het pinnen van geld met de bij die diefstallen gestolen bankpassen2.veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van een benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 9 maart 2023 ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd dat het tenlastegelegde is verjaard. In het tweede middel wordt geklaagd dat het bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen aangezien de door het hof overgenomen aanvulling van de rechtbank van de gebezigde bewijsmiddelen ontbreekt. In het derde middel wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
1.3
Deze conclusie strekt ertoe dat het bestreden arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank worden vernietigd, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot schadevergoeding en dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2. Het eerste middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het recht tot strafvordering (…) inmiddels [is] vervallen door verjaring.”
2.2
Het hof heeft onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C en 7 bewezen verklaard dat:
“ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:
A:
hij op 22 september 1998 en/of 23 september 1998 in [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een televisie en een videorecorder en een stereotoren en een koptelefoon en een coaxkabel en een walkman en een (oplaadbare) batterij en twee oordoppen en een nagelgarnituur en twee tassen en een hoeveelheid levensmiddelen en een computerspel en twee boxen en een (scart)kabel en een hoes en een horloge en zeven compact discs en twee autosleutels en een (lederen) jas en vijf girocheques en een giropas en een (rabo)bankpas en een geldbedrag van (ongeveer) ƒ 300,-, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;
B:
hij op 23 september 1998 omstreeks 03.45 uur en omstreeks 03.47 uur en omstreeks 03.48 uur in [plaats] (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de Rabobank te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 100,- en een geldbedrag van ƒ 300,- en een geldbedrag van ƒ 25,-, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;
ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:
A:
hij op 28 september 1998 en/of 29 september 1998 te [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [b-straat 1] heeft weggenomen een televisie en twee (rabo)bankpassen en twee giro(bank)passen en twee identiteitskaarten en twee portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;
B:
hij op 29 september 1998 omstreeks 05.48 uur in [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de Rabobank te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 500,-, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;
C:
hij op 29 september 1998 omstreeks 06.17 uur en omstreeks 06.18 uur in [plaats] (telkens), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de giro op [c-straat] te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 250,- en een geldbedrag vanƒ 25,-, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;
ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde:
hij op 26 maart 1999 in [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [d-straat 1] heeft weggenomen een mobiele telefoon en een fototoestel en een verrekijker en zeven tassen met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.”
Het juridisch kader
2.3
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 70 lid 1, aanhef en onder 3° en 4°, Sr (zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2024):3.
“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4° in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.”
- Art. 71 Sr (zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2013 en van 1 januari 2020 tot 1 juli 2024):4.
“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens (…)”
- Art. 72 Sr:
“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”
2.4
Op grond van art. 70 lid 1 (oud) Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld (aanhef en onder 3°) en in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (aanhef en onder 4°). Op grond van art. 71 (oud) Sr vangt de oorspronkelijke verjaringstermijn in beginsel aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van art. 72 lid 1 Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Na een gestuite verjaring vervalt het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven als vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (art. 72 lid 2 Sr). Een daad van vervolging kan zijn het uitbrengen van de (appel)dagvaarding, de betekening van een verstekvonnis/-arrest en bepaalde handelingen van de rechter zoals het wijzen van een vonnis of arrest.5.Een poging tot betekening van de verstekmededeling6.en de mededeling van de rechtsdag7.kunnen ook worden aangemerkt als een daad van vervolging. Een verzoek tot signalering in het BETIP-systeem8.en VIP-controles zijn geen daad van vervolging in de zin van art. 72 lid 1 Sr.9.Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) geldt niet meer de eis dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of betekend moet zijn.10.
De bespreking van het middel
2.5
Het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde heeft telkens betrekking op diefstal in vereniging met een valse sleutel, begaan op 23 september 1998 (1 primair B) en 29 september 1998 (2 primair B en C). Dit feit is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 311 lid 1, aanhef en onder 4° en 5°, Sr. Op dit feit was – en is nog steeds – een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste zes jaren. Gelet op het hierboven genoemde art. 70 lid 1 (oud) Sr bedraagt de verjaringstermijn voor het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde dus twaalf jaren.
2.6
Het onder 1 primair A, 2 primair A en 7 bewezenverklaarde heeft telkens betrekking op diefstal in vereniging (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) uit een woning met braak en/of inklimming, begaan op 22 en/of 23 september 1998 (1 primair A), 28 en/of 29 september 1998 (2 primair A) en 26 maart 1999 (7). Dit feit is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 311 lid 1, aanhef en onder 3° (oud), 4° en 5, en lid 2 Sr. Op dit feit was – en is nog steeds – een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste negen jaren. Gelet op het hierboven genoemde art. 70 lid 1 (oud) Sr bedraagt de verjaringstermijn voor het onder 1 primair A, 2 primair A en 7 bewezenverklaarde dus 20 jaren.
2.7
Het bij verstek gewezen arrest van het hof is uitgesproken op 3 mei 2001. De verjaringstermijn is dus opnieuw gaan lopen op 4 mei 2001 en liep vervolgens tot 4 mei 2013 (voor de feiten 1 primair B en 2 primair B en C) en tot 4 mei 2021 (voor de feiten 1 primair A, 2 primair A en 7). Uit de in cassatie ter beschikking staande stukken blijkt niet dat een daad van vervolging is verricht binnen twaalf jaren respectievelijk twintig jaren na 4 mei 2001. Uit de gedingstukken kan weliswaar worden afgeleid dat op 17 juni 2002 het Openbaar Ministerie het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft verzocht de verdachte ter signalering op te nemen in het BETIP-systeem om de verstekmededeling aan hem te (laten) betekenen en dat in de periode tussen 22 november 2007 en 25 september 2012 meermalen VIP-controles hebben plaatsgevonden met het oog op het ter kennis van de verdachte brengen van het verstekarrest, maar niet blijkt dat het signaleringsverzoek en de controles hebben geleid tot (pogingen tot) betekening van de verstekmededeling als bedoeld in art. 366 Sv. Bij de gedingstukken bevindt zich ook niet zo’n verstekmededeling. Het verzoek tot signalering in het BETIP-systeem en de VIP-controles kunnen niet worden aangemerkt als een daad van vervolging. Naar ik meen is de eerstvolgende daad van vervolging na 4 mei 2001 de uitreiking van de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv op 14 februari 2024 aan een huisgenoot van de verdachte.11.Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring van de onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezen verklaarde feiten en de onder 1 primair A, 2 primair A en 7 bewezen verklaarde feiten niet is gestuit vóór het verstrijken van de bovengenoemde fatale twaalfjaarstermijn respectievelijk twintigjaarstermijn. Dat betekent dat het recht tot strafvordering ten aanzien van alle feiten door verjaring is vervallen.12.
2.8
Ten aanzien van het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde komt daar nog bij dat op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 3°, (oud) Sr in verbinding met art. 72 lid 2 Sr de (absolute) verjaringstermijn voor deze feiten ten hoogste twee maal twaalf jaren beloopt, dus in totaal 24 jaren. Die termijn vangt aan op de dag na die waarop de feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat de verjaringstermijn is aangevangen op 24 september 1998 (1 primair B) en 30 september 1998 (2 primair B en C). Inmiddels zijn meer dan 24 jaren verstreken na de aanvang van deze verjaringstermijnen. Dat betekent dat ook op deze grond het recht tot strafvordering ten aanzien van deze feiten door verjaring is vervallen.13.
2.9
Nu het Openbaar Ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vervolging, zal de Hoge Raad de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vordering tot schadevergoeding en de proceskosten moeten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.14.
2.10
Het eerste middel slaagt. Dit zal moeten leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en het vonnis van de rechtbank en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. Gelet daarop behoeven de overige middelen geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, word ik graag in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de overige middelen aanvullend te concluderen.
3. Slotsom
3.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel behoeven geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad
- de bestreden uitspraak van het hof en de in eerste aanleg gedane uitspraak van de rechtbank Alkmaar in de strafzaak met het parketnummer 14.020326.99 zal vernietigen;
- het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging;
- de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot schadevergoeding;
- de proceskosten zal compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
De kwalificatie van het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde luidt: “diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.”
Gelet op de in het onderhavige geval van toepassing zijnde verjaringstermijnen van twaalf jaren, lopende van 4 mei 2001 tot 4 mei 2013, en van twintig jaren, lopende van 4 mei 2001 tot 4 mei 2021, gold art. 70 lid 1 (oud) Sr zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2024 (Wet van 15 november 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring, Stb. 2012, 572, in werking getreden op 1 april 2013, Stb. 2012, 655).
Gelet op de in de vorige noot genoemde verjaringstermijnen gold art. 71 (oud) Sr zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2013 (Wet van 15 november 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring, Stb. 2012, 572, in werking getreden op 1 april 2013, Stb. 2012, 655) en van 1 januari 2020 tot 1 juli 2024 (Wet van 27 september 2019 tot wijziging van onder meer het Wetboek van Strafrecht in verband met de herwaardering van de strafbaarstelling van enkele actuele delictsvormen (herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen), Stb. 2019, 311, in werking getreden op 1 januari 2020, Stb. 2019, 421).
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 224-225.
Zie HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1555, NJ 2014/178, m.nt. T.M.C.J. Schalken en de conclusie van A-G Spronken vóór dat arrest.
HR 10 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4361, NJ 1969/420.
Vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2005 en de conclusie van A-G Knigge, randnrs. 4.4-4.7, vóór dat arrest.
HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:845, NJ 2014/227, rov. 2.5.
Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), Stb. 2005, 595, in werking getreden op 1 januari 2006, Stb. 2005, 596.
Vgl. HR 10 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4361, NJ 1969/420, waaruit kan worden afgeleid dat de aanzegging van de rechtsdag kan worden aangemerkt als een daad van vervolging.
Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357, NJ 2010/232, m.nt. M.J. Borgers; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7368; HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:22.
Vgl. HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2548; HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:235; HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:532.
Vgl. HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:532, rov. 2.4.