Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.3.3
4.2.3.3 SER-advies ten aanzien van het agenderingsrecht
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649648:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 25 732, nr. 8 (Kabinetsreactie), p. 17.
Zie respectievelijk Honée & Timmerman 2000 en Moerland, Helleman & Nijman 2000.
Sociaal Economische Raad 2001, p. 99-102.
Kamerstukken II 1999/00, 25 732, nr. 13 (Brief van de vaste commissie voor Financiën).
Sociaal Economische Raad 2001, p. 104.
Sociaal Economische Raad 2001, p. 79.
Behoudens agendering via art. 2:110 (jo art. 2:111 BW), art. 2:112 BW, of een op grond van art. 2:109 BW in de statuten toegekend bijeenroepings- of agenderingsrecht.
Sociaal Economische Raad 2001, p. 84-85.
Tussen ‘zwaarwegende belangen van de vennootschap’ (de SER) en ‘zwaarwichtige belangen der vennootschap’ (de commissie Peters) lijkt mij tenminste geen verschil te zitten. Vgl. Sociaal Economische Raad 2001, p. 84-85 met Commissie Corporate Governance 1997, p. 36 (aanbeveling 30).
Zie over het zwaarwichtig belang verder uigebreid par. 6.3.2.4.a.
Te raadplegen via http://www.oecd.org/corporate/principles-corporate-governance.htm.
Organisation for Economic Cooperation and Development 1999, p. 9-11.
Sociaal Economische Raad 2001, p. 17.
Organisation for Economic Cooperation and Development 1999, p. 26.
Organisation for Economic Cooperation and Development 1999, p. 26.
In de kabinetsreactie op het onderzoeksrapport van de Monitoring Commissie schrijft het kabinet dat het ten behoeve van de beleidsvorming inzake het structuurregime een onderzoek heeft uitbesteed naar de feiten en economische effecten van de in Nederland bestaande zeggenschapsverhoudingen.1 Dit onderzoek valt uiteen in twee deelonderzoeken: een empirisch onderzoek naar de toepassing van de structuurregeling en een economisch onderzoek naar de relatie tussen zeggenschapsverhoudingen en financiële prestaties van beursvennootschappen.2 Nog voordat de twee onderzoeken voltooid zijn, vraagt het kabinet op 10 februari 2000 de SER om advies uit te brengen over het functioneren en de toekomst van de structuurregeling. Het verzoek aan de SER is om het advies toe te spitsen op (i) de mogelijke aanpassing van de toepassingscriteria voor het verplichte (gemitigeerde) structuurregime en (ii) een mogelijke aanpassing van het structuurregime om het functioneren van de RvC als correctiemechanisme bij falend bestuur te verbeteren.3 Het uiteindelijke advies van de SER bestrijkt echter veel meer dan enkel deze twee specifieke punten. De reden is dat op 27 juni 2000 de Tweede Kamer – op verzoek van de vaste commissie van Financiën – een aanvullende adviesaanvraag bij de SER indient. De vaste commissie van Financiën stelt behoefte te hebben aan een volledig en integraal advies over het thema corporate governance. De Tweede Kamer vraagt daarom de SER om ook te adviseren over onderwerpen die in een breder verband een zekere samenhang hebben met de structuurregeling.4 Daaronder valt ook het agenderingsrecht. In de adviesaanvraag staat te lezen:
“Het verzoek aan uw Raad is eveneens aandacht te besteden aan de wenselijkheid van meer transparantie en aan de vormgeving van het afleggen van verantwoordelijkheid, mede in het licht van de aanbevelingen van de commissies Peters I en II.”5
De twee adviesaanvragen leiden tot het SER-rapport: ‘Het functioneren en de toekomst van de structuurregeling’, dat op 19 januari 2001 wordt gepubliceerd. Paragraaf 4.7 gaat over de positie van aandeel- en certificaathouders in (structuur)vennootschappen. De SER leidt de paragraaf als volgt in:
“Een belangrijk thema van het corporate governance-debat is versterking van de positie van de verschaffer van risicodragend kapitaal in (structuur)vennootschappen. De raad stelt vast dat er reden is voor een herwaardering van de positie van de kapitaalverschaffers bij structuurvennootschappen, met name in het licht van de ontwikkelingen op de effectenmarkten. Deze markten verlangen een deugdelijk stelsel van corporate governance dat evenwichtige relaties schept tussen kapitaalverschaffers enerzijds en ondernemingsleiding en -toezicht anderzijds.”6
In de subparagraaf die de SER aan het agenderingsrecht wijdt (par. 4.7.4), constateert hij dat de wet het bestuur en de rvc in art. 2:109 BW exclusief aanwijst als de organen die bevoegd zijn de aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen. De SER ziet dat slechts degene die bevoegd is tot bijeenroeping de bevoegdheid tot agendering heeft en dat daarom kapitaalverschaffers in beginsel niet het recht hebben om onderwerpen op de agenda van de aandeelhoudersvergadering te (doen) plaatsen.7 Met het oog op de herwaardering van de positie van kapitaalverschaffers adviseert de SER daarom als volgt:
“De Raad is van mening dat bestuur en RvC wettelijk moeten worden verplicht gevolg te geven aan een verzoek van aandeelhouders en/of certificaathouders die alleen of gezamenlijk ten minste één procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen een onderwerp op de agenda van de AvA te plaatsen, tenzij zwaarwegende belangen van de vennootschap zich daartegen verzetten.”8
Wat opvalt is dat het beurswaardecriterium van ƒ 500.000,- van de commissie Peters in het SER-advies niet terugkomt. Naar aanleiding van de kritiek die de door de Monitoring Commissie onderzochte vennootschappen op de hoogte van dit criterium uitten (zie par. 4.2.3.1), had het kabinet aangegeven te zullen onderzoeken wat juiste kapitaalsdrempels zijn. Kennelijk vond de SER (in navolging van de onderzochte vennootschappen) de drempel van ƒ 500.000,- in ieder geval te laag. Voorts had het kabinet in zijn reactie op het onderzoeksrapport van de Monitoring Commissie laten weten te onderzoeken in welke gevallen agenderingsverzoeken niet gehonoreerd hoeven worden. De SER adviseert ook op dit punt en sluit aan bij de commissie Peters: een onderwerp hoeft niet op de agenda te worden geplaatst als zwaarwegende belangen van de vennootschap zich daartegen verzetten.9 Net als de commissie Peters maakt de SER evenwel niet duidelijk wat hij onder zwaarwegende belangen van de vennootschap verstaat. Wel bevat het SER-rapport een aanwijzing die er mogelijk op duidt dat de SER het zwaarwichtig belang (vooral) als formele weigeringsgrond ziet.10 In de periode tussen het verschijnen van het definitieve rapport van de commissie Peters (25 juni 1997) en de publicatie van het SER-rapport (19 januari 2001) verscheen namelijk de definitieve versie van de eerste OECD Principles of Corporate Governance (25 mei 1999).11 Deze principes hebben als oogmerk de bij de OECD aangesloten landen (waaronder Nederland) houvast te bieden bij het toetsen van het eigen stelsel van corporate governance aan minimumnormen, waaraan elk stelsel zou behoren te voldoen.12 De SER geeft in zijn rapport aan van de principes kennis te hebben genomen.13 Een van de (sub)principes van de OECD luidt:
“Opportunity should be provided for shareholders to […] place items on the agenda at general meetings, subject to reasonable limitations.”14
Waarbij de volgende toelichting wordt gegeven:
“In order to enlarge the ability of investors to participate in general meetings, some companies have increased the ability of shareholders to place items on the agenda by simplifying the process of filing amendments and resolutions. The ability of shareholders to submit questions in advance and to obtain replies from management and board members has also been increased. Companies are justified in assuring that frivolous or disruptive attempts to place items on the agenda do not occur [onderstreping EB] (…)”15
De OECD is dus van mening dat een juist corporate governance stelsel als minimumnorm hanteert dat (bepaalde) kapitaalverschaffers onderwerpen op de agenda voor een (jaarlijkse) aandeelhoudersvergadering kunnen (doen) plaatsen, met dien verstande dat vennootschappen agenderingsverzoeken die “frivolous or disruptive” zijn, moeten kunnen weren. Als de SER dit OECD-principe bij zijn advies over het agenderingsrecht tot uitgangspunt heeft genomen, zouden volgens de adviesraad – vrij vertaald – slechts frivole of ontwrichtende agenderingsverzoeken door het bestuur en de rvc geweigerd mogen worden. Dit vertoont gelijkenissen met de uitleg die de wetgever later in het wetgevingstraject aan het zwaarwichtig belang geeft (waarover uitgebreid par. 6.3.2.4.a).