NJB 2025/647:Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap. Voordat partijen trouwen, kopen zij een huis en grond en gaan zij daarvoor financiering aan. Hoge Raad: 1. Geen ‘halvering van meerinbreng’. Wanneer de echtgenoten reeds vóór hun huwelijk gezamenlijk een huis hebben verkregen en zij de financiële middelen voor die verkrijging hebben geleend van een hypothecair financier, valt zowel het huis als de hypotheekschuld in de huwelijksgemeenschap. Tot de schulden betreffende een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen huis behoren ook in het kader van een verbouwing jegens aannemers aangegane verplichtingen, evenals schulden uit leningen die met het oog op een verbouwing zijn aangegaan. Indien de koopprijs van een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen goed nog niet, of niet geheel, is voldaan, zal ook deze verplichting in de huwelijksgemeenschap vallen. Indien een goed de echtgenoten reeds vóór het huwelijk gezamenlijk toebehoorde en de ene echtgenoot reeds vóór het huwelijk een vordering op de andere heeft verkregen in verband met een vermogensverschuiving bij de verkrijging van dat goed of de aflossing van een in verband met dat goed aangegane schuld, valt de met die vordering corresponderende schuld niet op grond van art. 1:94 lid 7 BW in de huwelijksgemeenschap. 2. Ongewijzigde regels. De Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen heeft geen wijziging gebracht in de wettelijke regeling van vergoedingsrechten en plichten van echtgenoten en ook niet in de regels voor vermogensverschuivingen tussen informeel samenwonenden.