Rechtbank Midden-Nederland 26 januari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:179.
HR, 21-03-2025, nr. 24/02046
ECLI:NL:HR:2025:436
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-03-2025
- Zaaknummer
24/02046
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:436, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑03‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1393
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:1409
ECLI:NL:PHR:2024:1393, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:436
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2024
- Vindplaatsen
Notamail 2025/64
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/169
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/352
PFR-Updates.nl 2025-0075
V-N 2025/15.21 met annotatie van Redactie
AA20250371 met annotatie van Nuytinck A.J.M. André
JPF 2025/54 met annotatie van mr. E.J.M. Cornelissen
FED 2025/66 met annotatie van A.E. de Leeuw
NJ 2025/148 met annotatie van L.C.A. Verstappen
Notamail 2025/19
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/63
PFR-Updates.nl 2025-0021
JPF 2025/54 met annotatie van mr. E.J.M. Cornelissen
Uitspraak 21‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Art. 1:94 lid 7 BW. Halvering meerinbreng? Man en vrouw hebben vóór hun huwelijk samen woning verkregen. Man en vrouw hebben over en weer recht op vergoeding wegens meerinbreng i.v.m. betaling door man van koopsom en i.v.m. aflossing door vrouw op lening die is aangegaan ter financiering van verbouwing. Vervolgens trouwen zij in 2018 in gemeenschap van goederen, waardoor woning in huwelijksgemeenschap valt. Vorderingen tot vergoeding i.v.m. betaling koopsom en aflossing lening vallen niet in huwelijksgemeenschap. Vallen met die vorderingen corresponderende schulden wel in huwelijksgemeenschap?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02046
Datum 21 maart 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: R.R. Oudijk,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaken C/16/519989 / FA RK 21-844 en C/16/537184 / FA RK 22546 van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2022, 12 oktober 2022 en 26 januari 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.326.036 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging en verwijzing, zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben in juni 2017 ieder voor de helft de eigendom verkregen van een woning (hierna: de woning).
(ii) In december 2017 hebben partijen een stuk grond gekocht dat naast de woning ligt. Zij hebben dit stuk grond bij de tuin van de woning getrokken.
(iii) Partijen zijn in 2018 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
(iv) Het huwelijk van partijen is in januari 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Partijen hebben in deze echtscheidingsprocedure verzoeken gedaan met betrekking tot de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime.
2.3
De rechtbank heeft in haar beschikking van 12 oktober 2022, voor zover in cassatie van belang, de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap gelast en daarbij bepaald dat de woning wordt verkocht en dat met de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening en de verkoopkosten worden voldaan, waarna ieder van partijen voor de helft gerechtigd is tot de resterende overwaarde, rekening houdend met de aan hen toekomende vergoedingsrechten. De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 26 januari 20231.bepaald dat de man een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 191.826,70.
2.4
Het hof2.heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 32.501,81 en de beslissing van de rechtbank bekrachtigd dat de man een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 191.826,70.
Met betrekking tot de vordering van de man op de vrouw heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“5.10 De man heeft vóór het huwelijk de gehele koopsom van de gezamenlijke woning betaald. Dat was een hoofdelijke schuld van ieder van hen. De vrouw is op grond van artikel 6:10 BW gehouden bij te dragen voor het gedeelte dat haar aangaat: de helft. Op het moment van levering van de woning en betaling van de koopsom kreeg de man een vordering op de vrouw voor een bedrag van de helft van € 383.769,50, dat is € 191.826,70. Die vordering van de man is niet in de gemeenschap gevallen omdat het voorhuwelijks privévermogen van de man betreft. Partijen verschillen van mening of de schuld van de vrouw aan de man ook buiten de gemeenschap is gebleven. De man stelt dat dit het geval is, de vrouw stelt daarentegen dat haar schuld aan de man een schuld is betreffende een goed dat voor het sluiten van het huwelijk al gemeenschappelijk was en dat die schuld daarom op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de gemeenschap is gaan behoren.
5.11
Het hof is van oordeel dat de schuld van de vrouw van € 191.826,70 niet in de gemeenschap is gevallen en zal hierna uitleggen waarom. Voor het standpunt van de vrouw spreekt de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken I 2016/17 33987 C pagina 4) waarin de initiatiefnemers tot de wet erop wijzen dat de vordering die een van de echtgenoten op de andere heeft omdat hij bij de verkrijging vóór het huwelijk van een op beider naam verkregen woning meer heeft ingebracht dan de andere echtgenoot, een goed is dat (…) tot het voorhuwelijks vermogen behoort en dus niet in de gemeenschap valt. De schuld daarentegen is aan de zijde van de andere echtgenoot te kwalificeren als een schuld die is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke goed, en dus een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed die in de gemeenschap valt als bedoeld in artikel 1:94 lid 7 BW. Dit standpunt van de initiatiefnemers komt het hof echter niet juist voor.
5.12
De gegeven toelichting laat zich namelijk niet goed rijmen met andere opmerkingen uit de wetstoelichting. Zo vermeldt de parlementaire geschiedenis in Kamerstukken II 2015/16, 33987, 16, p. 2 en 3 dat het bij schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen concreet gaat om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap. De onderlinge schuld is echter geen schuld die ten behoeve van de gemeenschap, en dus ten behoeve van beide deelgenoten is aangegaan, maar juist ten behoeve van één van hen. In de literatuur wordt eveneens bepleit dat de schuld aan de deelgenoot die meer heeft ingebracht niet kwalificeert als een schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:94 lid 7 BW en daarom, net zoals de vordering van de deelgenoot die meer heeft ingebracht, niet tot de gemeenschap behoort. Het hof sluit zich bij die opvatting aan. Dit betekent dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen.”
Met betrekking tot de vordering van de vrouw op de man heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“5.14 Beide partijen hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat in de voorhuwelijkse periode tijdens de samenwoning sprake is geweest van een grootscheepse verbouwing voor een aanzienlijk bedrag. (…) Voor zover de inbreng van de ene deelgenoot bij de financiering van de verbouwing groter is geweest dan de inbreng van de ander is een vordering ontstaan van de deelgenoot die meer heeft bijgedragen dan de helft van dit bedrag. Aangezien deze vordering dan is ontstaan voorafgaand aan het huwelijk, betreft dit ook een vordering die tot het privévermogen behoort van de echtgenoot die meer heeft bijgedragen. De schuld van de andere echtgenoot die daar tegenover staat, merkt het hof aan als een schuld die is aangegaan ten behoeve van een gemeenschappelijk goed. Dit is dus een andere situatie dan die waarin het gaat om de financiering voor de verwerving van een aandeel in een gemeenschappelijk goed van één de deelgenoten waaraan de andere deelgenoot heeft bijgedragen (zie hiervoor onder 5.12).
5.15 (…)
Het hof neemt op grond van de stukken aan dat partijen, naast het bedrag van € 135.200 dat zij samen van Triodosbank hebben geleend, ook nog (…) eigen middelen in de verbouwing hebben gestoken. (…)
5.16
De vrouw heeft door middel van het overleggen van de nota van afrekening van 2 februari 2018 aangetoond dat zij van de gezamenlijke lening (…) een bedrag van € 65.003,61 heeft afgelost. Voor die lening was op het huis van de vrouw (…) een recht van hypotheek gevestigd. Bij de verkoop en levering van dat huis is voormeld bedrag afgelost uit de verkoopopbrengst. Dit betekent dat uit het vermogen van de vrouw een gedeelte van de schuld die partijen samen [hadden] (…) is afgelost. In verband daarmee had zij, ook op grond van artikel 6:10 BW ten tijde van het sluiten van het huwelijk een vordering op de man van de helft van het bedrag van de aflossing, of te wel € 32.501,81.
5.17
Het hof is van oordeel dat zowel de vordering van de vrouw op de man, als de schuld van de man aan de vrouw van € 32.501,81 niet in de gemeenschap is gevallen waarin partijen na het ontstaan van die rechten zijn gehuwd. Als de schuld van de man aan de vrouw op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de beperkte gemeenschap zou gaan behoren, heeft dit tot gevolg dat zijn draagplicht in de onderlinge verhouding met de vrouw voor de helft wordt verminderd. Naar de opvatting van het hof heeft de wetgever deze incongruentie waarbij de meerinbreng van – in dit geval – de vrouw wordt gehalveerd, niet voor ogen gehad. Het overgrote deel van de echtgenoten zal niet weten en niet wensen dat het aangaan van een huwelijk zonder het maken van huwelijkse voorwaarden tot dit gevolg zal leiden, terwijl de wetgever juist heeft gemeend met de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen de noodzaak tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden te verminderen. Op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid dient de schuld van de man aan de vrouw buiten het bereik van de beperkte gemeenschap te blijven.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1 van het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.11-5.12 dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen. Het hof miskent dat alle schulden voorafgaand aan het huwelijk bij goederen die gezamenlijk aan de echtgenoten behoren in de gemeenschap vallen, ook de schuld die het gevolg is van meerinbreng bij de financiering van een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning. Uit de wet volgt geen beperking tot schulden die vóór het huwelijk zijn aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap dan wel beide deelgenoten. Het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat de schuld van de vrouw aan de man geen schuld is die ten behoeve van de gemeenschap is aangegaan, is onvoldoende gemotiveerd: de schuld is ontstaan om de gezamenlijke eigendom van de woning mogelijk te maken. De uitleg die het hof geeft aan de wetsgeschiedenis, is onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het hof miskent dat het aan de wetgever is om art. 1:94 lid 7 BW aan te passen als de halvering van de meerinbreng niet de bedoeling is geweest, aldus het onderdeel.
De wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen
3.2.1
Op 1 januari 2018 is art. 1:94 BW gewijzigd om – voor na die datum gesloten huwelijken – de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken.3.Aan de wijziging ligt de gedachte ten grondslag dat enkel hetgeen door de inspanning van beide echtelieden tijdens het huwelijk verworven wordt, aan beiden toekomt.4.Buiten de gemeenschap vallen – kort gezegd – goederen en schulden die de echtgenoten bij het aangaan van het huwelijk reeds hadden (voorhuwelijks vermogen) en goederen die de echtgenoten door erfrecht of gift verkrijgen (art. 1:94 leden 2 en 7 BW).
3.2.2
Volgens het oorspronkelijke initiatiefwetsvoorstel zouden goederen die de echtgenoten voorafgaand aan hun huwelijk gezamenlijk hebben verkregen, bijvoorbeeld in een periode van ongehuwd samenwonen, niet in de huwelijksgemeenschap vallen maar een eenvoudige gemeenschap in de zin van afdeling 3.7.1 BW blijven.5.Volgens de initiatiefnemers van het wetsvoorstel maakt het niet veel uit of voorhuwelijks gezamenlijk vermogen in de huwelijksgemeenschap valt en pakt het in de onderlinge verhouding van de echtgenoten economisch gezien vrijwel hetzelfde uit als wanneer het behoort tot een eenvoudige gemeenschap.6.
3.2.3
Naar aanleiding van vragen vanuit de Tweede Kamer over de complexiteit die zich voordoet indien voorhuwelijks gezamenlijk vermogen niet in de huwelijksgemeenschap valt, is bij nota van wijziging voorgesteld dat goederen die reeds voor de aanvang van de huwelijksgemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, in de gemeenschap vallen.7.Volgens de toelichting zou de wijziging bijdragen aan de eenvoud van het nieuwe stelsel en zou het gewijzigde stelsel in economische zin nagenoeg op hetzelfde neerkomen. Wel is daarbij erop gewezen dat als de echtgenoten voor het huwelijk voor ongelijke delen in een goed gerechtigd waren, deze ongelijkheid door het huwelijk wordt opgeheven en derhalve een vermogensverschuiving optreedt; willen de echtgenoten dat niet, dan moeten zij huwelijkse voorwaarden maken.8.
3.2.4
Bij tweede nota van wijziging is vervolgens in het voorgestelde art. 1:94 lid 7 BW toegevoegd dat ook in de gemeenschap vallen alle voor het huwelijk ontstane gemeenschappelijke schulden en ‘alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden’. De toelichting op deze laatste wijziging luidt als volgt:
“Weliswaar vloeit uit het nieuwe systeem voort dat schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen eveneens in de gemeenschap vallen, maar het is beter dit expliciet te bepalen, zodat daarover geen misverstand bestaat. Het gaat dan concreet om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van een eenvoudige gemeenschap, zoals bijvoorbeeld de hypothecaire schuld die werd aangegaan ter financiering van de gezamenlijke woning. Eenvoudige gemeenschappen vallen in de huwelijksgemeenschap op grond van de aanhef van artikel 94, tweede lid, zoals gewijzigd bij de eerste nota van wijziging (…). Schulden betreffende die goederen worden op grond van de nieuwe formulering van de aanhef van artikel 94, zevende lid, als gemeenschapsschulden aangemerkt.”9.
3.2.5
Uit de hiervoor in 3.2.4 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis van art. 1:94 lid 7 BW volgt dat wanneer de echtgenoten reeds vóór hun huwelijk gezamenlijk een huis hebben verkregen en zij de financiële middelen voor die verkrijging hebben geleend van een hypothecair financier, zowel het huis als de hypotheekschuld in de huwelijksgemeenschap valt.10.Aangenomen moet worden dat tot de schulden betreffende een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen huis ook in het kader van een verbouwing jegens aannemers aangegane verplichtingen behoren, evenals schulden uit leningen die met het oog op een verbouwing zijn aangegaan. Indien de koopprijs van een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen goed nog niet, of niet geheel, is voldaan, zal ook deze verplichting in de huwelijksgemeenschap vallen.
Vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen
3.2.6
De wet voorziet in vergoedingsrechten voor vermogensverschuivingen die zich voordoen tussen het privévermogen van de ene echtgenoot, de huwelijksgemeenschap en het privévermogen van de andere echtgenoot. Als een echtgenoot een goed verkrijgt dat buiten de gemeenschap blijft, is die echtgenoot een vergoeding schuldig aan de gemeenschap voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap is gekomen (art. 1:95 lid 1, tweede zin, BW). Ook is tot vergoeding aan de gemeenschap verplicht de echtgenoot van wie een privéschuld is voldaan uit goederen van de gemeenschap (art. 1:96 lid 5 BW). Heeft een echtgenoot uit zijn privévermogen bijgedragen aan de verkrijging van een gemeenschapsgoed, dan heeft die echtgenoot daarvoor recht op vergoeding uit de gemeenschap (art. 1:95 lid 2 BW). Ook heeft de echtgenoot recht op vergoeding uit de gemeenschap ingeval van voldoening van een gemeenschapsschuld uit zijn privévermogen (art. 1:96 lid 4 BW). Voor vergoeding van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van de echtgenoten houdt art. 1:87 BW een regeling in.
3.2.7
De hiervoor in 3.2.6 genoemde regels voor vergoedingsrechten en -plichten van echtgenoten zijn niet van toepassing of overeenkomstige toepassing tussen partners die niet door huwelijk of geregistreerd partnerschap verbonden zijn.11.De vraag in welke gevallen de ene partner jegens de andere partner aanspraak heeft op vergoeding in verband met een vermogensverschuiving tussen beider vermogens, moet beoordeeld worden aan de hand van het algemene vermogensrecht, waaronder het verbintenissenrecht.12.De goederen die de partners gemeenschappelijk toebehoren, vormen niet een afzonderlijk vermogen naast hun (privé)vermogens.13.Er is derhalve ook geen sprake van vergoedingsrechten van of jegens een afzonderlijk vermogen.14.
3.2.8
De Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen heeft geen wijziging gebracht in de hiervoor in 3.2.6 genoemde wettelijke regeling van vergoedingsrechten en plichten van echtgenoten.15.Zo voorziet de wet niet erin dat een echtgenoot voor hetgeen hij vóór het huwelijk bij de verkrijging van een gezamenlijk goed heeft bijgedragen uit zijn vermogen, (alsnog) recht heeft op vergoeding uit de huwelijksgemeenschap.
De Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen heeft ook geen verandering gebracht in hetgeen geldt voor vermogensverschuivingen tussen partners die niet door huwelijk of geregistreerd partnerschap verbonden zijn.
Schuld uit vergoedingsrecht wegens meerinbreng: bij huwelijk gemeenschappelijk?
3.2.9
Wanneer echtgenoten reeds vóór hun huwelijk gezamenlijk een goed hebben verkregen en de ene echtgenoot jegens de andere echtgenoot een vergoeding verschuldigd is geworden in verband met een tussen hen opgetreden vermogensverschuiving (bijvoorbeeld omdat zij dat zijn overeengekomen of op grond art. 6:10 BW), zou deze schuld, indien de schuld in de huwelijksgemeenschap valt, mede voor rekening van de andere echtgenoot komen. Daarmee zou aan de strekking van de vergoedingsplicht afbreuk worden gedaan. Dit effect – ook wel als ‘halvering van meerinbreng’ aangeduid – zou zich voordoen als de vergoedingsplicht wordt gerekend tot de in art. 1:94 lid 7 BW bedoelde schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden.
3.2.10
De tekst van art. 1:94 lid 7 BW dwingt niet ertoe om een vergoedingsplicht als zojuist bedoeld, te rekenen tot de schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. Anders dan de verplichting tot het voldoen van de koopsom of de verplichting uit een voor de financiering van de verkrijging aangegane hypotheeklening, ‘betreft’ de schuld immers niet het goed als zodanig. Veeleer heeft de vergoedingsplicht betrekking op de vermogensverschuiving die is opgetreden bij het voldoen aan of aflossen op een schuld als bedoeld in art. 1:94 lid 7 BW.
3.2.11
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen blijkt niet dat de wetgever zich ervan bewust is geweest – laat staan heeft beoogd – dat in gevallen waarin tussen ongehuwde partners een vergoedingsplicht is ontstaan in verband met meerinbreng in een gezamenlijk goed, aan de strekking van die vergoedingsplicht afbreuk zou worden gedaan indien de partners vervolgens in gemeenschap van goederen huwen. De initiatiefnemers gingen ervan uit dat het in de huwelijksgemeenschap vallen van voorheen reeds gezamenlijke goederen zou bijdragen aan de eenvoud van het nieuwe stelsel en dat dit in economische zin geen relevant verschil zou maken; dat zich tussen de echtgenoten vermogensverschuivingen zouden voordoen als gevolg van de nieuwe regels, werd slechts onderkend voor het – volgens de initiatiefnemers zeldzame16.– geval dat de echtgenoten vóór het huwelijk voor ongelijke delen in een goed gerechtigd waren (zie hiervoor in 3.2.3). Bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer is wel gevraagd of een vordering van de een op de ander wegens meerinbreng in de gemeenschap zou vallen, maar deze vraag is onbeantwoord gebleven.17.
3.2.12
In de Eerste Kamer hebben de initiatiefnemers zich in verband met vorderingen wegens meerinbreng als volgt uitgelaten:
“In dit verband dient nog te worden gewezen op de problematiek die ontstaat indien een echtgenoot ter zake van een vóór het huwelijk op beider naam verkregen woning bij de verkrijging meer heeft ingebracht dan de andere echtgenoot. Naar huidig recht (…) ontstaat een vergoedingsrecht van die echtgenoot op de andere echtgenoot. Als zij vervolgens in beperkte gemeenschap van goederen trouwen, zal de mede-eigendom volgens het wetsvoorstel in de gemeenschap vallen, evenals de eventueel ter financiering van het goed aangegane hypothecaire schuld een gemeenschapsschuld zal worden. Rest nog de vraag hoe om te gaan met voormelde vordering. De vordering is een goed dat tot het voorhuwelijks vermogen behoort en dus niet in de gemeenschap valt. De schuld daarentegen is aan de zijde van de andere echtgenoot te kwalificeren als een schuld die is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke goed, en dus een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed die in de gemeenschap valt als bedoeld in artikel 94 lid 7.”18.
Uit deze passage blijkt dat een schuld die vóór het huwelijk is ontstaan doordat bij de verkrijging van een gezamenlijke woning de ene partner meer heeft ingebracht dan de ander, volgens de initiatiefnemers bij een huwelijk in gemeenschap van goederen op grond van art. 1:94 lid 7 BW gaat behoren tot de huwelijksgemeenschap. Uit de passage blijkt echter niet dat de initiatiefnemers zich ervan bewust waren dat hierdoor in deze – waarschijnlijk veel voorkomende19.– gevallen een vermogensverschuiving zou optreden ten nadele van de echtgenoot die meer had ingebracht. Deze passage geeft dan ook geen grond om te oordelen dat de wetgever heeft gewild dat aan de strekking van een vergoedingsplicht wegens meerinbreng afbreuk zou worden gedaan door deze onderdeel te laten zijn van de huwelijksgemeenschap. Opmerking verdient nog dat de door de initiatiefnemers genoemde omstandigheid dat de schuld van de ene echtgenoot is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijk goed, niet noopt tot de conclusie dat het een schuld betreffende dat goed is en op grond van art. 1:94 lid 7 BW in de gemeenschap valt (zie hiervoor in 3.2.10).
3.2.13
De slotsom uit het voorgaande is dat indien een goed de echtgenoten reeds vóór het huwelijk gezamenlijk toebehoorde en de ene echtgenoot eveneens reeds vóór het huwelijk een vordering op de andere heeft verkregen in verband met een vermogensverschuiving bij de verkrijging van dat goed of de aflossing van een in verband met dat goed aangegane schuld, de met die vordering corresponderende schuld niet op grond van art. 1:94 lid 7 BW in de huwelijksgemeenschap valt.
Beoordeling van de klachten
3.3
Onderdeel 1 slaagt niet. Het oordeel van het hof dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen, is juist. Een schuld van de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot die is ontstaan doordat laatstbedoelde echtgenoot de gehele koopsom heeft voldaan van een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen woning, behoort niet tot de in art. 1:94 lid 7 BW bedoelde schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. De tekst van art. 1:94 lid 7 BW en de wetsgeschiedenis ervan dwingen niet tot een ander oordeel (zie hiervoor in 3.2.10-3.2.12). Een ander oordeel, waarbij de schuld mede voor rekening van de andere echtgenoot komt, zou bovendien afbreuk doen aan de strekking van de verplichting om de vermogensverschuiving tussen de privévermogens van de echtgenoten ongedaan te maken (zie hiervoor in 3.2.9).
Gelet op het falen van de rechtsklachten over het oordeel van het hof, heeft de vrouw bij klachten over de motivering ervan geen belang.
3.4
Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de stelling van de vrouw dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft omdat zij de koopsom van € 31.627,50 voor het stuk grond bij de woning (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)) volledig heeft betaald.
3.5
Onderdeel 3 slaagt op de gronden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.23-3.26.20.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Het middel heeft betrekking op de vordering van de vrouw op de man van € 32.501,81, die is ontstaan doordat de vrouw vóór het huwelijk € 65.003,61 heeft afgelost op de gezamenlijke lening die partijen waren aangegaan ter financiering van de verbouwing van het huis. Het middel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat de schuld van de man aan de vrouw van € 32.501,81 op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten het bereik van de beperkte gemeenschap dient te blijven.
4.2
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.5 is overwogen, volgt dat een (nog niet afgeloste) schuld uit een lening die is aangegaan voor de verbouwing van een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen woning, behoort tot de schulden in de zin van art. 1:94 lid 7 BW. Als een echtgenoot een zodanige gezamenlijke schuld echter voor een groter deel heeft afgelost dan de andere echtgenoot en daardoor recht heeft op vergoeding door de andere echtgenoot, dan valt de daarmee corresponderende schuld niet in de gemeenschap (zie hiervoor in 3.2.13). Het hof is ten aanzien van de schuld van de man, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. Nu dit oordeel juist is, kan de daartegen gerichte klacht niet slagen.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑03‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1409.
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, 177.
Vgl. ook Kamerstukken I 2016/17, 33987, G, p. 10-11.
HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, rov. 3.5.2-3.5.3.
HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, 3.5.3, 3.5.6; HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:773, rov. 3.2.3; HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, rov. 3.1.6.
Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 33987, nr. 11, p. 3.
Vgl. HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, rov. 3.1.2.
Handelingen II 2015/16, nr. 56, item 11, p. 21, en Handelingen II 2015/16, nr. 77, item 13.
Vgl. Kamerstukken I 2016/17, 33987, C, p. 3.
Met dien verstande dat in onderdeel 3.24 in plaats van ‘grief IV’ moet worden gelezen: grief VI.
Conclusie 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht; gemeenschapsschuld (art. 1:94 lid 7 BW). Valt een schuld uit hoofde van meerinbreng voor de financiering van een voorhuwelijkse woning in de huwelijksgemeenschap?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02046
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw],
verzoekster tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw
tegen
[de man],
verweerder in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man
1. Inleiding
1.1
Deze zaak betreft de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van voormalige echtgenoten, waarop de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing is.1.In de voorhuwelijkse periode hebben partijen gezamenlijk een woning gekocht, die volledig uit het privévermogen van de man is gefinancierd. In cassatie rijst allereerst de vraag of art. 6:10 lid 2 BW als grondslag kan dienen voor een vergoedingsrecht van de man uit hoofde van deze voorhuwelijkse financiering. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag, komt vervolgens de vraag aan bod of de voorhuwelijkse schuld van de vrouw in verband met deze financiering moet worden aangemerkt als een gemeenschapsschuld in de zin van art. 1:94 lid 7 BW.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.2.
2.2
Partijen hebben op 9 juni 2017 ieder voor de helft de eigendom verkregen van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] (hierna: de woning). Op 1 december 2017 hebben partijen een stuk grond gekocht dat naast het perceel van de woning ligt. Zij hebben dit stuk grond bij de tuin van de woning getrokken.
2.3
Partijen zijn op 26 november 2018 in [plaats] gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
2.4
Het huwelijk van partijen is op 24 januari 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 oktober 2022 in de registers van de burgerlijke stand.
2.5
Het relevante procesverloop ziet er, kort gezegd, als volgt uit.3.
2.6
Naar aanleiding van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 6 april 2021, en de verzoeken van partijen met betrekking tot de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime, heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht bij beschikking van 12 oktober 2022 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts:
- de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap gelast en daarbij bepaald dat de woning wordt verkocht, dat met de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening en de verkoopkosten worden voldaan, waarna ieder van partijen voor de helft gerechtigd is tot de resterende overwaarde, rekening houdend met de aan hen toekomende vergoedingsrechten;
- de beslissing ten aanzien van het door de man gestelde vergoedingsrecht samenhangend met zijn voorhuwelijkse investeringen in de woning aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.7
Bij eindbeschikking van 26 januari 2023 heeft de rechtbank beslist dat de man een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 191.826,70, en voorts de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar aanvullende verzoeken onder II t/m IV en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.8
Naar aanleiding van het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen de eindbeschikking van 26 januari 2023 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem bij beschikking van 27 februari 2024:
- de vrouw niet-ontvankelijk verklaard voor zover het hoger beroep strekt tot toedeling van de woning aan haar;
- de eindbeschikking vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende bepaald dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 32.501,81;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
2.9
De vrouw is (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking); de man heeft een verweerschrift ingediend. Op zijn beurt heeft de man incidenteel cassatieberoep ingesteld; de vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het principale cassatieberoep
3.1
Het cassatiemiddel in het principale beroep van de vrouw bestaat uit vier onderdelen. Ik zie aanleiding om onderdeel 2 eerst te behandelen, aangezien dit onderdeel – indien het slaagt – het meest vergaande gevolg heeft.
3.2
Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 5.10, voor zover het hof daarin als volgt heeft geoordeeld:
‘5.10 De man heeft vóór het huwelijk de gehele koopsom van de gezamenlijke woning betaald. Dat was een hoofdelijke schuld van ieder van hen. De vrouw is op grond van artikel 6:10 BW gehouden bij te dragen voor het gedeelte dat haar aangaat: de helft. Op het moment van levering van de woning en betaling van de koopsom kreeg de man een vordering op de vrouw voor een bedrag van de helft van € 383.769,50, dat is € 191.826,70. (…)’.
3.3
Het middel klaagt dat dit oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het middel zet dit als volgt uiteen. De eenvoudige gemeenschap betreffende de woning biedt geen grondslag voor een vergoedingsrecht bij ongelijke financiering. Die grondslag kan evenmin worden gevonden in art. 6:10 BW, omdat een regresvordering van de ene partner jegens de andere partner nog geen vergoedingsrecht doet ontstaan tussen ongehuwd samenwonenden. Voor het ontstaan van vergoedingsrechten na het huwelijk in verband met privé-investeringen die zijn gedaan voor het huwelijk, zijn huwelijkse voorwaarden vereist. Uit het ontbreken van huwelijkse voorwaarden vloeit voort dat partijen (stilzwijgend) hebben afgesproken dat voor vergoedingsrechten in verband met de woning geen plaats is.
3.4
In cassatie staat vast dat partijen de woning voor het huwelijk gezamenlijk in eigendom hebben verkregen en dat de man de volledige koopprijs heeft voldaan. Tussen partijen is hierdoor een eenvoudige gemeenschap van woning ontstaan zoals bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW. Bij gebreke van andersluidende afspraken hebben partijen ieder een gelijk aandeel in die gemeenschap, zo volgt uit art. 3:166 lid 2 BW. Hieraan doet niet af dat de woning volledig is gefinancierd met privévermogen van de man.4.Of de man in verband met deze financiering een vergoedingsrecht geldend kan maken jegens de vrouw, moet worden beoordeeld aan de hand van het algemene verbintenissenrecht. In dit verband dient allereerst te worden nagegaan of partijen over de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving, in het bijzonder ten aanzien van de woning, uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken hebben gemaakt.5.In dit geval staat vast dat partijen geen samenlevingsovereenkomst hebben gesloten of anderszins uitdrukkelijke afspraken hebben gemaakt over vergoedingsrechten ter zake van de woning.
3.5
Het middel voert aan dat uit het ontbreken van huwelijkse voorwaarden de (stilzwijgende) afspraak volgt dat voor vergoedingsrechten ter zake van de woning geen plaats is. Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Ik zie niet in hoe uit het ontbreken van huwelijkse voorwaarden de (stilzwijgende) afspraak zou kunnen volgen dat vergoedingsrechten ter zake van de woning zijn uitgesloten. Het middel legt dit verder ook niet uit. Het ontbreken van huwelijkse voorwaarden is hooguit relevant om te kunnen toekomen aan de vraag of partijen tijdens hun samenleving stilzwijgend van bepaalde afspraken zijn uitgegaan. In dit verband verwijst het middel6.naar het betoog van de vrouw in hoger beroep dat, kort gezegd, beide partijen naar vermogen hebben bijgedragen aan de woning met de (ongeschreven) afspraak dat in geval van scheiding op redelijke wijze gezocht zou worden naar een goede oplossing voor beide partijen, en dat partijen niets hebben vastgelegd over de vergoeding van privé-investeringen in de woning, hetgeen hun intentie weerspiegelt om de woning als gezamenlijk goed te beschouwen.7.Voor zover het middel zou willen betogen dat in deze stellingen van de vrouw besloten ligt het standpunt dat partijen stilzwijgend hebben afgesproken dat investeringen uit het privévermogen van partijen ter verkrijging van de woning geen vergoedingsrechten opleveren, faalt dit betoog. In het oordeel van het hof in rov. 5.10 dat de vrouw op grond van art. 6:10 BW gehouden is voor de helft bij te dragen aan de koopsom van de woning, ligt besloten dat het hof uit voormelde stellingen van de vrouw geen stilzwijgende afspraak als hiervoor bedoeld heeft kunnen afleiden. Deze uitleg van de stellingen van de vrouw is niet onbegrijpelijk.
3.6
Bij het ontbreken van (uitdrukkelijke of stilzwijgende) afspraken over vergoedingsrechten ter zake van de woning kan de grondslag voor een vergoedingsrecht eventueel worden gevonden in het algemene vermogensrecht, waaronder het verbintenissenrecht. In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn in dit verband als mogelijke grondslagen genoemd: art. 6:203 BW (onverschuldigde betaling), art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) of art. 6:1 lid 2 BW (redelijkheid en billijkheid).8.Maar ook art. 6:10 lid 2 BW (regresrecht tussen hoofdelijke schuldenaren) kan dienen als grondslag voor een vergoedingsrecht ter zake van de woning.9.
3.7
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in de eindbeschikking van 26 januari 2023 de grondslag voor het vergoedingsrecht van de man ter zake van de financiering van de woning gevonden in art. 6:10 lid 2 BW:
‘3.4 (…) Partijen hebben de woning gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, gekocht. Zij hebben over de koop geen afspraken gemaakt. Partijen waren ten opzichte van de verkoper van de woning hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de voor de verkrijging van de woning verschuldigde koopsom en kosten (van € 383.769,59 (…)), waarbij zij op grond van artikel 6:10 lid 1 BW in hun onderlinge verhouding ieder verplicht zijn om voor het deel dat hen aangaat, de helft, in de schuld en de kosten bij te dragen.
De koopsom en de kosten van de verkrijging van de woning zijn geheel, althans voor een bedrag van € 383.711,50 betaald uit privévermogen van de man. Dit staat tussen partijen niet (meer) ter discussie. De man heeft daardoor ten tijde van de verkrijging van de woning (€ 383.711,50 - (€ 383.769,59 / 2)=) € 191.826,70 meer voldaan dan waartoe hij gehouden was. Dat betekent dat hij op grond van artikel 6:10 lid 2 BW een regresvordering op de vrouw heeft van dat bedrag. (…).’
3.8
In hoger beroep heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgronden heeft aangevuld door art. 6:10 lid 2 BW als grondslag te nemen voor het vergoedingsrecht van de man.10.De vrouw heeft niet betwist dat partijen ten opzichte van de koper van de woning hoofdelijk aansprakelijk waren voor de voldoening van de koopsom, dat deze schuld hen ieder voor de helft aanging en dat de koopsom volledig uit het privévermogen van de man is betaald.
3.9
Het hof heeft overwogen dat de man voor het huwelijk de volledige koopsom van de woning van in totaal € 383.769,50 uit zijn privévermogen heeft betaald, dat dit een hoofdelijke schuld van ieder van partijen was, zodat de vrouw op grond van art. 6:10 BW gehouden was bij te dragen voor het gedeelte dat haar aanging, zijnde de helft. Volgens het hof volgt hieruit dat de man op het moment van levering van de woning en betaling van de volledige koopsom een vordering kreeg op de vrouw van de helft van de koopsom, zijnde een bedrag van € 191.826,70 (rov. 5.9 en 5.10).11.Dit oordeel van het hof is rechtens juist en ook begrijpelijk, nu het middel tevergeefs bestrijdt dat art. 6:10 lid 2 BW als grondslag kan dienen voor het vergoedingsrecht van de man en het middel geen klacht bevat tegen ’s hofs oordeel dat is voldaan aan de bestanddelen van art. 6:10 lid 2 BW om een regresvordering van de man op de vrouw te kunnen aannemen. Onderdeel 2 faalt mitsdien.
3.10
Onderdeel 1 richt zich met verschillende klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.11 en 5.12 dat de schuld van de vrouw aan de man van € 191.826,70 uit hoofde van de voorhuwelijkse financiering van de man voor de verkrijging van de woning, niet in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen. Voor een goed begrip geef ik de relevante overwegingen weer:
‘5.10 (…) Die vordering van de man [van € 191.826,70; A-G] is niet in de gemeenschap gevallen omdat het voorhuwelijks privévermogen van de man betreft. Partijen verschillen van mening of de schuld van de vrouw aan de man ook buiten de gemeenschap is gebleven. De man stelt dat dit het geval is, de vrouw stelt daarentegen dat haar schuld aan de man een schuld is betreffende een goed dat voor het sluiten van het huwelijk al gemeenschappelijk was en dat die schuld daarom op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de gemeenschap is gaan behoren.
5.11
Het hof is van oordeel dat de schuld van de vrouw van € 191.826,70 niet in de gemeenschap is gevallen en zal hierna uitleggen waarom. Voor het standpunt van de vrouw spreekt de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken I 2016/17 33987 C pagina 4) waarin de initiatiefnemers tot de wet erop wijzen dat de vordering die een van de echtgenoten op de andere heeft omdat hij bij de verkrijging vóór het huwelijk van een op beider naam verkregen woning meer heeft ingebracht dan de andere echtgenoot, een goed is dat dat tot het voorhuwelijks vermogen behoort en dus niet in de gemeenschap valt. De schuld daarentegen is aan de zijde van de andere echtgenoot te kwalificeren als een schuld die is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke goed, en dus een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed die in de gemeenschap valt als bedoeld in artikel 1:94 lid 7 BW. Dit standpunt van de initiatiefnemers komt het hof echter niet juist voor.
5.12
De gegeven toelichting laat zich namelijk niet goed rijmen met andere opmerkingen uit de wetstoelichting. Zo vermeldt de parlementaire geschiedenis in Kamerstukken II 2015/16, 33987, 16, p. 2 en 3 dat het bij schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen concreet gaat om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap. De onderlinge schuld is echter geen schuld die ten behoeve van de gemeenschap, en dus ten behoeve van beide deelgenoten is aangegaan, maar juist ten behoeve van één van hen. In de literatuur wordt eveneens bepleit dat de schuld aan de deelgenoot die meer heeft ingebracht niet kwalificeert als een schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:94 lid 7 BW en daarom, net zoals de vordering van de deelgenoot die meer heeft ingebracht, niet tot de gemeenschap behoort. Het hof sluit zich bij die opvatting aan. Dit betekent dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen.’
3.11
Het middel betoogt dat het hof met zijn oordeel dat de schuld van de vrouw van € 191.826,70 aan de man niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Het middel zet dit, in de kern, als volgt uiteen. De schuld van de vrouw aan de man vloeit voort uit de volledige financiering door de man uit zijn privévermogen van de koop van de woning die partijen voor het huwelijk gezamenlijk in eigendom hebben verkregen. Deze voorhuwelijkse schuld van de vrouw houdt verband met de voorhuwelijkse koop van een gemeenschappelijk goed. Deze voorhuwelijkse schuld van de vrouw is aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap van woning. Na het huwelijk van partijen valt deze onderlinge schuld in de huwelijksgemeenschap, tenzij bij huwelijkse voorwaarden andersluidende afspraken zijn gemaakt. Het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van art. 1:94 lid 7 BW vindt geen steun in de wettekst, evenmin in de parlementaire geschiedenis.
3.12
Ik stel het volgende voorop. Gelet op de huwelijksdatum van partijen, 26 november 2018, wordt hun huwelijksvermogensregime bestreken door de Wet beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen die op 1 januari 2018 van kracht is geworden.12.Deze wet is tot stand gekomen op basis van een initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Swinkels, Recourt en Van Oosten (hierna: de initiatiefnemers).13.Met deze wet is de voordien geldende algehele gemeenschap van goederen in art. 1:94 BW als basisstelsel vervangen door een beperkte gemeenschap van goederen. Met ingang van 1 januari 2018 luidt art. 1:94 BW, voor zover van belang, als volgt:
‘1. Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van (…).
(…)
7. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden (…).(…).’
3.13
In het oorspronkelijke wetsvoorstel waren alle voorhuwelijkse goederen en schulden uitgezonderd van de beperkte huwelijksgemeenschap, vanuit de gedachte dat tot de gemeenschap alleen behoort hetgeen tijdens het huwelijk is verworven en de schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan.14.Tijdens het wetgevingstraject is hierin verandering gekomen. Bij nota van wijziging is aan art. 1:94 lid 2 BW toegevoegd dat goederen die reeds voor het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden in de huwelijksgemeenschap vallen. Met het oog op de eenvoud van het nieuwe basisstelsel valt de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap na het huwelijk in de beperkte huwelijksgemeenschap.15.Bij tweede nota van wijziging is aan art. 1:94 lid 7 BW toegevoegd dat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, ook omvat de gemeenschappelijke schulden van de echtgenoten die voor het huwelijk zijn ontstaan en schulden betreffende goederen die voor het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden.16.Deze uitbreiding van de omvang van gemeenschapsschulden is door de initiatiefnemers als volgt toegelicht:
‘Weliswaar vloeit uit het nieuwe systeem voort dat schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen eveneens in de gemeenschap vallen, maar het is beter dit expliciet te bepalen, zodat daarover geen misverstand bestaat. Het gaat dan concreet om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van een eenvoudige gemeenschap, zoals bijvoorbeeld de hypothecaire schuld die werd aangegaan ter financiering van de gezamenlijke woning. Eenvoudige gemeenschappen vallen in de huwelijksgemeenschap op grond van de aanhef van artikel 94, tweede lid, zoals gewijzigd bij de eerste nota van wijziging (Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 11, p. 1). Schulden betreffende die goederen worden op grond van de nieuwe formulering van de aanhef van artikel 94, zevende lid, als gemeenschapsschulden aangemerkt. Het is verder consistent om als alle voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen in de gemeenschap vallen, ook alle voorhuwelijkse gemeenschappelijke schulden in de gemeenschap te laten vallen, dus als gemeenschapsschulden aan te merken, ook al zijn zij niet aangegaan ten behoeve van een gemeenschappelijk goed. Zulks is ook in de nieuwe formulering van de aanhef van het zevende lid van artikel 94 tot uitdrukking gebracht.’17.
Zie ook de volgende toelichting:
‘De leden van de D66-fractie vroegen om nog eens nader toe te lichten in welke gevallen een voorhuwelijkse schuld niet wordt aangemerkt als een gemeenschapsschuld (en dus als privéschuld).
De initiatiefnemers verduidelijken dit graag. Voor het bepalen of een schuld wel of niet in de gemeenschap valt, is het voorgestelde artikel 94, zevende lid, van toepassing. De enige voorhuwelijkse schulden die in de gemeenschap vallen, zijn: (i) gemeenschappelijke schulden die door de echtgenoten gezamenlijk zijn aangegaan los van de verkrijging van goederen op beider naam, en (ii) schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. In die tweede categorie gaat het bijvoorbeeld om de vóór het huwelijk aangegane gezamenlijke lening om de verkrijging van de gezamenlijke woning te bekostigen, maar ook de schuld die door één van de echtgenoten is aangegaan om de kosten van bijvoorbeeld het schilderwerk te betalen. Wat niet als gemeenschapsschuld wordt aangemerkt zijn bijvoorbeeld vóór het huwelijk gemaakte gokschulden of een studieschuld die opgebouwd is vóór het huwelijk.’18.
3.14
Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer hebben de initiatiefnemers aandacht besteed aan de situatie dat de ene partner een schuld heeft aan de andere partner in verband met een ongelijke financiering van de voorhuwelijkse koop van een gemeenschappelijke woning:
‘In dit verband dient nog te worden gewezen op de problematiek die ontstaat indien een echtgenoot ter zake van een vóór het huwelijk op beider naam verkregen woning bij de verkrijging meer heeft ingebracht dan de andere echtgenoot. Naar huidig recht, mede in aanmerking nemend het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378 met annotatie van L.C.A. Verstappen, ontstaat een vergoedingsrecht van die echtgenoot op de andere echtgenoot. Als zij vervolgens in beperkte gemeenschap van goederen trouwen, zal de mede-eigendom volgens het wetsvoorstel in de gemeenschap vallen, evenals de eventueel ter financiering van het goed aangegane hypothecaire schuld een gemeenschapsschuld zal worden. Rest nog de vraag hoe om te gaan met voormelde vordering.
De vordering is een goed dat tot het voorhuwelijks vermogen behoort en dus niet in de gemeenschap valt. De schuld daarentegen is aan de zijde van de andere echtgenoot te kwalificeren als een schuld die is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke goed, en dus een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed die in de gemeenschap valt als bedoeld in artikel 94 lid 7.’19.
3.15
De in onderdeel 1 van het middel aan de orde gestelde vraag is, kort gezegd, of een schuld van de ene partner aan de andere partner die voor het huwelijk is ontstaan als gevolg van meerinbreng van die andere partner in verband met de koop van een gemeenschappelijk goed voor het huwelijk, na het huwelijk moet worden aangemerkt als een schuld die ten laste komt van de gemeenschap en daarmee van beide echtgenoten of als een privéschuld die buiten de gemeenschap valt en uitsluitend ten laste komt van de eerstgenoemde partner. In de onderhavige zaak staat vast dat partijen de woning voor het huwelijk in gemeenschappelijke eigendom hebben verkregen en dat de man de koopsom van de woning volledig heeft gefinancierd uit zijn privévermogen. Uit de bespreking van onderdeel 2 van het middel is gebleken dat de vrouw in verband met deze financiering op grond van art. 6:10 lid 2 BW een schuld van € 191.826,70 heeft aan de man. Tussen partijen is in geschil of deze voorhuwelijkse schuld van de vrouw een schuld is die op grond van art. 1:94 lid 7 BW tot de gemeenschap behoort.
3.16
Hiermee rijst de vraag naar de uitleg van art. 1:94 lid 7 BW, in het bijzonder wat moet worden verstaan onder ‘alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden’. Valt de voorhuwelijkse schuld van de vrouw uit hoofde van meerinbreng van de man voor de financiering van de woning hieronder? Met het middel meen ik dat deze vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord. Ik leg dat als volgt uit. Allereerst pleit een taalkundige uitleg van het wetsartikel voor deze opvatting. De voorhuwelijkse schuld van de vrouw uit hoofde van meerinbreng van de man voor de financiering van de woning voldoet aan de definitie van gemeenschapsschuld in de zin van art. 1:94 lid 7 BW: de schuld heeft betrekking op een goed die voor het huwelijk aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehoorde. Maar ook de uitdrukkelijke bedoeling van de initiatiefnemers van het wetsvoorstel wijst in deze richting. In de parlementaire geschiedenis hebben de initiatiefnemers duidelijk gemaakt dat zowel een hypothecaire schuld aan derden als een onderlinge schuld van de ene partner/echtgenoot aan de andere partner/echtgenoot in verband met de verkrijging van een gemeenschappelijk goed voor het huwelijk, een gemeenschapsschuld is in de zin van art. 1:94 lid 7 BW. Dit is in lijn met de door de initiatiefnemers voorgestane systematiek van het basisstelsel, waarbij de echtgenoten als gevolg van boedelmenging bij het huwelijk goederenrechtelijk gelijk gerechtigd zijn tot voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen, ook als voor het huwelijk sprake was van ongelijke gerechtigheid ten aanzien van deze goederen.20.
3.17
In de literatuur heeft de kwalificatie van de voorhuwelijkse schuld uit hoofde van meerinbreng van een van de partners veel aandacht gekregen. Daarbij is gewezen op de onwenselijke uitkomst van het aanmerken van deze schuld als gemeenschapsschuld in de zin van art. 1:94 lid 7 BW. Wanneer een voorhuwelijkse schuld in verband met meerinbreng wordt gerekend tot de gemeenschapsschulden, is het gevolg hiervan dat de vorderingsgerechtigde echtgenoot voor de helft draagplichtig wordt voor die schuld (art. 1:100 lid 2 BW). Dit wordt als onwenselijk gezien, omdat deze echtgenoot economisch gezien de schuld voor de helft zelf betaalt: zijn vordering uit hoofde van meerinbreng halveert daarmee. In de literatuur wordt dan ook wel bepleit om deze schuld niet als gemeenschapsschuld aan te merken maar als eigen schuld.21.Een van de argumenten die hiervoor wordt aangevoerd, zo ook in rov. 5.12 van de bestreden beschikking, is dat de voorhuwelijkse schuld uit hoofde van meerinbreng niet zou zijn aangegaan ter verwerving van een gemeenschappelijk goed maar van het aandeel van, in dit geval, de vrouw in het goed. Dit argument overtuigt mij niet. In art. 1:94 lid 7 BW lees ik niet de beperking dat een schuld slechts als gemeenschapsschuld kan worden aangemerkt wanneer deze ten behoeve van de gemeenschap is aangegaan. Het gaat om ‘alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden’.22.
3.18
Naast de bestreden uitspraak in de voorliggende zaak zijn in de feitenrechtspraak meerdere uitspraken te vinden waarin de onderhavige problematiek aan de orde is gekomen. In deze uitspraken komt terug dat de uitkomst van de toepassing van art. 1:94 lid 7 BW op de door de initiatiefnemers voorgestane wijze ten aanzien van een onderlinge schuld uit de voorhuwelijkse periode met betrekking tot een gemeenschappelijk goed, onwenselijk is. Op deels verschillende gronden wordt in deze uitspraken tot dezelfde conclusie gekomen, namelijk dat de voorhuwelijkse schuld uit hoofde van meerinbreng ten behoeve van een gemeenschappelijk goed niet in de huwelijksgemeenschap valt.23.
3.19
Ik kan mij de aangevoerde bezwaren tegen de halvering van de vordering uit hoofde van meerinbreng voorstellen, te meer omdat de uitkomst van art. 1:94 lid 7 BW in gevallen zoals de onderhavige onredelijk uitpakt voor, in dit geval, de man. Hij zal er niet bedacht op zijn geweest dat zijn vordering uit hoofde van meerinbreng op de vrouw halveert als gevolg van het huwelijk, net zo min als de vrouw zelf. Dit is echter het resultaat van de keuze die de wetgever in het kader van art. 1:94 lid 7 BW heeft gemaakt. Een andere keuze van de wetgever was ook denkbaar geweest, waarbij de voorhuwelijkse schuld uit hoofde van meerinbreng voor de financiering van gemeenschappelijke goederen buiten het bereik van art. 1:94 lid 7 BW zou worden gelaten. Die keuze heeft de wetgever echter niet gemaakt. Bij deze stand van zaken komt het mij voor dat op grond van een extensieve interpretatie niet kan worden voorbijgegaan aan wat de wetgever met art. 1:94 lid 7 BW voor ogen heeft gehad.24.
3.20
Zijn er dan helemaal geen mogelijkheden om te ontkomen aan het als onwenselijk geziene resultaat van het aanmerken van de voorhuwelijkse schuld uit hoofde van meerinbreng als gemeenschapsschuld in de zin van art. 1:94 lid 7 BW? In de literatuur worden verschillende mogelijkheden genoemd.25.(i) Wanneer deze schuld wordt aangemerkt als een schuld die op enigerlei wijze is verknocht aan (vertaald naar de onderhavige zaak) de vrouw, valt de schuld buiten de huwelijksgemeenschap (art. 1:94 lid 5 BW). (ii) De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat deze schuld buiten de huwelijksgemeenschap valt. (iii) De redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schuld, kunnen meebrengen dat wordt afgeweken van de draagplicht bij helfte van de echtgenoten voor deze schuld (art. 1:100 lid 2 BW). (iv) Bij huwelijkse voorwaarden (en mogelijk bij notariële samenlevingsovereenkomst)26.kan worden afgesproken dat deze schuld een privéschuld blijft en niet in de huwelijksgemeenschap valt.27.(v) Ten slotte wordt ook wel voorgesteld om de wet te wijzigen zodat geen halvering van de vordering uit hoofde van meerinbreng zal kunnen optreden.
3.21
Ik keer terug naar het middel. Gelet op het voorgaande slaagt onderdeel 1, voor zover daarin wordt betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 5.11 en 5.12 te oordelen dat de voorhuwelijkse schuld van de vrouw aan de man van € 191.826,70 uit hoofde van financiering van de woning niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Deze voorhuwelijkse schuld van de vrouw geldt immers als een schuld die op grond van art. 1:94 lid 7 BW ten laste van de gemeenschap komt.
3.22
In onderdeel 3 wordt betoogd dat het hof in rov. 5.13 e.v. ten onrechte onbesproken heeft gelaten de stelling van de vrouw dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man voor een bedrag van € 31.627,50 uit hoofde van de voorhuwelijkse financiering van de koop van het stuk grond bij de woning (hierna: de grond) uit het privévermogen van de vrouw. Voor zover het hof in deze stelling van de vrouw geen grief heeft gelezen, heeft het hof volgens het middel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof in rov. 5.15 wel acht zou hebben geslagen op deze stelling van de vrouw, is dat oordeel volgens het middel onvoldoende gemotiveerd. Ik meen dat deze klacht terecht is voorgesteld en leg dat als volgt uit.
3.23
De vrouw heeft in hoger beroep aanspraak gemaakt op een vergoedingsrecht jegens de man voor een bedrag van (de helft van in totaal € 155.768,20 =) € 77.884,10 in verband met voorhuwelijkse investeringen die zij heeft gedaan uit haar privévermogen.28.De vrouw heeft uiteengezet met welke bedragen zij uit haar privévermogen zou hebben bijgedragen aan de verbouwing/renovatie van de woning. Voorts heeft de vrouw (onder verwijzing naar bijlage 48 uit de eerste aanleg) gesteld dat zij uit haar privévermogen € 31.627,50 heeft geïnvesteerd in de voorhuwelijkse koop van de grond die partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben.29.Kortom: aan haar vordering in verband met de voorhuwelijkse investeringen uit haar privévermogen heeft de vrouw mede ten grondslag gelegd de betaling die zij stelt te hebben gedaan voor de koop van de grond. De man heeft deze vordering als zodanig opgevat en zich daartegen verweerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de koop van de grond niet is gefinancierd uit het privévermogen van de vrouw.30.In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 23 november 2023 kan een aanwijzing worden gevonden dat ook het hof de vordering van de vrouw in voormelde zin heeft opgevat (zie p. 5: ‘De voorzitter doet een resumé: € 30.000 aan de man overgemaakt, € 111.896 betaald, nog grond/tuin bijgekocht via de notaris. De factuur van circa € 32.000 door de vrouw betaald.’).
3.24
Onder de feiten in rov. 3.4 vermeldt het hof dat partijen op 1 december 2017 een stuk grond hebben gekocht dat naast het perceel van hun woning ligt. Onder de omvang van het geschil in rov. 4.1 vermeldt het hof dat de vrouw aanspraak maakt op onder andere een vergoedingsrecht van € 77.884,10 in verband met voorhuwelijkse investeringen die zij heeft gedaan uit haar privévermogen. Bij de bespreking van de hierop betrekking hebbende grieven van de vrouw in rov. 5.13 e.v. heeft het hof de vordering van de vrouw beperkt tot de investeringen in verband met de verbouwing van de woning. Dat blijkt uit rov. 5.13, waarin het hof het standpunt van de vrouw weergeeft (‘De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan haar geen vergoedingsrecht toekomt voor de door haar gestelde voorhuwelijkse investeringen in de verbouwing/renovatie van de woning (grief IV).’), alsmede uit de beoordeling van dit standpunt in rov. 5.14 (‘Voor zover de inbreng van de ene deelgenoot bij de financiering van de verbouwing groter is geweest dan de inbreng van de ander is een vordering ontstaan van de deelgenoot die meer heeft bijgedragen dan de helft van dit bedrag.’) en in rov. 5.15 (‘Het hof is van oordeel dat (…) aangenomen moet worden dat zij ieder voor de helft hebben bijgedragen aan de verbouwing, deels met gezamenlijk geleend geld en deels met eigen geld.’).
3.25
Dat het hof bij de beoordeling van de vordering van de vrouw geen acht heeft geslagen op de door de vrouw gestelde investering uit haar privévermogen voor de koop van de grond, wordt bevestigd in de volgende overwegingen van het hof in rov. 5.14:
‘(…) Voor zover de inbreng van de ene deelgenoot bij de financiering van de verbouwing groter is geweest dan de inbreng van de ander is een vordering ontstaan van de deelgenoot die meer heeft bijgedragen dan de helft van dit bedrag. Aangezien deze vordering dan is ontstaan voorafgaand aan het huwelijk, betreft dit ook een vordering die tot het privévermogen behoort van de echtgenoot die meer heeft bijgedragen. De schuld van de andere echtgenoot die daar tegenover staat, merkt het hof aan als een schuld die is aangegaan ten behoeve van een gemeenschappelijk goed. Dit is dus een andere situatie dan die waarin het gaat om de financiering voor de verwerving van een aandeel in een gemeenschappelijk goed van één [van, A-G] de deelgenoten waaraan de andere deelgenoot heeft bijgedragen (zie hiervóór onder 5.12).’
3.26
Het hof maakt in rov. 5.14 een onderscheid tussen de voorhuwelijkse financiering van enerzijds de verbouwing van een gemeenschappelijk goed en anderzijds de verwerving van een aandeel in een gemeenschappelijk goed. Volgens het hof is dat laatste niet aan de orde voor wat betreft de in rov. 5.13 e.v. beoordeelde vordering van de vrouw. Naar mijn mening heeft het hof hiermee de vordering van de vrouw hetzij te beperkt opgevat, hetzij onbehandeld gelaten. In beide gevallen ten onrechte, omdat de vordering van de vrouw betrekking had op zowel de voorhuwelijkse investering in de verbouwing van de woning als de voorhuwelijkse financiering van de koop van de grond. Uit rov. 5.14, noch uit de hierop voortbouwende rov. 5.15 e.v. blijkt dat het hof de vordering van de vrouw uit hoofde van de door haar gestelde financiering van de voorhuwelijkse koop van de grond uit privémiddelen heeft beoordeeld. Onderdeel 3 is derhalve terecht voorgesteld.
3.27
Onderdeel 4 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.15 dat geen van partijen heeft aangetoond met welk bedrag ieder van hen heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning, zodat moet worden aangenomen dat zij ieder voor de helft hebben bijgedragen aan de verbouwing, deels met gezamenlijk geleend geld en deels met eigen geld. Het middel voert, kort gezegd, het volgende aan. Het hof heeft miskend dat de man in eerste aanleg heeft erkend dat de vrouw voor ongeveer € 115.000,- uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning. Het hof is ten onrechte voorbijgegaan aan het beroep van de vrouw op een gerechtelijke erkentenis (art. 154 lid 1 Rv) van de man ter zake van voormelde investering van ongeveer € 115.000,-.31.Verder is het oordeel van het hof in rov. 5.15 onbegrijpelijk, omdat uit de eigen stellingen van de man volgt dat de vrouw meer dan de man heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning.
3.28
Het middel baseert het standpunt over de gerechtelijke erkentenis op een brief van de man van 8 februari 2022 en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg.
3.29
Bij brief van 8 februari 2022 heeft de man zijn verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap geconcretiseerd. Ten aanzien van de investeringen in de woning heeft de man het volgende opgemerkt:
‘26. De man heeft een bedrag van € 470.815,18 geïnvesteerd in de woning voor het huwelijk, bestaande uit de aankoop, overboekingen naar de vrouw voor renovatie, eigen uitgaven voor renovatie en contant betaalde renovatiekosten, zoals blijkt uit bijgevoegd overzicht met verificatoire bescheiden (…).(…)
28. De vrouw heeft ongeveer € 115.000 in de woning geïnvesteerd voor de renovatie.
(…)
30. (…) De man meent dan ook dat hij recht heeft op verrekening c.q. een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap en/of de vrouw.’
3.30
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 7 september 2022 vermeldt, voor zover van belang, het volgende:32.
‘Rechter: De moeder zegt dat zij 172.000 euro heeft geïnvesteerd en daarvan erkent de vader 115.000 euro. Dat laatste staat dus vast. En dat verschil? Wat is dat? Wanneer is dat geïnvesteerd?
(…)
‘Advocaat moeder: ik zit nu wel met een probleem. De moeder loopt het risico dat de vader zijn investeringen terug krijgt en zij niet. En ik heb geen zin in een hoger beroep. Ik wil een termijn van een week om mijn verzoeken aan te vullen. (…)
Rechter: wat u daarover heeft gezegd kan ook gezien worden als een verweer tegen de stellingen van de vader dat sprake is van een vergoedingsrecht, in plaats van het aan te merken als een eiswijziging. U wilt dat verder onderbouwen dus.
Advocaat moeder: gelet op mijn primaire standpunt heb ik al die stukken niet in het geding gebracht.
Advocaat vader: dat komt voor rekening en risico van de moeder. We hebben destijds voor het verweerschrift ook besproken dat de moeder een wijzigingsverzoek indient. Feit dat de vader bij zijn verweer 115.000 erkent, daarmee kan de rechtbank op weg.’
3.31
Volgens art. 154 lid 1 Rv, dat krachtens de schakelbepaling van art. 284 lid 1 Rv ook geldt in verzoekschriftprocedures, is voor een gerechtelijke erkentenis vereist dat een partij in een aanhangig geding de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij uitdrukkelijk erkent. In het algemeen geldt dat terughoudendheid past bij het aannemen van een gerechtelijke erkentenis, omdat de gevolgen verstrekkend zijn en het herroepen van een gerechtelijke erkentenis niet gemakkelijk is (art. 154 lid 2 Rv).33.
3.32
Gelet op de in deze in acht te nemen terughoudendheid, meen ik dat uit het hiervoor in 3.29 en 3.30 genoemde geen gerechtelijke erkentenis van de man kan worden afgeleid. Om te beginnen betwijfel ik of überhaupt sprake kan zijn van een gerechtelijke erkentenis, omdat de stelling over de financiering door de vrouw van ongeveer € 115.000,- afkomstig is van de man zelf. Aldus beschouwd betreft het geen uitdrukkelijke erkenning door de man van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij, zoals art. 154 lid 1 Rv vereist. Het betreft een door de man in eerste aanleg ingenomen stelling, waarvoor geldt dat hij daarvan in hoger beroep mocht terugkomen.34.In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de man betoogd waarom niet aannemelijk is dat de vrouw vanuit haar privévermogen € 172.817,53 in de woning heeft geïnvesteerd.35.
3.33
Maar ook overigens kan in voormelde stelling van de man geen gerechtelijke erkentenis worden gelezen. In de procedure in eerste aanleg was tussen partijen in geschil, voor zover van belang, welke investeringen door elk van hen is gedaan voor de verbouwing van de woning en voorts de herkomst van de middelen die voor deze investeringen zijn aangewend. In het licht van deze discussie tussen partijen houdt de stelling van de man dat de vrouw voor ongeveer € 115.000,- heeft bijgedragen aan de verbouwing van de woning, nog niet in dat hij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig36.heeft erkend dat deze bijdrage afkomstig was uit het privévermogen van de vrouw.
3.34
Hoewel de bestreden beschikking geen uitdrukkelijke motivering bevat met betrekking tot het beroep van de vrouw op art. 154 lid 1 Rv, kan uit rov. 5.15 worden afgeleid dat het hof, in overeenstemming met het voorgaande, het beroep van de vrouw op een gerechtelijke erkentenis kennelijk heeft afgewezen. In zoverre faalt de klacht.
3.35
Dat geldt ook voor de motiveringsklacht tegen rov. 5.15. In deze rechtsoverweging overweegt het hof dat uit de wijze waarop partijen hebben geprocedeerd moeilijk valt af te leiden welke investeringen in de verbouwing van de woning exact door wie van de deelgenoten is gedaan. Het hof heeft getracht om een en ander te destilleren uit de veelheid aan stellingen en ingebrachte stukken. Uiteindelijk is het hof tot de conclusie gekomen dat geen van partijen heeft aangetoond met welk bedrag ieder van hen heeft bijgedragen in de verbouwing, zodat aangenomen moet worden dat zij ieder voor de helft hebben bijgedragen aan de verbouwing van de woning, deels met gezamenlijk geleend geld en deels met eigen geld. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
3.36
De slotsom is dat de onderdelen 1 en 3 van het principale cassatieberoep slagen.
4. Bespreking van het incidentele cassatieberoep
4.1
Het incidentele cassatieberoep van de man keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat de schuld van de man van € 32.501,81 aan de vrouw in verband met de aflossing van € 65.003,61 die de vrouw heeft gedaan op de gezamenlijke lening bij Triodosbank, niet in de gemeenschap is gevallen. Het hof heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:
‘5.17 Het hof is van oordeel dat zowel de vordering van de vrouw op de man, als de schuld van de man aan de vrouw van € 32.501,81 niet in de gemeenschap is gevallen waarin partijen na het ontstaan van die rechten zijn gehuwd. Als de schuld van de man aan de vrouw op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de beperkte gemeenschap zou gaan behoren, heeft dit tot gevolg dat zijn draagplicht in de onderlinge verhouding met de vrouw voor de helft wordt verminderd. Naar de opvatting van het hof heeft de wetgever deze incongruentie waarbij de meerinbreng van - in dit geval - de vrouw wordt gehalveerd, niet voor ogen gehad. Het overgrote deel van de echtgenoten zal niet weten en niet wensen dat het aangaan van een huwelijk zonder het maken van huwelijkse voorwaarden tot dit gevolg zal leiden, terwijl de wetgever juist heeft gemeend met de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen de noodzaak tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden te verminderen. Op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid dient de schuld van de man aan de vrouw buiten het bereik van de beperkte gemeenschap te blijven.’
4.2
Het middel voert hiertegen, kort gezegd, het volgende aan. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden, omdat de vrouw niet heeft gesteld dat de schuld van de man op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten de gemeenschap dient te blijven. Voor zover het hof in de stellingen van de vrouw een beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft gelezen, is dat een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. Voor het geval het hof in de stellingen van de vrouw een beroep op de redelijkheid en billijkheid mocht lezen, heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven: de man was niet bedacht op een dergelijke uitleg van de stellingen van de vrouw en behoefde dat ook niet te zijn. Bovendien is de beslissing van het hof in dat geval onbegrijpelijk, omdat het tegenstrijdig is met rov. 5.14 waarin het hof overweegt dat de onderhavige schuld van de man aan de vrouw een andere situatie betreft dan die (in rov. 5.12) waarin het gaat om de financiering voor de verwerving van een aandeel in een gemeenschappelijk goed. Het slagen van deze klacht heeft ook gevolgen voor rov. 5.19 die voortbouwt op rov. 5.17.
4.3
Het komt mij voor dat de motiveringsklacht slaagt. Het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat sprake is van een door de wetgever niet voorziene incongruentie in art. 1:94 lid 7 BW waarbij de meerinbreng van de vrouw wordt gehalveerd als de schuld van de man in de gemeenschap valt, is gebaseerd op c.q. ligt in het verlengende van het oordeel van het hof in rov. 5.11 en 5.12 met betrekking tot de schuld van de vrouw uit hoofde van de voorhuwelijkse financiering van de woning uit het privévermogen van de man. Uit het principale cassatiemiddel volgt dat het oordeel van het hof in rov. 5.11 en 5.12 niet in stand kan blijven. Hiervan uitgaande betoogt het incidentele cassatiemiddel terecht dat ’s hofs oordeel in rov. 5.17 onbegrijpelijk is in het licht van de overweging in rov. 5.14 dat de schuld in verband met de financiering van de verbouwing van de woning een andere situatie is dan die waarin het gaat om de financiering voor de verwerving van een aandeel in een gemeenschappelijk goed.
4.4
Het slagen van de motiveringsklacht heeft ook gevolgen voor rov. 5.19. De overige klachten van het middel behoeven geen bespreking.
4.5
De slotsom is dat het incidentele cassatieberoep slaagt.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing, zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2024
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, 177-178.
De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 t/m 3.7 van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 27 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1409.
Zie de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 10 januari 2022, rov. 1.1 t/m 1.3, van 12 oktober 2022, rov. 1.1 t/m 1.3 en van 26 januari 2023, rov. 1.1 en 1.2, alsmede rov. 2.1 en 2.2 van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 27 februari 2024.
HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938, NJ 2007/395, rov. 3.4.3.
HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.3; HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, NJ 2024/83, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.1.6.
Zie p. 17, noot 59.
Zie nrs. 7.3 en 7.4 van het appelschrift van de vrouw.
HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.3 en 3.5.6.
Zie L.C.A. Verstappen, NJ 2024/83, nr. 9; C.M. Mellema, JIN 2022/125, p. 1184; C.M. Mellema, ‘Vorderingsrechten bij samenlevers; een kritische analyse’, REP 2021/522, p. 37; M. Huijzer & W.M. Schrama, ‘Vermogensrechtelijke afwikkeling in verband met de woning na informeel samenleven: wat werkt en wat niet? Een analyse van recente rechtspraak en lessen voor de rechtspraktijk’, FJR 2022/48, nr. 3.7, p. 250-251; B. Breederveld, ‘De (familie)rechter en het relatievermogensrecht’, FJR 2021/22, p. 97; H.J. Weijers, ‘Informeel samenwoners en de grondslag voor vergoedingsrechten. Een zoektocht in het licht van HR 10 mei 2019 en HR 17 november 2023’, REP 2024/261, p. 59.
Appelschrift, nr. 6.4.
Ik merk op dat hier vermoedelijk sprake is van een kennelijke verschrijving, want de helft van € 383.769,50 is € 191.884,75.
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, 177-178.
Aanvankelijk was het Tweede Kamerlid Berndsen-Jansen bij het wetsvoorstel betrokken, maar gelet op haar vertrek uit de Tweede Kamer heeft Swinkels de verdediging van het wetsvoorstel op zich genomen; zie Kamerstukken II 2015/16, 33 987, nr. 12.
Kamerstukken II 2013/14, 33 987, nr. 2 (art. 1:94 lid 2 en 7 van het wetsvoorstel). Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 987, nr. 3, p. 15.
Zie o.a. L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, in: M.J.A. van Mourik, L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/4.3.2; C.A. Kraan/S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht, 2022/5.2, p. 140-141; J.H. Lieber, ‘De voorhuwelijkse schulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, FJR 2019/29, p. 137-138; L.M. de Hoog, ‘De economische gerechtigheid van echtgenoten tot hun voorhuwelijkse gezamenlijke woning’, JBN 2019/1, p. 5-7; H.J. Weijers, ‘Recente rechtspraak over de meerinbrengproblematiek’, JBN 2024/51; R.E. Brinkman, ‘Enige opmerkingen over privéschulden en gemeenschapsschulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, FTV 2020/13.
In dezelfde zin E.J.M. Cornelissen, JPF 2024/71, p. 541.
Zie Rb. Noord-Nederland, locatie Assen 24 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2177, rov. 6.2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden 6 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5758, rov. 5.34; Rb. Gelderland, locatie Arnhem 27 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1784, rov. 4.42; Hof ’s-Hertogenbosch 31 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3406, rov. 5.39.4.
In deze zin ook H.J. de Jonge, ‘(Ongelijke) inbreng in gemeenschappelijke woning bij samenwoners, JBN 2019/48, p. 15; E.J.M. Cornelissen, JPF 2024/71, p. 541; B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14, p. 40.
Zie hiervoor, noot 21 en 24.
Zie hierover T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What’s in a name?’, WPNR 2018/7195; F.W.J.M. Schols, ‘Rechtsvragenrubriek. Voorhuwelijks gemeenschappelijk vermogen, een huwelijksvermogensrechtelijke veiligheidsklep en best practice’, WPNR 2018/7211; W.G. Huijgen, ‘Wanneer kan een notariële akte huwelijkse voorwaarden bevatten’, WPNR 2019/7225.
Bij besluit van 29 maart 2018, nr. 2018-45958, Stcrt. 2018, 18050, heeft de staatssecretaris van Financiën wijzigingen aangebracht in het beleid ten aanzien van onder andere schenkingen tussen echtgenoten bij wijziging van hun huwelijksgoederenregime, die hij als volgt heeft toegelicht: ‘Mij is bekend dat het gemeenschappelijk worden van deze onderlinge schuld ongewenste effecten kan hebben. Dat komt omdat hierdoor de vordering van degene die het meeste heeft ingelegd per saldo lager wordt. Deze verlaging wordt voorkomen door in de huwelijkse voorwaarden op te nemen dat de gemeenschap van goederen niet de onderlinge schuld omvat. Deze oplossing wordt dan ook in de praktijk geadviseerd. Gebleken is dat er onduidelijkheid bestaat over de mogelijke gevolgen voor de schenkbelasting van een dergelijke bepaling in de huwelijkse voorwaarden. Deze onduidelijkheid wil ik wegnemen voor de veel voorkomende situatie dat twee mensen samen een woning hebben gekocht en daarna een wettelijke gemeenschap van goederen ontstaat. Daarom keur ik, ondanks dat in het geschetste geval wordt afgeweken van het standaard wettelijke huwelijksgoederenregime, onder voorwaarden goed dat in dit geval voor de toepassing van de Successiewet geen sprake is van een schenking.’
Zie appelschrift, nr. 4.1 e.v. en p. 42; rov. 4.1 (p. 4) van de bestreden beschikking. De vrouw heeft dit subsidiair verzocht. In rov. 5.3 van de bestreden beschikking heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar primair verzoek, waardoor haar subsidiair verzoek voorlag.
Zie appelschrift, nr. 4.3 en 4.10 (vgl. nr. 6.8 en 6.10); pleitnota, nr. 2.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 8.
Zie beroepschrift, nr. 6.10.
Zie p. 9 en p.13-14.
Zie o.a. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3912, NJ 2010/418, rov. 4.1; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2022/104.
Zie verweerschrift, nrs. 19 t/m 28.
Vgl. HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156, rov. 3.4.3.
Beroepschrift 26‑06‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE
Verzoekster:
[de vrouw],
een natuurlijk persoon wonende te [woonplaats] (de ‘Vrouw’)
De advocaat bij de Hoge Raad mr. R.R. Oudijk (La Gro Geelkerken Advocaten, Prins Bernhardlaan 35, 2404 NE Alphen aan den Rijn) vertegenwoordigt als zodanig de Vrouw in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
[de man],
een natuurlijk persoon wonende te [woonplaats] aan het adres [adres] ([postcode]) (de ‘Man’). De Man heeft in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen bij de advocaat mr. J.F.M. van Weegberg (Wigman Sardjoe & Van Weegberg Advocaten), kantoorhoudend aan de Adelheidstraat 8 te Den Haag (2595 ED Den Haag).
Bestreden uitspraak
De Vrouw stelt cassatieberoep in tegen de uitspraak (de ‘Beschikking’) van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden (het ‘Hof’), uitgesproken in de procedure met zaaknummer 200.326.036, tussen de Vrouw als verzoekster/appellant en de Man als verweerder/geïntimeerde op 27 februari 2024.1.
Verschijningsdatum verweerder
De Man wordt opgeroepen om ten laatste op woensdag 26 juni 2024 te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
De Vrouw voert tegen de Beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het Hof heeft overwogen en beslist als in de Beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
1.
Deze zaak draait om de toepassing van het nieuwe huwelijksvermogensrecht per 1 januari 20182. en specifiek art. 1:94 lid 7 BW. Sindsdien is na een huwelijk niet automatisch sprake van een wettelijke algehele gemeenschap van goederen, maar van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, tenzij anders wordt afgesproken bij huwelijkse voorwaarden. Onderdeel van deze wetswijziging is de invoering van het huidige artikel 1:94 lid 7 BW, waarin is bepaald wat qua lasten in deze beperkte gemeenschap van goederen valt (voor drie categorieën zijn uitzonderingen gemaakt die in deze zaak niet relevant zijn). De volgende schulden behoren volgens de wettekst tot deze gemeenschap3.:
‘De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden: (…)’ (onderstreping toegevoegd, adv.)
2.
Onderdeel van de gemeenschapsschuld zijn aldus onder meer alle schulden voor goederen die voor de gemeenschap (het huwelijk) aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. In deze zaak hebben de Man en de Vrouw op 9 juni 2017 ieder voor de helft de eigendom verkregen van een woning te [a-plaats] (de ‘Woning’)4. en zij zijn op [trouwdatum] 2018 getrouwd (zonder huwelijkse voorwaarden).5. De Man heeft de koopsom van de woning van € 383.769,50 uit zijn privévermogen voldaan, met als gevolg dat volgens het Hof de Vrouw een schuld heeft aan de Man voor de helft van dit bedrag.6. De duidelijke wettekst volgend betekent dit dat na het huwelijk de schuld van de Vrouw aan de Man in de beperkte gemeenschap van goederen is gevallen: zoals het Hof terecht vooropstelt in rov. 5.8 vallen in de beperkte gemeenschap van goederen (i) gemeenschappelijke bezittingen die partijen al samen hadden (art. 1:94 lid 2 BW) en (ii) ‘en de daarbij behorende schulden’ (art. 1:94 lid 7 BW). Met andere woorden: de schuld van de Vrouw die is ontstaan door meerinbreng van de Man bij de aankoop van de Woning valt na het huwelijk in de huwelijksgemeenschap.7.
3.
Het Hof maakt vervolgens een fout door in weerwil van de duidelijke wettekst en een expliciete toelichting van de wetgever8. (zie citaat onder) te oordelen dat de schuld van de Vrouw jegens de Man van € 191.826,70 terzake de Woning niet in de (beperkte) gemeenschap is gevallen.9. In cassatie komt de Vrouw op tegen deze onjuiste rechtsopvatting. De wet bepaalt expliciet dat voorhuwelijkse, gezamenlijke goederen na het huwelijk in de beperkte gemeenschap van goederen vallen, evenals de daarvoor aangegane schulden. Met betrekking tot gemeenschappelijke goederen treedt bij het aangaan van het huwelijk boedelmenging op en na het huwelijk hebben de ex-echtgenoten ieder een gelijk aandeel (art. 1:100 lid 1 BW). De wetgever heeft bewust de keuze gemaakt om ongelijke gerechtigheid vóór het huwelijk na boedelmenging niet te laten voorbestaan na het huwelijk, omdat dit ‘zonder enige twijfel’ de beperkte gemeenschap van goederen ingewikkelder zou maken.10. De wetgever heeft bewust gekozen voor een vermogensverschuiving bij ongelijke gerechtigheid na het huwelijk door dan gelijke gerechtigheid te hanteren.11. In het verlengde van het ontstaan van een gelijke gerechtigheid na het huwelijk heeft de wetgever toegelicht dat bij meerinbreng vóór het huwelijk door één van de echtgenoten bij de aankoop van een woning op beider naam, de daardoor ontstane schuld na het huwelijk in de gemeenschap ex art. 1:94 lid 7 BW valt:12.
‘In dit verband dient nog te worden gewezen op de problematiek die ontstaat indien een echtgenoot ter zake van een vóór het huwelijk op beider naam verkregen woning bij de verkrijging meer heeft ingebracht dan de andere echtgenoot. Naar huidig recht, mede in aanmerking nemend het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378 met annotatie van L.C.A. Verstappen, ontstaat een vergoedingsrecht van die echtgenoot op de andere echtgenoot. Als zij vervolgens in beperkte gemeenschap van goederen trouwen, zal de mede-eigendom volgens het wetsvoorstel in de gemeenschap vallen, evenals de eventueel ter financiering van het goed aangegane hypothecaire schuld een gemeenschapsschuld zal worden. Rest nog de vraag hoe om te gaan met voormelde vordering.
De vordering is een goed dat tot het voorhuwelijks vermogen behoort en dus niet in de gemeenschap valt. De schuld daarentegen is aan de zijde van de andere echtgenoot te kwalificeren als een schuld die is ontstaan bij de verwerving van zijn onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke goed, en dus een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed die in de gemeenschap valt als bedoeld in artikel 94 lid 7.’
4.
Kortom, op basis van de wettekst en de toelichting daarbij geldt voor alle schulden bij gezamenlijke goederen van vóór het huwelijk dat deze na het huwelijk gemeenschapsschulden worden (tenzij huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt waarin anders is afgesproken). Dat past in de algemene lijn bij de nieuwe wet voor de beperkte gemeenschap van goederen: ongelijke gerechtigheid wordt gelijke gerechtheid na een huwelijk en een schuld voor een gemeenschappelijk goed wordt schuld van de gemeenschap na het huwelijk. Het is bovendien consistent om zowel alle voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen als alle schulden met betrekking tot die goederen in de gemeenschap te laten vallen na het huwelijk.13.
5.
Naast dit principiële punt klaagt de Vrouw dat ten aanzien van de Woning geen sprake (meer) is van een vergoedingsrecht (Onderdeel 2) en het Hof heeft gemist dat zij voorafgaand aan het huwelijk de aankoop van een stuk extra tuin/grond bij de Woning volledig heeft betaald, zodat zij op grond daarvan een vergoedingsrecht heeft (Onderdeel 3). Tot slot stelt de Vrouw aan de orde dat de Man in eerste aanleg heeft erkend dat zij aanzienlijk meer heeft ingebracht voor de verbouwing van de Woning, hetgeen het Hof heeft miskend (Onderdeel 4).
B. Klachten
Onderdeel 1 — De woningschuld is na het huwelijk in de gemeenschap gevallen (rov. 5.7-5.12)
Een schuld t.b.v. een gemeenschappelijke woning valt in de gemeenschap
1.1.
's Hofs oordeel in rov. 5.11–5.12 dat de schuld van de Vrouw aan de Man niet in de gemeenschap is gevallen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk. Het Hof kwalificeert de verplichting van de Vrouw jegens de Man als schuld.14. Tussen partijen staat voorts als feit vast dat de Woning ieder voor de helft eigendom is van de Man en de Vrouw en tussen partijen niet in geschil is dat de Man de volledige koopsom van de Woning heeft voldaan.15. De kwalificatie als ‘schuld’ in relatie tot de aankoop van de Woning in gemeenschappelijke eigendom betekent (reeds) dat deze schuld in de gemeenschap ex art 1:94 lid 7 BW valt.16. Het Hof miskent dat de schuld van de Vrouw aan de Man is verbonden aan de aankoop van een gemeenschappelijk goed, welke schuld op grond van de wet (art. 1:94 lid 7 BW) na het huwelijk tot de gemeenschap behoort, omdat alle schulden voorafgaand aan het huwelijk bij goederen die gezamenlijk aan de echtgenoten behoren in de gemeenschap vallen. 's Hofs oordeel klemt temeer omdat na een huwelijk gelijke gerechtigheid uitgangspunt is en de wetgever — daarop voortbouwend — ook de schuld, als gevolg van de meerinbreng bij de financiering van een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning, na het huwelijk in de gemeenschap valt (§ 3).17.
1.2.
Voor zover in 's Hofs oordeel in rov. 5.11–5.12 besloten ligt dat de schuld van de Vrouw aan de Man geen schuld is voor een goed die reeds vóór aanvang van de gemeenschap gezamenlijk aan de echtgenoten toebehoorde, getuigt 's Hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijke motivering. Het is een feitelijk gegeven dat beide partijen — ieder voor de helft — eigenaar zijn van de Woning en tussen partijen is niet in geschil dat de Man de volledige koopsom heeft betaald18., zodat de daaruit voortvloeiende schuld van de Vrouw een schuld is die is verbonden aan de gemeenschappelijke Woning.19. Omdat de Woning vóór aanvang van de gemeenschap aan partijen gezamenlijk toebehoorde, is voldaan aan het vereiste om alle schulden daaromtrent in de gemeenschap te laten vallen na het huwelijk.20.
De ‘onderlinge’ schuld is ook een schuld in de zin van art. 1:94 lid 7 BW
1.3.
Het oordeel van het Hof in rov. 5.12 dat het bij schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen concreet gaat om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap, en een onderlinge schuld geen schuld is ten behoeve van de gemeenschap en dus niet ten behoeve van beide deelgenoten is aangegaan, is rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, gelet op de duidelijke wettekst van art. 1:94 lid 7 BW waaruit voortvloeit dat de gemeenschap qua lasten alle schulden omvat betreffende goederen die vóór de (huwelijks)gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. Uit de wet volgt geen vernauwing van gemeenschapsschulden tot schulden die vóór het huwelijk zijn aangegaan ten behoeve van een eenvoudige gemeenschap. Met het vooropstellen van ‘alle’ schulden bij voorhuwelijkse goederen die aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, vallen ook ‘onderlinge’ schulden na het huwelijk in de gemeenschap, tenzij bij huwelijkse voorwaarden andersluidende afspraken zijn gemaakt. Art. 1:94 lid 7 BW stelt ook niet de eis dat de aangegane schuld ten behoeve van beide deelgenoten moet zijn aangegaan om als gemeenschapsschuld te kwalificeren, maar enkel dat de schuld ziet op een goed die vóór de gemeenschap reeds aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorde. Ook een schuld die door één van hen is aangegaan ten behoeve van een gemeenschappelijk goed (voorafgaand aan het huwelijk) valt na het huwelijk in de gemeenschap.21.
1.4.
Het oordeel van het Hof in rov. 5.12 dat de onderlinge schuld geen schuld is die ten behoeve van de gemeenschap is aangegaan, is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Vóór het huwelijk van de Man en de Vrouw is een eenvoudige gemeenschap ex art. 3:166 lid 1 BW ontstaan, doordat beiden de Woning voor de helft in eigendom hebben verkregen.22. Zo'n eenvoudige gemeenschap is beperkt tot goederen en omvat geen schulden.23. De ‘onderlinge’ schuld van de Vrouw aan de Man is aangegaan c.q. ontstaan om de gezamenlijke eigendom van de Woning mogelijk te maken (en het onverdeelde aandeel in de gemeenschappelijke Woning te verwerven). Zonder schuld van de Vrouw aan de Man immers geen Woning in gemeenschappelijke eigendom, of — anders gezegd — zonder gemeenschappelijke eigendom geen schuld van de Vrouw aan de Man.
Verkeerd begrip van de toelichting door de wetgever
1.5.
Het oordeel van het Hof in rov. 5.11 dat ‘dit standpunt’ van de initiatiefnemers (de wetgever) hem niet juist voor komt omdat deze zich niet goed laat rijmen met andere opmerkingen uit de wetstoelichting, waarbij het Hof (louter) wijst op een eerdere toelichting uit 2015–2016 (rov. 5.12), is onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het Hof miskent dat de door hem aangehaalde toelichting in de Eerste Kamer van de wetgever in rov. 5.11 — die zoals het Hof terecht constateert pleit voor het standpunt van de Vrouw (haar schuld valt in de gemeenschap)24. — van een latere datum is dan de door het Hof aangehaalde toelichting bij de Tweede Kamer in rov. 5.12. De recentere toelichting in de Eerste Kamer komt dan meer gewicht toe. Bovendien wordt in deze toelichting in de Eerste Kamer expliciet aandacht besteed aan de wijze waarop met een schuld moet worden omgegaan bij de meerinbreng van de ene echtgenoot ter financiering van een gezamenlijke woning. Dit is in de wetsgeschiedenis het specifieke voorbeeld van een schuld die volgens de wetgever25. in de gemeenschap valt. Van een ‘vergissing’ van de wetgever26. — omdat deze toelichting in de Eerste Kamer niet zou rijmen met een eerdere toelichting bij de Tweede Kamer — is dan geen sprake, althans dat is zonder nadere motivering niet in te zien. Een schuld als gevolg van meerinbreng bij een voorhuwelijkse gemeenschappelijke valt in de huwelijksgemeenschap, zoals de wetgever expliciet vooropstelt en het Hof heeft dit miskend (zie § 3).27.
1.6.
's Hofs oordeel in rov. 5.12 is in ieder geval onjuist, omdat de benadering van het Hof leidt tot verschillende uitkomsten bij interne (onderlinge) schulden en externe schulden die zijn aangegaan ten behoeve van (de financiering van) een gemeenschappelijk goed, terwijl de wet daarvoor geen enkele ruimte biedt. Een hypotheekschuld van één van beide echtgenoten, die is aangegaan voorafgaand aan huwelijk om een gezamenlijke woning te financiëren, is — zo valt uit de redenering van het Hof af te leiden — wel aangegaan ten behoeve van de gemeenschap (want een ‘externe’ schuld ten behoeve van een gemeenschappelijk goed). Waarom een onderlinge schuld niet onder de strekking van art. 1:94 lid 7 BW en het daarin opgenomen begrip ‘alle schulden’ valt, is zonder nadere toelichting niet in te zien.
1.7.
's Hofs oordeel in rov. 5.12 dat in de literatuur wordt ‘bepleit’ dat de schuld jegens een deelgenoot die meer heeft ingebracht niet kwalificeert als een schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen in de zin van artikel 1:94 lid 7 BW en daarom niet tot de gemeenschap behoort, miskent dat (i) de wet leidend is en de consequentie van het wettelijke stelsel en de daarop gegeven toelichting van de wetgever nu eenmaal is dat de schuld uit hoofde van de meerinbreng in de gemeenschap valt28., (ii) in de literatuur ook terugkomt dat deze schuld weldegelijk kwalificeert als schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen (en de literatuur niet louter in de door het Hof beschreven richting wijst)29. en (iii) in de literatuur voor een wetswijziging bij art. 1:94 lid 7 BW wordt gepleit ‘voor alle duidelijk’ en het opstellen van huwelijkse voorwaarden de ‘enige veilige’ optie is om na een huwelijk de economische gerechtigheid tot de woning dezelfde blijft.30. Het Hof geeft aldus een verkeerd en eenzijdig beeld dat uit de literatuur voortvloeit op dit punt, nog los van het feit dat de wet zelf — en niet ‘de’ zienswijze in de literatuur — bepalend is.
Halvering meerinbreng als gevolg
1.8.
Voor zover het Hof van oordeel is dat de schuld van de Vrouw aan de Man terzake de Woning niet in de gemeenschap valt31. omdat het overgrote deel van de echtgenoten niet zal weten en niet zal wensen dat met het aangaan van een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden de draagplicht / meerinbreng wordt gehalveerd en de wetgever heeft gemeend de noodzaak tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden met de wetswijziging heeft willen verminderen32., is dit oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het Hof doet een niet-onderbouwde aanname over ‘het overgrote deel van de echtgenoten’, terwijl het verminderen van de huwelijkse voorwaarden geen doel op zich is van de wetswijziging. Het Hof miskent voorts dat het aan de wetgever is om art. 1:94 lid 7 BW aan te passen als de halvering van de meerinbreng niet ‘de bedoeling’ is geweest. Los daarvan heeft de wetgever dit gevolg weldegelijk onder ogen gezien en is daarvoor uitdrukkelijk gekozen (zie o.m. § 3 en subonderdeel 1.5).33.
1.9.
Voor zover het Hof in rov. 5.11–5.12 de schuld van de Vrouw aan de Man buiten de gemeenschap laat vallen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid34., is dat oordeel onjuist en ten onrechte geheel niet gemotiveerd. Het Hof licht ten aanzien van de schuld van de Vrouw aan de Man niet toe waarom de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid daarvoor een grondslag biedt. In 's Hofs oordeel ontbreekt voorts dat in dit verband sprake is van een leemte waarin moet worden voorzien35., terwijl voorts geldt dat een wettelijke bepaling slechts onder hoge uitzondering opzij kan worden geschoven met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.36.
Toelichting Onderdeel 1
1.10.
De wetswijziging van 1 januari 2018 (§ 1) is het gevolg van een wetgevingsinitiatief. Aanvankelijk was het idee achter de wetswijziging dat enkel datgene wat tijdens het huwelijk verworven werd, aan beiden toekomt en binnen de gemeenschap valt. Voorhuwelijks vermogen zou buiten de gemeenschap moeten vallen.37. Die gedachte is nadien verlaten, omdat dan vier afzonderlijke vermogens kunnen bestaan: twee privévermogens, een eenvoudige gemeenschap en de (huwelijks)gemeenschap. Daarom is art. 1:94 lid 2 BW gewijzigd, inhoudende dat goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, in de gemeenschap vallen.38. Dit beoogt de eenvoud van het stelsel ten goede te
komen en afwikkelingsproblemen te voorkomen.39. Het huidige art. 1:94 lid 7 BW (aanhef) is voorts toegevoegd om expliciet te bepalen dat schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen eveneens in de gemeenschap vallen. Die schulden worden op grond van dit artikel als gemeenschapsschulden aangemerkt.40.
1.11.
Tijdens het wetgevingsproces heeft de wetgever in de Eerste Kamer nadien expliciet benadrukt dat voor gevallen van meerinbreng door de ene echtgenoot bij de financiering van een gezamenlijke woning, een daarna gesloten huwelijk betekent dat die schuld in de gemeenschap valt (§ 3). Deze expliciete en ondubbelzinnige41. toelichting van de wetgever betekent dat ook een onderlinge schuld, die is ontstaan doordat één van de echtgenoten ter financiering van de voorhuwelijkse gezamenlijke woning privémiddelen heeft aangewend, na het huwelijk ten laste komt van de gemeenschap.42.
1.12.
Het Hof maakt tot zijn oordeel dat bij de aankoop van de woning een schuld is ontstaan van de Vrouw tegenover de Man voor de helft van de aankoopsom van de Woning.43. Met de constatering van het Hof dat hier sprake is van een schuld van de Vrouw aan de Man, ontstaan door de aankoop van de gezamenlijke woning, is reeds op grond van de wettekst zelf sprake van een schuld die na het huwelijk in de gemeenschap is gevallen (zie ook § 1 t/m 3). In de wet zelf draait het immers om het begrip ‘alle schulden’ betreffende goederen die voor de gemeenschap (het huwelijk) gezamenlijk aan partijen toebehoorden. Het feit dat de woning voor het huwelijk al gemeenschappelijk eigendom was, betekent dat alle schulden die daaraan verbonden zijn — hoe dan ook genaamd, waaronder ‘onderlinge’ schulden — na het huwelijk in de gemeenschap vallen. Het Hof heeft dit miskend.
1.13.
Het Hof gaat er ook aan voorbij dat met de invoering van de nieuwe wet in 2018 bij zowel voorhuwelijkse baten als schulden, als het gaat om gezamenlijk aangebrachte goederen, diverse uitzonderingen zijn gemaakt dat deze privé blijven. Art. 1:94 lid 7 BW bevat zo'n uitzondering.44. Uit de wetssystematiek, gelegd naast de toelichting bij onder meer de Eerste Kamer (§ 3), blijkt dat de door meerinbreng ontstane schuld na het huwelijk in de gemeenschap valt. Door het gemeenschappelijk worden van deze schuld wordt de vordering van de ‘meerinbrenger’ verlaagd: als dat niet gewenst is, moeten huwelijkse voorwaarden worden gemaakt45., zoals ook de Staatssecretaris van Financiën benadrukt bij de gevolgen van schenkbelasting met betrekking tot zo'n situatie van meerinbreng.46.
Geen ‘misslag’ van de wetgever
1.14.
Het Hof gaat in rov. 5.11–5.12 aan de overwegingen uit de parlementaire geschiedenis (rov. 5.11) voorbij omdat deze niet goed te rijmen zijn met andere opmerkingen uit de wetstoelichting. Er is geen sprake van de door het Hof gesignaleerde ‘ongerijmdheid’. De wetgever is gedurende het wetstraject consequent gaan benadrukken dat een gemeenschappelijk goed én de daarbij behorende schuld(en) in de gemeenschap vallen. Bovendien geldt dat juist de schuld bij de aankoop van een gezamenlijke woning voorafgaand aan het huwelijk bijzondere aandacht krijgt. In de literatuur is geconstateerd dat dit het enige voorbeeld van de initiatiefnemers is van een voorhuwelijkse schuld die wel een gemeenschappelijk schuld is.47. Dat juist deze schuld als gemeenschappelijk schuld wordt aangeduid bij de totstandkoming van de nieuwe wet, benadrukt dat dit uitgangspunt is voor wetgever. Dat moet bij de uitleg en toepassing van de wet dan ook tot uitdrukking komen, maar daar gaat het Hof ten onrechte aan voorbij.
1.15.
Het Hof verliest ook uit het oog dat de wetgever (de initiatiefnemers) meermaals heeft herhaald dat een schuld betreffende een gemeenschappelijk goed tot de gemeenschap gaat behoren:48.
‘Vraag. Twee partners wonen ongehuwd samen. Zij kopen samen een woning voor € 200.000 en worden beiden voor de helft eigenaar. Een partner gaat een familielening van € 100.000 aan die alleen op de eigen naam staat en de andere partner financiert de € 100.000 uit eigen vermogen. Vervolgens trouwen de beide partners onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht in beperkte gemeenschap van goederen. Aan wie behoort nu de voorhuwelijkse hypotheekschuld van € 100.000 toe betreffende ‘een goed dat reeds voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorde’? (…) Reactie van de initiatiefnemers. Zowel onder het huidige als het voorgestelde wettelijke huwelijksvermogensregime zal de bedoelde hypotheekschuld tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. In zoverre brengt het wetsvoorstel in een geval als dit geen verandering in de boedelmenging.’
1.16.
Bovenstaande toelichting weegt het Hof niet (kenbaar) mee bij zijn beoordeling, terwijl deze toelichting aan het slot van het wetgevingstraject duidelijk maakt dat voorhuwelijkse hypotheekschulden in de gemeenschap vallen na het huwelijk.
Niet valt in te zien dat voorhuwelijkse hypotheekschulden moeten worden onderscheiden van ‘onderlinge’ schulden (het Hof licht dat ook niet toe). In beide gevallen geldt dat een schuld is aangegaan c.q. ontstaan om een woning in gemeenschappelijke eigendom te verkrijgen, zodat is voldaan aan de voorwaarde om de schuld in de gemeenschap te laten vallen.49. Het zou ook onredelijk zijn om een echtgenoot zijn/haar schuld in de gemeenschap te laten vallen als het geld wordt geleend bij de bank, maar niet in de gemeenschap te laten vallen als het wordt geleend van de andere echtgenoot, of in dit geval de schuld ontstaat als gevolg van art. 6:10 BW.
Literatuur is niet ‘eenduidig’, integendeel
1.17.
Ook uit de literatuur volgt dat 's Hofs interpretatie en toepassing van art. 1:94 lid 7 BW onjuist is. Zo beschrijft Brinkman treffend dat dit artikel in feite neerkomt op het principe ‘schuld volgt goed’ en dat in zijn visie art. 1:94 lid 7 BW (aanhef) zo gelezen moet worden dat de gemeenschap voor wat haar lasten betreft, onder meer omvat ‘alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten in juridische en/of economische zin gezamenlijk toebehoorden.’50. Daardoor ligt de draagplicht voor die schuld op dat (gemeenschaps)vermogen, dat is de volgorde van de wet in de visie van Brinkman. Hij voegt hier nog terecht aan toe dat het vreemd is om een gezamenlijk goed wel in de gemeenschap te laten vallen na het huwelijk, maar de schuld niet.51. Ook Breederveld stelt terecht voorop dat de toelichting van de wetgever duidelijk is en de gevolgen van de wet — een ‘halvering’ van de meerinbreng — aan de orde zijn geweest. Het goederenrechtelijke stelsel van de gemeenschap van goederen is helder en een schuld bij een gemeenschappelijke woning valt in de gemeenschap na het huwelijk.52. Labohm en Stollenwerck geven ook aan dat als een van de echtgenoten een schuld afsluit om de mede-eigendom te financieren, deze schuld na het huwelijk in de gemeenschap valt. Als zo'n effect onwenselijk wordt gevonden, zijn huwelijkse voorwaarden aangewezen (zie in dezelfde zin De Jonge).53.
Gelijke gerechtheid en in de gemeenschap vallende schulden bij voorhuwelijkse goederen passend in het (wets)systeem bij de huwelijksgemeenschap
1.18.
Zoals in de inleiding opgenomen, past het laten vallen van schulden bij gemeenschappelijke goederen in de gemeenschap ook bij het wettelijke uitgangspunt dat ongelijke gerechtigheid vóór het huwelijk omslaat in gelijke gerechtigheid na het huwelijk (§ 3–4). Gelijkheid binnen de gemeenschap, als geen afwijkende afspraken worden gemaakt bij huwelijkse voorwaarden, past ook bij de gemeenschap die partijen door het huwelijk aangaan als zij niet anders regelen: door gelijkheid in rechten en schulden bij gemeenschappelijke goederen die na het huwelijk in de gemeenschap vallen worden ingewikkelde discussies over eigendomsverhoudingen en investeringen tegengegaan. Ingewikkelde discussies bij de ontbinding van een huwelijk, omdat schulden integraal blijven voortbestaan, komen de afwikkeling van een ontbonden huwelijk ook niet ten goede. Ook geldt dat een grote schuldenlast, zoals in dit geval het door het Hof aangenomen vergoedingsrecht van € 191.826,70, de afwikkeling van het huwelijk complex. Ex-echtgenoten blijven door de schuldenlast soms jarenlang met elkaar verbonden en kunnen geen nieuw leven opbouwen.54. De wijze waarop in deze zaak is gediscussieerd over vergoedingsplichtingen spreekt al boekdelen. Door de schuld, verbonden aan een voorhuwelijks gemeenschappelijk goed, na het huwelijk in de gemeenschap te laten vallen wordt die complexiteit tegengegaan (althans verminderd).
1.19.
Het is ook redelijk om schulden, ontstaan bij de verwerving van gemeenschappelijke goederen vóórafgaand aan het huwelijk, in de gemeenschap te laten vallen na het huwelijk als partijen geen huwelijkse voorwaarden maken. Echtgenoten zullen tijdens een huwelijk veelal niet weten (en wensen) dat sprake is van onderlinge schulden bij voorhuwelijkse, gemeenschappelijke goederen. Het sluiten van huwelijkse voorwaarden is het moment om specifiek vast te leggen welke investeringen zijn gedaan (en/of hoe toekomstige investeringen worden bijgehouden en/of verrekend) en welke schulden over en weer bestaan. Dan weten partijen waar zij aan toe zijn. Het Hof gaat er ook aan voorbij dat echtgenoten welbewust kunnen kiezen om geen huwelijkse voorwaarden te maken, omdat zij de gezamenlijkheid van de beperkte gemeenschap onderschrijven. Door ‘onderlinge’ schulden ook na het huwelijk te laten voortbestaan wordt voorts de strekking van art. 1:94 lid 2 en 7 BW actief ondermijnt, die juist inhoud dat alles wat gezamenlijk is vóór het huwelijk na het huwelijk in de gemeenschap valt.
Onderdeel 2 — Geen vergoedingsrecht terzake de Woning (rov. 5.10)
2.1.
's Hofs oordeel in rov. 5.10 dat sprake is van een hoofdelijke schuld bij de koop van de Woning, dat de Vrouw op grond van art. 6:10 BW gehouden was voor de helft daarvan bij te dragen en dat de Man een vergoedingsrecht heeft voor een bedrag van € 191.826,7055. is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk. Omdat beide partijen voor de helft de Woning in eigendom hebben verkregen voorafgaand aan het huwelijk, is een eenvoudige gemeenschap ontstaan die geen grondslag biedt voor een vergoedingsrecht bij ongelijke financiering.56.Art. 6:10 BW biedt die grondslag ook niet, omdat een regresvordering57. nog geen vergoedingsrecht doet ontstaan tussen samenwonenden. Voor zo'n vergoedingsrecht is temeer geen grondslag (meer) indien na de aankoop van een gezamenlijke woning met ongelijke financiëring vóór het huwelijk, bij het aangaan van het huwelijk ook geen (nadere) afspraken worden gemaakt over de vergoeding van privé-investeringen. Voor het doen ontstaan van vergoedingsrechten na het huwelijk, althans het veiligstellen van vergoedingsrechten, zijn dan huwelijkse voorwaarden noodzakelijk.58. 's Hofs oordeel miskent voorts dat uit het feit dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, de (stilzwijgende) afspraak voortvloeit dat voor vergoedingsrechten terzake de Woning geen plaats meer is.59.
Onderdeel 3 — Vergoedingsrecht Vrouw t.a.v. de voorhuwelijkse investering in de tuin (rov. 5.13–5.17)
3.1.
Het Hof heeft de grenzen van rechtsstrijd miskend, en/althans is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de grieven van de Vrouw en/of art. 23 Rv doordat niet (kenbaar) is gerespondeerd op de grief en het verzoek van de Vrouw dat zij een vergoedingsrecht op de Man heeft omdat zij de koopsom voor de tuin/extra stuk grond bij de Woning van € 31.627,50 volledig heeft betaald.60. Het Hof heeft bij de door de vrouw gestelde vorderingen terzake de voorhuwelijkse en huwelijkse investeringen deze investering in de tuin niet (kenbaar) betrokken61., hoewel de Vrouw expliciet heeft gesteld dat het voor de aankoop van de tuin betaalde bedrag (€ 31.627,50) is betaald vanuit haar privémiddelen en dat haar daarom een vergoedingsrecht toekomt — dit bedrag is door haar ook bij de som van haar investeringen vanuit privémiddelen betrokken.62. Dat het Hof deze door de Vrouw gestelde (privé)investering ten onrechte uit het oog is verloren bij zijn beoordeling blijkt temeer uit het slot van rov. 5.15 van de Beschikking, waarin het Hof (louter) ingaat op de onduidelijkheid bij bijdragen van partijen ‘aan de verbouwing’. De aankoop van de tuin valt (vanzelfsprekend) niet onder een verbouwing. Voor zover het Hof op dit punt de bezwaren van de Vrouw tegen de uitspraak van de Rechtbank niet als grief heeft opgevat, is het Hof uitgegaan van een te strenge rechtsopvatting omdat de grieven niet aan bepaalde vormvereisten moeten voldoen63. en de Vrouw de gestelde privéinvestering in de tuin heeft betrokken bij haar bezwaren tegen het oordeel van de Rechtbank dat niet duidelijk zou zijn in hoeverre privévermogen is geïnvesteerd.64. Dat de aankoop van de tuin onderdeel was van de grenzen van de rechtsstrijd, omdat daartegen is gegriefd, blijkt temeer uit het feit dat de wederpartij op dit punt inhoudelijk verweer heeft gevoerd.65.
3.2.
Voor zover het Hof wel op deze grief en dit verzoek heeft gerespondeerd met het (algemene) oordeel in rov. 5.15 dat uit de wijze van procederen moeilijk valt af te leiden welke investeringen exact door wie van de deelgenoten is gedaan en dat geen van partijen heeft aangetoond met welk bedrag ieder van partijen heeft betaald c.q. geïnvesteerd, zodat moet worden aangenomen dat zij ieder voor de helft hebben bijgedragen aan de verbouwing, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Als feit staat vast dat op 1 december 2017 door partijen een stuk grond naast de Woning is gekocht (de tuin).66. Voorts overweegt het Hof dat de Man een bankrekening van de Vrouw bij de Rabobank, eindigend op 866 heeft gebruikt omdat hij aanvankelijk geen bankrekening had in Nederland.67. Onder verwijzing naar bijlage 48 bij de Akte uitlating na beschikking d.d. 13 december 2022 heeft de Vrouw gesteld dat zij vóór het huwelijk heeft betaald voor de aankoop van een gedeelte van de tuin van de buren.68. In deze bijlage zijn twee afschriften opgenomen van een ING-rekening en Triodos-rekening van de Vrouw69. met overschrijvingen op de derdengeldrekening van de notaris die de leveringsakte voor de tuin heeft gepasseerd (notaris Kool), waaronder overmaking van € 28.001,50 op 28 november 2017 op deze derdengeldrekening (enkele dagen vóór de eigendomsoverdracht van de tuin). Omdat van deze privérekeningen van de Vrouw overboekingen naar de derdengeldrekening van de notaris zijn gedaan, waarbij geen gebruik is gemaakt van voornoemde Rabobankrekening, kon het Hof niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorbijgaan aan de onderbouwde stelling van de Vrouw dat zij vanuit privémiddelen heeft betaald voor de aankoop van de tuin. Het gebrek aan een (kenbaar) oordeel op dit punt klemt temeer omdat (de voorzitter van) het Hof ter zitting het volgende opmerkt: ‘De voorzitter doet een resumé: € 30.000 aan de man overgemaakt, € 111.896 betaald, nog grond/tuin bijgekocht bij de notaris. De factuur van circa € 32.000 door de vrouw betaald’ (onderstreping toegevoegd, adv.)70. en de Man in hoger beroep niet (gemotiveerd) heeft betwist de Vrouw beschikte over een ING- en Triodosrekening.71.
Toelichting Onderdeel 3
3.3.
De Vrouw heeft onder verwijzing naar bijlage 48 gemotiveerd betoogd dat zij vanuit privémiddelen de tuin heeft betaald. Deze stellingen zijn inclusief een concrete verwijzing naar een bijlage voor het voetlicht gebracht, zodat het Hof duidelijk moest zijn dat ook de aankoop van de tuin en de vraag of dit door de vrouw vanuit privémiddelen is betaald, ter beoordeling voorlag.72. Uit de Beschikking blijkt in het geheel niet of het Hof deze aankoop van de tuin bij zijn beoordeling heeft betrokken, terwijl het om een aanzienlijk bedrag gaat en de aankoop van de tuin door partijen als feit is vastgesteld.
Onderdeel 4 — Gerechtelijke erkenning over de hoogte van de investeringen door de Vrouw in de verbouwing (rov. 5.14–5.17)
4.1.
Het oordeel van het Hof in rov. 5.15 dat geen van partijen heeft aangetoond met welk bedrag ieder van partijen heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de Woning, zodat moet worden aangenomen dat zij ieder voor de helft hebben bijgedragen aan de verbouwing, deels met gezamenlijk geleend geld en deels met eigen geld, miskent dat de Man in eerste aanleg heeft erkend dat De Vrouw ongeveer € 115.000 heeft geïnvesteerd in de Woning voor de renovatie (verbouwing).73. Tijdens de comparitie is dit bedrag (nogmaals) erkend door De Man en ging de discussie tussen partijen over het verschil tussen € 172.000 (de door De Vrouw gestelde privéinvesteringen in de verbouwing)74. en € 115.000.75. Gelet op het partijdebat in eerste aanleg is sprake van een gerechtelijke erkentenis ex art. 154 lid 1 Rv van de Man, doordat de Man ondubbelzinnig en uitdrukkelijk heeft erkend dat de Vrouw (minimaal) € 115.000 heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de Woning. Ten onrechte heeft het Hof niet aangenomen dat hij gebonden is aan deze erkentenis en niet aangenomen dat De Vrouw (in ieder geval) € 115.000 uit privévermogen heeft geïnvesteerd in de Woning, zodat in hoger beroep niet (langer) in geschil is dat de Vrouw in ieder geval meer heeft bijgedragen aan de verbouwing van de Woning dan de Man, gelet op de (onbestreden) schatting dat de verbouwing € 210.000 heeft gekost.76. Door deze erkenning niet bij zijn beoordeling te betrekken, heeft het Hof art. 154 lid 1 Rv geschonden en/althans art. 149 Rv, nu als minimumbijdrage aan de verbouwing door de Vrouw € 115.000 is erkend c.q. als feit vaststaat, mede omdat het tussen partijen niet in geschil was dat de Vrouw minstens € 115.000 uit privémiddelen heeft voldaan. Voor zover het Hof aan art. 154 lid 1 Rv in dit verband voorbij is gegaan, is art. 25 Rv miskend en had het Hof deze rechtsgrond ambtshalve moeten aanvullen.
4.2.
Voor zover het Hof het beroep op de erkentenis door de Vrouw niet als grief heeft opgevat, is dat rechtens onjuist. De Vrouw heeft uitdrukkelijk gesteld dat de Man een aanzienlijk deel (€ 115.000) van de investeringen van de Vrouw in de Woning heeft erkend en dat onbegrijpelijk is waarom de Rechtbank77. van oordeel is dat uit de stellingen en processtukken niet valt af te leiden in hoeverre daadwerkelijk privévermogen aan de (verbouwings)uitgaven zijn besteed.78. Daarin ligt een grief tegen dit oordeel van de Rechtbank besloten die het Hof had moeten betrekken bij zijn beoordeling, en door dat niet (kenbaar) te doen heeft het Hof de grenzen van de rechtsstrijd miskend door opnieuw uit te gaan van gelijke bijdragen in de verbouwing van de Woning door partijen.
4.3.
Voor zover het Hof geen toepassing heeft gegeven aan art. 154 lid 1 Rv, voor zover nodig op basis van art. 25 Rv, omdat de Vrouw niet (letterlijk) heeft gesteld dat zij minimaal € 115.000 vanuit privémiddelen heeft geïnvesteerd in de verbouwing, miskent het Hof dat een gerechtelijke erkentenis ook kan zien op een deel van één of meer door de wederpartij gestelde feiten en/of juridische grondslagen en/of het geformuleerde petitum.79. De Vrouw heeft gesteld dat zij een hoger bedrag vanuit privémiddelen heeft voldaan voor de verbouwing80., zodat een erkenning van het mindere ook onder de reikwijdte van art. 154 lid 1 Rv valt.
4.4.
's Hofs oordeel dat uitgegaan moet worden van een gelijke bijdrage door partijen aan de verbouwing is voorts onbegrijpelijk, gelet op de stelling van de Man dat hij € 470.815,18 heeft geïnvesteerd in de Woning, waarvan de aankoopsom van de Woning ad € 383.769,50 onderdeel uitmaakt.81. Dat betekent dat (ook) in het licht van het standpunt van de Man de Vrouw meer heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de Woning dan de Man, omdat uit de Man zijn eigen standpunt voortvloeit dat hij € 87.045,68 (€ 470.815,18 minus € 383.796,50) heeft geïnvesteerd in de woning voor renovatie, en de investering van de Vrouw volgens de Man dan € 122.954,32 (€ 210.000 minus € 87.045,68) bedraagt.
Toelichting Onderdeel 4
4.5.
Art. 154 lid 1 Rv luidt:
‘Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.’
Zo'n erkenning kan enkel worden herroepen bij dwaling of als deze niet in vrijheid is afgelegd (lid 2). Artikel 154 Rv eist dat de erkenning uitdrukkelijk wordt gedaan. Een gerechtelijke erkentenis kan dus alleen worden afgeleid uit verklaringen en gedragingen als deze een uitdrukkelijke erkenning bevatten.82. Deze uitdrukkelijke erkenning moet ondubbelzinnig betrekking hebben op de waarheid van de betrokken stellingen (Life Fit/Life Health).83.
4.6.
In eerste aanleg heeft de Man op twee plaatsen toegegeven dat de Vrouw (in ieder geval) ongeveer € 115.000 heeft geïnvesteerd in de Woning voor de renovatie (verbouwing).84. Tijdens de zitting bij de Rechtbank d.d. 7 september 2022 constateert de rechtbank ook letterlijk: ‘De moeder zegt dat zij 172.000 euro heeft geïnvesteerd en daarvan erkent de vader 115.000 euro. Dat laatste staat dus vast. En dat verschil? Wat is dat? Wanneer is dat geïnvesteerd?’. Het partijdebat ten aanzien van de vraag welke investeringen zijn gedaan in de verbouwing, en door wie, wordt dan ook bepaald door deze erkenning en het Hof had daarom tot onbestreden uitgangspunt moeten nemen dat (minimaal) € 115.000 door de Vrouw is voldaan ten behoeve van de verbouwing. De discussie over de verbouwingskosten en wie wat daarvan (privé) heeft voldaan had zich moeten toespitsen op het verschil van € 57.000 (172.000 minus 115.000).
4.7.
Het gemis aan respons op deze erkenning klemt temeer omdat in casu de Man op een eenvoudige wijze kan aantonen dat hij de koopsom voor de Woning heeft voldaan, terwijl het bijhouden van investeringen voor de verbouwingen veel lastiger is (hetgeen ook in het algemeen het geval is).85. Met andere woorden: de Man heeft een eenvoudige wedstrijd bij de vergoedingsrechten, de Vrouw niet. Dan is het (nog) belangrijker om rekening te houden met de hoogte van privéinvesteringen waarover partijen in ieder geval niet van mening verschillen.
Conclusie
De Vrouw vordert op grond van dit middel de vernietiging van de Beschikking met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten en om de Man te veroordelen om al hetgeen de Vrouw ter uitvoering van de Beschikking aan de Man heeft voldaan aan de Vrouw terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.
De Vrouw vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenveroordeling wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad
Advocaat
Opgave aantal woorden procesinleiding: 7.730
Bronnenlijst
Wetsgeschiedenis
- —
Besluit van 29 maart 2018, nr. 2018-45958, Stcrt. 2018/18050
- —
Stb. 2017/177
- —
Stb. 2017/178
- —
Kamerstukken I, 2016–2017, 33 987, nr G
- —
Kamerstukken I, 2016–2017, 33 987, nr. C
- —
- —
Kamerstukken II, 2014–2015, 33 987, nr. 11
- —
Kamerstukken II, 2013–2014, 33 987, nr. 3 (MvT)
Jurisprudentie
- —
HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, NJ 2024/83 m.nt. L.C.A. Verstappen
- —
AG Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:132
- —
HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen
- —
HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147
- —
HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156 (Life Fit/Life Health)
Literatuur
- —
Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14
- —
Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023
- —
R.E. Brinkman, ‘De beperkte gemeenschap van goederen: het lot van voorhuwelijkse verkrijgingen, waaronder met name die krachtens erfrecht en gift’, Fiscaal Tijdschrift Vermogen 2023/38
- —
L.M. de Hoog, ‘Rechtbank acht halvering vordering wegens voorhuwelijkse meerinbreng onwenselijk’, JBN 2023/13
- —
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022
- —
A.N. Labohm & A.H.N. Stollenwerck, ‘Schulden en de beperkte gemeenschap van goederen’, EB 2021/77
- —
L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Scheiding deel A 2020
- —
R.E. Brinkman, ‘Enige opmerkingen over privéschulden en gemeenschapsschulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, Fiscaal Tijdschrift Vermogen, 2020/13
- —
R.E. Brinkman, ‘Reactie op J.H. Lieber, ‘De voorhuwelijkse schulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’’, FJR 2019/45
- —
A.R de Bruijn, W.G. Huijgen en B.E. Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019
- —
L.M. de Hoog, ‘De economische gerechtigheid van echtgenoten tot hun voorhuwelijkse gezamenlijke woning’, JBN 2019/1
- —
W.G. Huijgen, ‘Wanneer kan een notariële akte huwelijkse voorwaarden bevatten?’, WPNR 2019/7225
- —
H.J. de Jonge, ‘(Ongelijke) inbreng in gemeenschappelijke woning bij samenwoners’, JBN 2019/48
- —
J.H. Lieber, ‘De voorhuwelijkse schulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, FJR 2019/29
- —
T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What's in a name’, WPNR 2018/7195
- —
G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 154 Rv
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑06‑2024
Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:1409, tevens in EB 2024/49.
Zie Stb. 2017/177 & Stb. 2017/178.
‘Behoren’ tot de gemeenschap in die zin dat zij verhaalbaar zijn op de tot de gemeenschap behorende goederen en dat zij ook door de echtgenoten gezamenlijk worden gedragen, zie L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Scheiding deel A 2020/4.1.2.
Beschikking rov. 3.2.
Beschikking rov. 3.3.
Beschikking rov. 5.9–5.10.
T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What's in a name’, WPNR 2018/7195, p. 426.
Beschikking rov. 5.11.
Beschikking rov. 5.12.
L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Scheiding deel A 2020/4.3.2.
Beschikking rov. 5.10.
Beschikking rov. 3.2 en 5.9.
Kamerstukken II 2015–2016, 33 987, nr. 16, p. 3; Kamerstukken I 2016–2017, 33 987, nr. C, p. 4; Akte uitlating na beschikking Vrouw d.d. 13 december 2022 § 5.4–5.5; Hoger beroepschrift § 2.5, 6.5, 7.32, 7.34 en Grief V.
Kamerstukken I 2016–2017, 33 987, nr. C, p. 3–4; Hoger beroepschrift § 7.34.
Beschikking rov. 3.2 en 5.9.
Beschikking rov. 5.10.
Zoals het Hof wel met juistheid overweegt in rov. 5.8: ‘In de beperkte gemeenschap van goederen vallen gemeenschappelijke bezittingen die partijen al samen hadden en de daarbij behorende schulden’ (onderstreping toegevoegd, adv.).
Beschikking rov. 3.2.
AG Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:132, § 3.20.
Beschikking rov. 5.7 en 5.11.
Initiatiefnemers voor wetgeving zijn evenzeer te beschouwen als wetgever.
Zie Arrest rov. 5.11 (slot).
T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What's in a name’, WPNR 2018/7195, p. 426; B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14 § 1 en 3.2; Kamerstukken I 2016–2017, 33 987, nr. C, p. 4.
Zie expliciet B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14 § 3.1–3.2 en A.N. Labohm & A.H.N. Stollenwerck, ‘Schulden en de beperkte gemeenschap van goederen’, EB 2021/77 § 2.1; zie ook R.E. Brinkman, ‘De beperkte gemeenschap van goederen: het lot van voorhuwelijkse verkrijgingen, waaronder met name die krachtens erfrecht en gift’, Fiscaal Tijdschrift Vermogen 2023/38, § 2 (p. 11).
L.M. de Hoog, ‘De economische gerechtigheid van echtgenoten tot hun voorhuwelijkse gezamenlijke woning’, § 6–7; zie ook T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What's in a name’, WPNR 2018/7195, p. 426.
Arrest rov. 5.11–5.12.
Arrest rov. 5.17. Het gegeven dat deze overwegingen geen onderdeel uitmaken van het het oordeel in rov. 5.7–5.12 over de schuld van de Vrouw aan de Man inzake de Woning maakt in de visie van de Vrouw reeds duidelijk dat het Hof dit niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14 § 3.2.
Zoals dit is toegepast ten aanzien van de schuld van de Man aan de Vrouw, zie Arrest rov. 5.17 (slot).
W.L. Valk & J.J. Valk, T&C BW, commentaar op art. 6:248 BW, § 3d.
Vgl. HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729, NJ 2018/376 m.nt. K.F. Haak, rov. 3.7.2–3.8.1.
Kamerstukken II, 2013–2014, 33 987, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II, 2014–2015, 33 987, nr. 11, p. 3.
L.M. de Hoog, ‘De economische gerechtigheid van echtgenoten tot hun voorhuwelijkse gezamenlijke woning’, JBN 2019/1, § 3 (i).
Kamerstukken II 2015–2016, 33 987, nr. 16, p. 3: ‘Schulden betreffende die goederen [voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen, opm. adv.] worden op grond van de nieuwe formulering van de aanhef van artikel 94, zevende lid, als gemeenschapsschulden aangemerkt.’
Vgl. L.M. de Hoog, ‘Rechtbank acht halvering vordering wegens voorhuwelijkse meerinbreng onwenselijk’, JBN 2023/13, § 2.
L.M. de Hoog, ‘De economische gerechtigheid van echtgenoten tot hun voorhuwelijkse gezamenlijke woning’, JBN 2019/1, inleiding en § 1 & 4.
Beschikking rov. 5.10.
A.R de Bruijn, W.G. Huijgen en B.E. Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019/IIIa.13 & 14.
W.G. Huijgen, ‘Wanneer kan een notariële akte huwelijkse voorwaarden bevatten?’, WPNR 2019/7225, p. 79.
Besluit van 29 maart 2018, nr. 2018-45958, Stcrt. 2018/18050, p. 3: ‘Het ontstaan van een wettelijke gemeenschap van goederen leidt met ingang van 1 januari 2018 in de meeste gevallen niet tot een directe vermogensverschuiving, omdat het vermogen dat de echtgenoten daarvoor in privé bezaten, privé blijft. Dit kan anders zijn als een goed voor het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorde. Door het ontstaan van de wettelijke gemeenschap van goederen gaan dit goed en alle schulden betreffende dit goed tot de ontstane gemeenschap behoren. Dat is bijvoorbeeld het geval als samenwoners gezamenlijk een woning hebben gekocht. Als zij gaan trouwen zonder het maken van huwelijkse voorwaarden omvat de gemeenschap deze woning en de daarop betrekking hebbende schulden. Bij de ontbinding van het huwelijk is dan ieder gerechtigd tot de helft van de woning minus de daarop betrekking hebbende schulden. Deze schulden zijn onder andere de (hypothecaire) schulden die zijn aangegaan voor de aanschaf van de gezamenlijke eigen woning, maar ook bijvoorbeeld de onderlinge schuld tussen de samenwoners die is overeengekomen omdat één van hen tijdens de aanschaf meer eigen vermogen heeft ingelegd.Mij is bekend dat het gemeenschappelijk worden van deze onderlinge schuld ongewenste effecten kan hebben. Dat komt omdat hierdoor de vordering van degene die het meeste heeft ingelegd per saldo lager wordt. Deze verlaging wordt voorkomen door in de huwelijkse voorwaarden op te nemen dat de gemeenschap van goederen niet de onderlinge schuld omvat.’
J.H. Lieber, ‘De voorhuwelijkse schulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, FJR 2019/29, § 2.2.
Kamerstukken I, 33 987, G (nota naar aanleiding van het verslag), p. 10–11.
Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/305: ‘Dat in beginsel alle tijdens het bestaan van de wettelijke gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten in de gemeenschap vallen (art. 1:94 lid 7 aanhef BW) strookt met de ratio achter de gemeenschap; zie nr. [261]. De gemeenschap omvat ook de voor het ontstaan van de gemeenschap door beide echtgenoten gezamenlijk aangegane schulden (‘gemeenschappelijke schulden’), alsmede de schulden die door een van hen ten behoeve van een gemeenschappelijk goed zijn aangegaan (vgl. NvW, Kolkman & Verstappen (red.), Parl, gesch. Moderniseringswetgeving huwelijksvermogensrecht IV 2018/II.2.12; kritisch over dat laatste Kraan & Heijning 2022, nr. 5.2).’
R.E. Brinkman, ‘Enige opmerkingen over privéschulden en gemeenschapsschulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, Fiscaal Tijdschrift Vermogen, 2020/13, § 2.
R.E. Brinkman, ‘Reactie op J.H. Lieber, ‘De voorhuwelijkse schulden in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, FJR 2019/45 § 2.
B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14 § 3.1–3.2.
A.N. Labohm & A.H.N. Stollenwerck, ‘Schulden en de beperkte gemeenschap van goederen’, EB 2021/77 § 2.1; H.J. de Jonge, ‘(Ongelijke) inbreng in gemeenschappelijke woning bij samenwoners’, JBN 2019/48, p. 15.
A.N. Labohm & A.H.N. Stollenwerck, ‘Schulden en de beperkte gemeenschap van goederen’, EB 2021/77 § 1.
Ook gelet op de bekrachtiging van de einduitspraak van de Rechtbank d.d. 26 januari 2023, rov 3.4 en 4.1.
HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, NJ 2024/83 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.1.3; B. Breederveld, ‘Ongelijke inbreng in een voorhuwelijkse gemeenschappelijke woning’, EB 2024/14 § 4.
Einduitspraak rechtbank d.d. 26 januari 2023, rov. 4.4; Arrest rov. 5.10.
Beroepschrift § 7.3–7.4; Proces-verbaal 7 september 2022, p. 9 (advocaat moeder); Akte uitlating na beschikking Vrouw d.d. 13 december 2022 § 5.3; Pleitnota Vrouw zitting Hof 23 november 2023 § 5; Proces-verbaal zitting Hof 23 november 2023, p. 4 (mr. Hendriks); Vgl. T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden: Nomen est omen of What's in a name’, WPNR 2018/7195, p. 426; W.G. Huijgen, ‘Wanneer kan een notariële akte huwelijkse voorwaarden bevatten?’, WPNR 2019/7225, p. 79.
Beroepschrift § 7.3–7.4; HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.3.
Beroepschrift § 4.3, 6.8 en 6.10.
Beschikking rov. 5.13–5.19.
Beroepschrift § 4.10 en 7.38, alsmede petitum onder ‘subsidiair’; Pleitnota Vrouw zitting Hof 23 november 2023, § 2 en 7.
Beroepschrift § 4.3, 6.8 en 6.10.
Verweerschrift p. 13 bij 4.3.
Beschikking rov. 3.4.
Beschikking rov. 5.15.
Beroepschrift § 4.3 en 6.8.
Beroepschrift § 3.9.
Proces-verbaal zitting Hof 23 november 2023 p. 5.
Zie pleitaantekeningen Man zitting Hof 23 november 2023, p. 2 onder ‘Raborekening’.
HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, rov. 3.3.2.
Beroepschrift § 6.10; Brief 8 februari 2022 akte uitlaten tussenbeschikking § 28; Pleitnota Vrouw zitting Hof 23 november 2023 § 3.
Zie ook Beroepschrift § 4.10.
Proces-verbaal 7 september 2022 p. 9, 13–14.
Beschikking rov. 5.14.
Eindbeschikking Rechtbank rov. 3.5.
Beroepschrift § 6.10.
Proces-verbaal 7 september 2022 p. 9; Akte uitlaten beschikking 13 december 2022 § 7.9; Beroepschrift § 4.10 en 7.38.
Brief 8 februari 2022 akte uitlaten tussenbeschikking § 26.
HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156 (Life Fit/Life Health), rov. 3.4.3.
Brief 8 februari 2022 akte uitlaten tussenbeschikking § 28; Proces-verbaal 7 september 2022 p. 9, 13–14.
Beroepschrift § 7.5; Pleitnota Vrouw zitting Hof 23 november 2023 § 4.