Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/8.4.1
8.4.1 Voorstel nieuw art. 14d Wet VPB 1969
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494042:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk de poging van Q.W.J.C.H. Kok, ‘Pleidooi voor het opnemen van een groepsdeelbepaling in het regime fiscale eenheid’, WFR 2005, 207, om een groepsdeelbenadering in het regime van de fiscale eenheid te formuleren. Zie tevens E.J.W. Heithuis, ‘De bijzondere bepaling tegen de handel in verlieslichamen (art. 20a Wet VPB 1969): vereenvoudiging dringend gewenst!’, WFR 2005, 1532, die art. 20a Wet VPB 1969 omschrijft als een ‘draaikolk van woorden die op enig moment ook zonder inhoud blijven’.
C. Bruijsten, ‘De verhouding tussen rechtsbeginselen en belastingwetgeving’, WFR 2002, 715.
In de in paragraaf 8.3.1 hiervóór uitgevoerde beoordeling van art. 28a Wet VPB 1969 ligt een aantal aanbevelingen besloten voor de wetgever. Met het oog op heffing van vennootschapsbelasting van de omzettende rechtspersoon werk ik die aanbevelingen in dit onderdeel uit in een concreet voorstel om de wet te wijzigen. Ik geef meteen toe dat de door mij voorgestelde regeling niet uitblinkt in beknoptheid, maar wetstechniek is in de vennootschapsbelasting een complexe zaak.1 Bij de redactie van de door mij voorgestelde regeling heb ik de zogenoemde ‘logische gaafheid’ voor ogen gehad waaraan volgens Bruijsten belastingwetgeving moet voldoen.2 Concreet betekent dat dat de wettekst betrouwbaar, begrijpelijk en consistent is. De betrouwbaarheid houdt in dat het uit de fiscale wetgeving afleidbare rechtsgevolg als juist wordt aangemerkt. Belastingwetgeving voldoet aan de eis van consistentie indien naast het afleiden van een bepaald rechtsgevolg niet tevens de ontkenning van dat rechtsgevolg afleidbaar is.
Mijn wetsvoorsteltekst luidt als volgt:
ARTIKEL I
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:
‘A. Artikel 28a vervalt.
B. Na artikel 14c wordt ingevoegd:
AFDELING 2.8a
Omzetting van rechtspersonen
Artikel 14d
Indien een rechtspersoon op de voet van artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt omgezet in een andere rechtsvorm wordt op het onmiddellijk aan de omzetting voorafgaande tijdstip de boekwaarde van de bezittingen – daaronder begrepen zelfgevormde goodwill – en van de schulden die na de omzetting niet langer behoren tot het vermogen waarmee een onderneming wordt gedreven, gesteld op de waarde in het economische verkeer. De fiscaal toelaatbare reserves die na de omzetting niet langer behoren tot het vermogen waarmee een onderneming wordt gedreven, worden toegevoegd aan de winst van het jaar waarin de omzetting plaatsvindt. Een deelneming alsmede een schuldvordering die na de omzetting niet langer behoort tot het vermogen waarmee een onderneming wordt gedreven, wordt geacht te zijn vervreemd aan een met de omzettende rechtspersoon verbonden lichaam.
Indien een rechtspersoon op de voet van artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt omgezet in een coöperatie vindt artikel 9, eerste lid, onderdeel g van de wet geen toepassing op de na de omzetting genoten winst voorzover die winst in de vorm van stille reserves – goodwill daaronder begrepen – reeds voor de omzetting tot het vermogen van de rechtspersoon behoorde.
Indien de omzetting van een stichting op de voet van artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, wordt in afwijking van het eerste lid de boekwaarde van alle bezittingen en schulden op het onmiddellijk aan de omzetting voorafgaande tijdstip gesteld op de waarde in het economische verkeer. Voorts worden alle fiscaal toelaatbare reserves toegevoegd aan de winst van het jaar waarin de omzetting plaatsvindt. De omzetting wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de omzetting niet in overwegende mate plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Indien de in het kader van de omzetting toegekende aandelen of lidmaatschapsrechten binnen drie jaren geheel of ten dele direct of indirect worden vervreemd aan een niet met de aandeelhouder of het lid verbonden lichaam of natuurlijk persoon, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
De omzettende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of de omzetting niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan voor de omzetting een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij bezwaar vatbare beschikking beslist.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking per (...).’