Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.2
14.4.2 Waarborgen van art. 6 EVRM: proportionaliteit vereist volle toetsing
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940287:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader paragraaf 15.3.3 en paragraaf 15.3.4.
Zie paragraaf 14.2.1.
EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 56. Zie hieromtrent nader paragraaf 14.4.4.3.6.
EHRM 23 juni 1981 (Le Compte e.a.), NJ 1982, 602 (par. 51). Zie voorts Feteris 2002, p. 149 en Feteris 2007, p. 367. In noot 279 op de laatstgenoemde vindplaats signaleert Feteris in latere arresten een wat mildere opstelling van het EHRM (hij wijst in dit verband op EHRM 23 september 1998 (Malige), nr. 27812/95, NJCM-Bulletin 2000, p. 873 en EHRM 2 juli 2002 (Göktan), nr. 33402/96, EHRC 2002, nr. 72). Zie ten slotte Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 128.
Zie Feteris 2002, p. 149.
EHRM 23 september 1998 (Malige), NJCM-Bulletin 2000, p. 873 en EHRM 2 juli 2002 (Göktan), nr. 33402/96, EHRC 2002, nr. 72. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 142.
EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 59. Daarbij achtte het EHRM – onder verwijzing naar het arrest Jussila – van belang dat belastingzaken zich onderscheiden van hard core strafzaken (zie daaromtrent nader paragraaf 3.5.2.3). Ook verwijst het EHRM naar zijn – overigens zeer casuïstische – jurisprudentie waarin wél tot onevenredigheid werd geconcludeerd (EHRM 11 januari 2007 (Mamidakis), nr. 35533/04 en EHRM 26 februari 2009 (Grifhorst), nr. 28336/02). Het ging in die zaken om een cumulatie van maatregelen die ook in absolute zin reeds als fors konden worden bestempeld.
Dat betekent overigens niet dat de rechter, wanneer de wetgever zich bij het ontwerpen van het stelsel van gefixeerde boetes rekenschap heeft gegeven van de proportionaliteit van de boetes, zich daar dan ook te allen tijde bij neer zou moeten leggen. Onder omstandigheden kan de rechter namelijk tot het oordeel komen dat de door de wetgever voorgeschreven sanctie als regel zo onevenredig uitpakt, dat de wettelijke bepaling wegens strijd met het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten. Aldus ook de Nederlandse regering in Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 142.
Zie bijvoorbeeld EHRM 2 februari 2010 (Monedero), nr. 32798/06, en EHRM 5 januari 2010 (Impar), nr. 13102/04.
De waarborgen van art. 6 EVRM houden onder meer in, dat de boeteling het recht heeft een oordeel te vragen van een onafhankelijke rechter over de aan hem opgelegde boete, in een procedure die voldoet aan de eisen van dat artikel.1 Zoals reeds is opgemerkt, vereist het EHRM in dit verband dat die rechter ‘full jurisdiction’ heeft, dat wil zeggen dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om de opgelegde boete in alle feitelijke en juridische opzichten te vernietigen.2 Het criterium ‘full jurisdiction’ maakt geen duidelijk onderscheid tussen centrale stellingen, perifere stellingen en de strafmaat, maar knoopt aan bij de feitenvaststelling en de toepassing van het recht. Daaruit kan worden afgeleid dat de bevoegdheid van de rechter zich over alle mogelijke geschilpunten moet uitstrekken, waaronder de strafmaat.3 Voor wat betreft de strafmaat heeft het EHRM dat ook – buiten het kader van het criterium ‘full jurisdiction’ – bevestigd: de rechter moet (ook) zijn eigen oordeel kunnen vellen over de vraag of de boete proportioneel is.4
Het is echter niet noodzakelijk dat de rechter de hoogte van de boete altijd geheel zelfstandig moet kunnen bepalen. Een stelsel van wettelijk gefixeerde boetes kan door de beugel, mits aan enkele voorwaarden is voldaan.5 De belangrijkste voorwaarde is dat in de wettelijke regeling zelf al rekening is gehouden met het evenredigheidsbeginsel.6 Het EHRM lijkt van oordeel dat aan die voorwaarde kan worden voldaan door de ten onrechte onbetaald gebleven belasting als grondslag te nemen voor de berekening van de omvang van de boete.7 Een boete die wettelijk op 25 % van de ten onrechte niet geheven belasting wordt vastgesteld, is volgens het EHRM niet op voorhand disproportioneel.8
Opmerking verdient nog, dat ook op grond van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM een evenredigheidsnorm geldt. Daarmee zal echter niet snel strijd ontstaan, aangezien de boeteopleggende instantie een ruime beoordelingsmarge heeft.9