Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.4.1
II.4.1 Een vermeend onteigeningskarakter
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377333:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 12.
Zie zijn noot sub 2 onder HR 8 december 1993, NJ 1994, 273 (Van den Berg).
Art. 14 lid 1 Gw luidt: 'Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.' De Sobi stelde in een brief aan de Vaste Commissie van Justitie van de Tweede Kamer dat het ontwerp voor een uitkoopregeling in strijd zou zijn met art. 14 lid 1 Gw. Zie Kamerstukken 18 904, nr. 11 (Eindverslag).
Zie Pres. Rb. Alkmaar 16 april 1985, TVVS 1985, p. 204-205 (Recycling Maatschappij Kennemer-land). Deze zaak werd in de literatuur overigens gezien als anticiperende rechtspraak op de geschillenregeling.
Zie Kamerstukken 18 904, nr. 15 (NnavV), p. 1-2.
Zie Handelingen TK 22 januari 1987 (41), p. 2366-2367 en 2370. Minister Korthals Altes (VVD) zei in verband met zijn antipathie tegen het voorstel van Kamerlid Vermeend (PvdA) om de werknemersaandelen van de uitkoopmogelijkheid uit te sluiten: 'Liberaal brengt niet met zich mee dat men uitsluitend het hart laat spreken; men moet ook zijn hersens gebruiken, als men die althans gekregen heeft of voldoende heeft geoefend.'
Zie Handelingen EK 1 maart 1988 (16), p. 494-498. De minister wees op de juridische fusie, waarbij de aandelenverhouding mee kon brengen dat de aandeelhouder na de fusie slechts recht had op een vergoeding in geld. 'Kortom, compensatie door betaling is in ons burgerlijk recht zeer duidelijk aanvaard', stelde hij. Zie voor eenzelfde visie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 678. Ook Houwen vindt dat 'formeel beschouwd' de uitkoopregeling niet in strijd is met art. 14 Gw, zie Houwen (1988), p. 21.
Zie HR 21 januari 2005, NJ 2005,126 (Hoffmann).
Dit is een relevant verschil met de uitkoopprocedure. De wet geeft in art. 2:92a/201a lid 4 BW een limitatieve opsomming van de afwijzigingsgmnden. Van een inhoudelijke beoordeling is geen sprake.
In de geschillenregelingprocedure is het de rechter die uiteindelijk de prijs vaststelt. Dit heeft een specifieke achtergrond. In het ontwerp uit 1975 was nog de bepaling opgenomen dat de deskundige de (definitieve) prijs bepaalt. Uiteindelijk werd dit idee verlaten en sluit de geschillenregeling thans aan bij de regels omtrent het deskundigenbericht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De toelichting wees ter motivering van deze verandering op het `onteigeningskarakter' van de geschillenregeling.1 In zijn noot onder het arrest Van den Berg plaatst ook Maeijer de term `onteigeningskarakter' tussen aanhalingstekens. Dit karakter bracht volgens hem onder meer mee dat het aan de rechter is de prijs vast te stellen, na het verschijnen van het deskundigenbericht over de waarde van de aandelen.2
Tijdens de totstandkoming van de geschillenregeling werd geen aandacht besteed aan het vermeende onteigeningskarakter. De vraag of er sprake is van strijd met de onteigeningsbepaling van art. 14 Gw kwam bij de schriftelijke parlementaire behandeling van de uitkoopregeling wel op.3 De minister antwoordde dat volgens hem hier geen sprake van was. De grondwettelijke eigendomsbescherming ziet enkel op ontneming van eigendom door of met behulp van de uitvoerende macht. In het privaatrecht komt het meer voor dat een eigenaar krachtens een rechtsverhouding gehouden is zijn eigendom af te staan aan een ander. Hier staat dan een passende vergoeding tegenover. De gedwongen afstand van eigendom in het privaatrecht is in het bijzonder niet ongewoon in het rechtspersonen- en vennootschapsrecht. Als voorbeeld wees de minister op een uitspraak uit 1985 waarin de aandeelhouder gedwongen werd zijn aandelen over te dragen uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid.4 Daarnaast is gedwongen afstand van aandelen mogelijk op grond van een statutaire bepaling, eveneens tegen de vergoeding van de waarde. Nu de Grondwet zich tegen dergelijke regelingen in het rechtspersonen-en vennootschapsrecht niet verzet en de uitkoopprocedure tot dergelijke regelen behoort, was en is van onteigening in de zin van art. 14 Gw geen sprake.5 Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer kwam men in de discussie wederom te spreken over de vraag of sprake was van een 'vorm van onteigening'. De minister persisteerde. Het artikel in de Grondwet was simpelweg niet van toepassing op de uitkoopprocedure. De regeling is een zuiver privaatrechtelijke: de overheid was geen partij. In art. 14 Gw gaat het om de gedachte dat de overheid eigendom ontneemt in het algemeen belang, niet in het belang van een bepaalde onderneming of van een bepaalde (meerderheids)aandeelhouder. Hij voegde toe dat het grondwetsartikel duidelijk betrekking heeft op onteigening van privaat eigendom ten behoeve van een overheid of een semi-overheid ten dienste van het algemeen belang, zoals wegen- en woningbouw, dijkaanleg en defensiewerken. Wij spreken niet over aandelen, als wij spreken over onteigening in de zin van artikel 14', antwoordde de minister.6
Ook tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer kwam het onteigeningskarakter ter sprake. De minister herhaalde dat het bij onteigening in de zin van de Grondwet ging om eigendomsonteigening van overheidswege. Het gaat namelijk om een daad van de overheid verricht ten dienste van het algemeen belang. Aan de drie eisen die gelden voor onteigening, behoefde de uitkoopregeling niet te worden getoetst. Overigens werd aan twee eisen voldaan. Er moet een schadeloosstelling plaatsvinden en de regeling kent een wettelijke grondslag. Slechts de eis dat de eigendomsontneming in het algemeen belang nodig was, was bij de uitkoop niet een uitgemaakte zaak. De minister stelde de retorische vraag of de Grondwet iedere privaatrechtelijke regeling verbood, waarbij iemand zijn eigendom moet inruilen tegen iets anders. Was dit namelijk het geval, dan zouden vele bepalingen in het Burgerlijk Wetboek ongrondwettig zijn.7 Ik concludeer dat de gedwongen aandelenoverdracht van de uitkoopprocedure niet in strijd is met art. 14 Gw.
Ook al ontbreekt een wettelijke definitie van het onteigeningsbegrip, in de literatuur komt telkens één element terug. Onteigening is een vorm van publiekrechtelijk handelen.8 Het gaat bij de geschillenregeling weliswaar om de ontneming van eigendom, maar het draait om de schending van privaatrechtelijke belangen. Van overheidsbemoeienis is geen sprake. De parallel met onteigening is mijns inziens net als bij de uitkoopregeling — niet te maken. Het vervallen van de verplichte en wettelijk voorgeschreven waardering door deskundigen in het Hoffmann-arrest is een extra aanwijzing dat van een strikte onteigening geen sprake is. De Hoge Raad betrok het onteigeningskarakter in ieder geval niet in zijn afwegingen om de verplichte deskundigenbenoeming achterwege te laten.9
Ik zie veeleer een gelijkenis met een ander veroordelend vonnis in civiele zaken. De veroordeling tot ongedaanmaking van de schade brengt met zich dat de gedaagde een geldsom aan de eiser moet overmaken. Zo wordt de betalende partij een deel van zijn eigendom, namelijk een bepaald bedrag, ontnomen. In die lijn is ook de geschillenregelingvordering te beoordelen. De rechter maakt een inhoudelijke afweging.10 Degene die de schadelijke gedragingen veroorzaakt, moet de schade vergoeden.
Mijn conclusie luidt dat de stelling dat bij uitstoting sprake zou zijn van onteigening danwel een vorm van onteigening, niet houdbaar is. Voor de uittreding geldt overigens precies hetzelfde, al is het uit handen geven van de aandelen hierbij de (bewuste) keuze van de eisende aandeelhouder. De geschillenregeling is derhalve niet in strijd met art. 14 Gw.