Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.1.2
12.1.2 De praktijk
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370904:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.3.2.
Zo werd in HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010, 228 m.nt. Van Ginneken (ASMI) geen beslissing vernietigd waarin onmiddellijke voorzieningen waren getroffen. In de desbetreffende enquêteprocedure was dat wel gebeurd, maar tegen die beschikkingen was geen cassatie ingesteld.
Zie bijvoorbeeld HR 21 februari 2003, NJ 2003, 181 m.nt. Maeijer, JOR 2003/58 m.nt. Brink (VIBA) en HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Fernandez (RNA).
HR 1 februari 2002, NJ 2002, 226 m.nt. Maeijer, JOR 2002, 30 m.nt. Josephus Jitta(De Vries Robbé-I)
HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer, JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2002, 29 m.nt. Timmerman (Zwagerman-I).
HR 27 september 2000, NJ 2000, 653, JOR 2000/217 m.nt. Brink (Gucci), r.o. 4.2.
HR 21 februari 2003, NJ 2003, 182 m.nt. Maeijer, JOR 2003/57 m.nt. Nieuwe Weme (HBG).
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt. Doorman (DSM).
Op dit punt is gezocht in het tijdschrift ARO, waarin vanaf medio 2002 alle enquêtebeschikkingen wordt gepubliceerd, alsmede in het bestand van de rechtspraak van voor die datum dat Geerts heeft aangelegd in het kader van zijn proefschrift. Ik ben Geerts daar erkentelijk voor.
Art. 78 lid 6 RO.
Aldus Josephus Jitta in zijn noot bij JOR 2003/30.
Vgl. HR 25 juni 2010, NJ 2010, 370, JOR 2010/226 m.nt. Van Solinge (e-Traction I).
Vgl. HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Maeijer, JOR 2002/5 m.nt. Van den Ingh (Skygate) en HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt Van Schilfgaarde, JOR 2011/115m.nt. Doorman (Inter Access).
Het komt weinig voor dat de Hoge Raad een beschikking vernietigt waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen. De spaarzame gevallen waarin cassatieberoepen tegen enquêtebeschikkingen slagen,1 raken veelal niet aan (onmiddellijke) voorzieningen. Het gaat bijvoorbeeld om beschikkingen waarin geen (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen.2 Ook komt het voor dat weliswaar een onderdeel van de beschikking van de ondernemingskamer wordt vernietigd, maar zulks de getroffen (onmiddellijke) voorzieningen niet raakt.3
Wel is het zo dat de Hoge Raad beschikkingen waarin de vernietiging zich mede uitstrekte tot (onmiddellijke) voorzieningen veel bekendheid genieten. Het gebeurde namelijk in beschikkingen die voor de praktijk belangrijke beslissingen bevatten (zoals de De Vries Robbé-I-4 en Zwagerman-I-beschikkingen5) en soms ook nog eens veel media-aandacht trokken (zoals de Gucci-6, HBG-7, ABN AMRO- 8 en DSM-beschikkingen9).10 Deze beschikkingen en hun nasleep worden hierna kort besproken.
De HBG-, ABN AMRO-, DSM- en De Vries Robbé-I-beschikkingen zetten een streep door onmiddellijke voorzieningen.
In de HBG- en ABN AMRO-beschikkingen had de ondernemingskamer het bij wijze van onmiddellijke voorziening verboden om een overeenkomst na te komen. Na de vernietiging door de Hoge Raad werden deze overeenkomsten alsnog (volledig) nagekomen. Ik heb wel eens opgevangen dat geen pogingen zijn ondernomen om de schade die is ontstaan door het verbod te verhalen.
In de DSM-beschikking ging het eveneens om een bij wijze van onmiddellijke voorziening getroffen verbod. Ditmaal om een voorstel tot statutenwijziging in stemming te brengen tijdens de aandeelhoudersvergadering. Het ging hierbij evenwel om een cassatieprocedure in het belang der wet, zodat deze vernietiging geen gevolgen had voor partijen.11
In de De Vries Robbé-I-beschikking vernietigde de Hoge Raad beschikkingen waarin onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening een commissaris was benoemd en was bepaald dat deze commissaris alle bevoegdheden van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen kon uitoefenen. Het desbetreffende geschil is kort na de beschikking van de Hoge Raad in der minne geschikt.12 Dat bracht onder meer mee dat over de gevolgen van deze vernietiging geen rechterlijke uitspraak is gewezen.
De Gucci- en Zwagerman-I-beschikkingen zetten een streep door eindvoorzieningen. In de Gucci-beschikking ging het om de vernietiging van één of meer besluiten, te weten: het besluit tot het in het leven roepen van het employee stock ownership plan alsmede alle besluiten ter uitvoering van dat besluit. Ook dit geschil is geschikt voordat het kon komen tot een rechterlijk oordeel over de gevolgen van deze vernietiging.
In de Zwagerman-I-beschikking raakte de vernietiging niet het feit dat de ondernemingskamer tijdelijk een commissaris had aangesteld, maar wel het feit dat de ondernemingskamer aan deze commissaris de bevoegdheden had toegekend van de raad van commissarissen bij een structuurvennootschap. Mij zijn geen rechterlijke uitspraken over de gevolgen van deze vernietiging bekend.
In totaal ging er dus drie keer een streep door een bij wijze van onmiddellijke voorzieningen opgelegd verbod, twee keer door het toekennen van bevoegdheden aan een tijdelijke commissaris, één keer door de tijdelijke aanstelling van een commissaris en één keer door de vernietiging van een besluit.
In par. 12.3.2 zal ter sprake komen dat de gevolgen van deze vernietigingen door de Hoge Raad eenvoudig zijn in vergelijking met vernietigingen van beschikkingen waarin andere (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen. Tevens zal daar blijken dat de vernietiging van een beschikking waarin tijdelijk een bestuurder is aangesteld, tijdelijk aandelen ten titel van beheer zijn overgedragen,13 of noodzaakfinanciering is mogelijk gemaakt, een stuk complexer zijn. Voor zover mij bekend, zijn dergelijke beschikkingen echter nog nooit vernietigd.14