Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.3.1
4.2.3.1 De bevindingen van de Monitoring Commissie
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649804:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Interview G. Zalm in de NRC, 24 juli 1997, p. 10.
Zie hierover Overkleeft 2017a, p. 137.
De Monitoring Commissie schreef in januari 1998 alle Nederlandse beursvennootschappen aan om in het jaarverslag over 1997 aandacht te besteden aan de naleving van het definitieve rapport. 159 vennootschappen gaven aan deze oproep gehoor. Zie hierover verder Overkleeft 2017a, p. 137.
Monitoring Commissie 1998, p. 7.
Monitoring Commissie 1998, p. 7.
Monitoring Commissie 1998, p. 17.
Monitoring Commissie 1998, p. 17.
Andere kapitaalsdrempels die voorkomen zijn: 2,5% (2 vennootschappen), 5% (3 vennootschappen), 10% (10 vennootschappen), 10% of ƒ 5.000.000,- (1 vennootschap) en ƒ 5.000.000,- (1 vennootschap), Monitoring Commissie 1998, p. 44.
Andere termijnen die voorkomen zijn: 18 dagen (7 vennootschappen), 35 dagen (1 vennootschap), 40 dagen (1 vennootschap), 6 weken (2 vennootschappen), 45 dagen (6 vennootschapen), 50 dagen (7 vennootschappen) en 60 dagen (13 vennootschappen), Monitoring Commissie 1998, p. 44.
Monitoring Commissie 1998, p. 17.
Monitoring Commissie 1998, p. 55.
Monitoring Commissie 1998, p. 93.
Zie respectievelijk § 122(1) AktG en section 14a-8(b) SEA.
Monitoring Commissie 1998, p. 219.
Monitoring Commissie 1998, p. 263.
Monitoring Commissie 1998, p. 361.
Monitoring Commissie 1998, p. 233.
Monitoring Commissie 1998, p. 275.
Zie respectievelijk Monitoring Commissie 1998, p. 61, 147, 157, 166, 251, 303, 317, 323 en 369.
Reeds een maand na het verschijnen van het definitieve rapport dreigde Minister van Financiën Zalm met wettelijke maatregelen als een zichtbaar resultaat in de naleving van het definitieve rapport zou uitblijven.1 De geplande monitoring van de naleving van de aanbevelingen (zie aanbeveling nr. 39), werd (hierop) met een jaar vervroegd naar het boekjaar 1997.2 De Monitoring Commissie Corporate Governance 1998 (Monitoring Commissie), welke was ingesteld door de AEX en de VEUO gezamenlijk, wordt belast met het onderzoek naar de naleving. Omdat Peters ook van deze commissie de voorzitter is, wordt de Monitoring Commissie ook wel aangeduid als de commissie Peters II. De Monitoring Commissie schakelt een onderzoeksteam van het Economisch Instituut Tilburg in om het daadwerkelijke onderzoek uit te voeren. Dit resulteert in een onderzoeksrapport dat tegen het einde van 1998 verschijnt.
Van de destijds 208 Nederlandse beursvennootschappen heeft het onderzoeksteam er 159 kunnen onderzoeken.3 Het bleek dat de aanbevelingen van de commissie Peters die beogen de transparantie in beursvennootschappen te verbeteren (de hoofdstukken die gaan over het bestuur en de rvc) goed worden nageleefd. De werkelijkheid komt hier in hoge mate overeen met de ambities van de commissie Peters.4 Voor wat betreft de naleving van de aanbevelingen die gaan over verantwoording (het hoofdstuk dat ziet op de algemene vergadering) is de afstand tussen ambitie en werkelijkheid aanzienlijk groter.5 Ten aanzien van de herwaardering van de factor kapitaal valt nauwelijks een beweging waar te nemen.6 Over specifiek de naleving van aanbeveling 30 schrijft de Monitoring Commissie dat een erg gevarieerd beeld te zien is. Slechts zestien van de 159 onderzochte vennootschappen hebben de aanbeveling volledig in de statuten overgenomen.7 De reden voor de terughoudendheid van volledige implementatie wordt met name gevonden in de alternatieve kapitaaldrempel van ƒ 500.000,-. Als die drempel buiten beschouwing blijft, en slechts naar de 1%-drempel wordt gekeken, voldoen in 1997 zestig van de onderzochte vennootschappen aan de aanbeveling.8 Als men ook de indieningstermijn van dertig dagen buiten beschouwing laat, komt het totaal op 93 vennootschappen.9 De Monitoring Commissie tekent op dat door bijna alle vennootschappen de voorwaarde gesteld wordt dat de indieners van het verzoek een redelijk belang dienen te hebben bij de te agenderen onderwerpen en dat geen zwaarwichtige belangen zich tegen de agendering verzetten.10 Ik noem een aantal opvallende standpunten die door vennootschappen ten aanzien van aanbeveling 30 werden ingenomen:
ABN AMRO Holding NV vermeldt dat zij als kapitaalsdrempel slechts een beurswaardecriterium (van ƒ 5.000.000,-) zal hanteren. Dit omdat het criterium zoveel mogelijk de verschillen in kapitaalbelang, verbonden aan (de certificaten van) de diverse aandelen van ABN AMRO, dient te reflecteren.11
Koninklijke BAM Groep NV vermeldt dat bij honorering van een agenderingsverzoek “de aandelen” tot en met de dag van de desbetreffende vergadering gedeponeerd dienen te blijven.12 Dit idee vertoont gelijkenissen met de houdplicht zoals deze in het Duitse en Amerikaanse recht geldt.13
Kas-Associatie NV stelt in afwijking van de aanbeveling een (veel) hoger en trapsgewijs kapitaalscriterium. Daarnaast vermeldt zij uitdrukkelijk dat het niet mogelijk is een voorstel tot besluitvorming te doen als de statuten bepalen dat een dergelijk voorstel gedaan moet worden door het bestuur en de rvc (vgl. p. 27 van het definitieve rapport). Ik citeer: “De aanbeveling inzake het plaatsen van onderwerpen op de agenda van de AVA wordt niet als zodanig onderschreven. Dergelijke verzoeken van tenminste twee kapitaalverschaffers tezamen die gezamenlijk tenminste 10% en ieder afzonderlijk tenminste 2,5% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, worden gehonoreerd indien deze tenminste 30 dagen voor de datum van de AVA zijn ingediend, tenzij het een voorstel betreft waaromtrent in de statuten is bepaald dat een dergelijk voorstel gedaan moet worden door de RvB en de RvC. Hiertoe is besloten omdat eigenbelang een richtsnoer kan zijn voor het stemgedrag van de kapitaalverschaffers.”14
Een geheel andere benadering kiest De Nationale Investeringsbank NV. Zij beoordeelt agenderingsverzoeken louter op basis van ‘inhoudelijkheid van het onderwerp’. Kapitaalsdrempels spelen geen rol.15 Ongeveer hetzelfde geldt voor Wegener Arcade NV: “Tenzij naar het oordeel van de RvC en RvB zwaarwichtige belangen van de vennootschap zijn die zich tegen opnemen in de agenda verzetten, wordt aan verzoeken van kapitaalverschaffers met een belang van 1% gehoor gegeven. Hierbij wordt echter nog vermeld dat dit de officiële regels zijn. Als iemand met bij wijze van spreken één certificaat een redelijk voorstel doet, is de kans groot dat hier ook gehoor aan wordt gegeven.”16
NV Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij geeft aan bij de beoordeling van agenderingsverzoeken een competentietoets aan te leggen: “Het plaatsen van onderwerpen op de agenda van de AVA wordt gehonoreerd indien naar de mening van de directie en RvC het een onderwerp betreft waarover de AVA gerechtigd is te beslissen (…).” Bovendien toetst de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij niet enkel of een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen agendering verzet, maar ook of dat niet het geval is ten aanzien van zwaarwichtig belang van een groepsmaatschappij.17
De statuten van Océ NV begrenzen het agenderen door aandeelhouders helemaal niet. Als een voorstel tijdig is ingediend wordt het op de agenda geplaatst: “Voorstellen van aandeelhouders worden op de agenda geplaatst, indien deze tenminste 30 dagen voor de datum van de vergadering bij het bestuur of bij de president-commissaris zijn ingediend.”18
Opvallend is verder dat een aantal vennootschappen (9) in relatie tot het voorgestelde agenderingsrecht wijzen op de rondvraag (of een daarmee vergelijkbaar agendapunt, bijv. ‘overig’) en het recht van vergadergerechtigden om ter vergadering vragen te stellen (art. 2:107 BW). Deze vennootschappen (Koninklijke Ahrend NV, DSM NV, EVC International NV, Fugro NV, NBM Amstelland NV, Samas-Groep NV, NV Koninklijke Sphinx Gustavsberg, Koninklijke Ten Cate NV en Wolters Kluwer NV) zien in het agendapunt rondvraag in combinatie met art. 2:107 BW al voldoende mogelijkheden voor kapitaalverschaffers om in de algemene vergadering onderwerpen aan de orde te stellen. Desalniettemin geven de vennootschappen – met uitzondering van Koninklijke Ahrend NV – aan dat zij agenderingsverzoeken van kapitaalverschaffers (die aan de door de commissie Peters voorgestelde vereisten voldoen) serieus in behandeling zullen nemen.19 Het lijkt erop dat de genoemde vennootschappen weinig meerwaarde zien in het voorgestelde agenderingsrecht ten opzichte van het agendapunt rondvraag in combinatie met art. 2:107 BW. De redenering is kennelijk dat nu in de rondvraag al over ieder gewenst onderwerp gediscussieerd kan worden en art. 2:107 BW de individuele aandeel- en certificaathouder de bevoegdheid geeft vragen te stellen (over agendapunten), het niet nodig is om verschaffers van een bepaalde hoeveelheid kapitaal het recht te geven onderwerpen op de agenda te laten plaatsen. Bij deze redenering wordt verondersteld dat het voorgestelde agenderingsrecht slechts een verantwoordingsfunctie heeft. In par. 4.2.2 schreef ik dat dit niet juist is. De commissie Peters geeft er in het definitieve rapport blijk van dat kapitaalverschaffers met het agenderingsrecht tevens in staat worden gesteld om de algemene vergadering gebruik te laten maken van aan haar toekomende bevoegdheden.