Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/7.6.2
7.6.2 De systematiek van de toetsing aan de subnorm `agressieve handelspraktijk'
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499705:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In art. 8 is voor een andere uitwerking van het verstoringscriterium gekozen dan die uit art. 2 onder e richtlijn. Dit komt de systematiek van de richtlijn niet ten goede: het constitutieve element van een agressieve handelspraktijk is, naast de agressieve gedraging zelf de (potentiële) aanzienlijke beperking van de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument, waardoor hij een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. In de algemene definitie en de algemene norm staat de informatie voorop (`geïnformeerd besluit') en niet de keuzevrijheid. Het gebrek aan informatie refereert aan de misleidingsnorm en de beperking van de vrijheid verwijst naar de agressienorm. De vraag is of aan de hand van de algemene norm praktijken kunnen worden aangepakt die tot verkeerde besluiten leiden, niet zozeer vanwege een gebrek aan informatie, maar vanwege gebrek aan handelings- of keuzevrijheid (par. 7.3.3).
Twigg-Flesner e.a. 2005, p. 47 (par. 3.33 aldaar); Howells 2007, p. 169-170 gaat uit van de inaanmerkingneming van persoonlijke bezwaren tegen een praktijk in een individueel geval. Praktijk nr. 25 van de lijst lijkt hier ook van uit te gaan.
461. Wanneer eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een agressieve gedraging van de handelaar, die de beoordelingsvrijheid van de consument inperkt, dient nog te worden bepaald of de consument hierdoor een 'verkeerd' besluit zal (kunnen) nemen.1 Net als bij de hoofdnorm is van belang dat de handelspraktijk op ongepaste wijze een wezenlijk effect sorteert op het gedrag van de gemiddelde consument. Gelet op het 'cumulatieve' karakter van de toets is nogal verwarrend dat in de definitie van de ongepaste beïnvloeding en in het gezichtspunt onder c niet naar de 'gemiddelde' consument wordt verwezen. Het is, in een individuele zaak, denkbaar dat de rechter, in het licht van 'feitelijke context' (art. 8), van de concrete consument uitgaat, waardoor de toets in het specifieke geval zijn geobjectiveerde karakter verliest.2 De vraag is of een concrete invulling van het inhoudelijke criterium zal doorwerken in de toetsing aan het besluitcriterium, waarbij van de gemiddelde consument moet worden uitgegaan. Divergenties in de mate van objectivering van de omstandigheden van het geval, vooral wanneer zij wordt toegepast in individuele zaken, kunnen niet worden uitgesloten.