Zie pleitnotities, p. 1-23.
HR, 13-02-2026, nr. 24/00336
ECLI:NL:HR:2026:179
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-02-2026
- Zaaknummer
24/00336
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:179, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:875
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1000
ECLI:NL:PHR:2025:875, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:179
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0068
Uitspraak 13‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Witwassen van woning, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten criminele herkomst van de in woning geïnvesteerde geldbedragen en wetenschap van verdachte. 2. Motivering opgelegde geldboete (€ 50.000). HR maakt n.a.v. CAG opmerkingen over oplegging van geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ (ontneming) van het door verdachte i.v.m. bewezenverklaard feit verkregen voordeel. Is geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel toegestaan? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kunnen oordelen dat in 2001 vastgestelde WOZ-waarde van woning geen irreële overschatting was van marktwaarde van woning op dat moment. Verder heeft hof o.b.v. algemene ervaringsregels mogen aannemen dat verdachte in haar hoedanigheid van eigenaar en gebruiker van pand rechtstreeks betrokken is geweest bij belangrijke beslissingen omtrent verbouwing en inrichting ervan en enig inzicht had in hoe investering in haar pand werd gefinancierd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter. Bij keuze voor oplegging van geldboete en bij bepalen van hoogte daarvan mag rechter verschillende factoren betrekken, zoals aard en ernst van feit alsook gevolgen van delict. Daarbij kan feitenrechter ook betekenis toekennen aan omstandigheid dat verdachte met bewezenverklaard feit financieel voordeel heeft behaald, en/of aan omstandigheid dat verdachte bewezenverklaard feit heeft begaan met oog op behalen van dat voordeel. Ook staat geen rechtsregel eraan in de weg dat rechter de hoogte van geldboete (mede) bepaalt aan de hand van omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel (vgl. HR:2012:BW3684 en HR:2019:594). Als feitenrechter deze factor betrekt bij bepalen van hoogte van de op te leggen geldboete, moet uitspraak in voldoende mate inzicht bieden in wijze waarop omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel is geschat. Dit is i.h.b. van belang als rechter met oplegging van geldboete beoogt (deel van) uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel te ontnemen. Voorkomen moet immers worden dat hetzelfde voordeel dubbel wordt ontnomen, eerst via opgelegde geldboete en daarna via oplegging van ontnemingsmaatregel (vgl. HR:2016:874 en HR:2020:1211). Motiveringsplicht van art. 359.5 Sv om ‘i.h.b. redenen op te geven die straf hebben bepaald’ strekt mede ertoe te waarborgen dat rechter in uitspraak hiervoor genoemd inzicht biedt. Voor beoordeling van begrijpelijkheid van oplegging van geldboete en wijze waarop daarbij in voorkomend geval omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel is betrokken, is o.m. van belang wat op zitting aan de orde is gesteld en wat uit bewijsvoering en strafmotivering blijkt over (vermoedelijke) omvang van dat voordeel en daarvoor relevante f&o. Verdediging moet in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die f&o uit te laten. I.v.m. mogelijk op strafzaak volgende ontnemingszaak merkt HR op dat reparatoir karakter van ontnemingsmaatregel meebrengt dat onder ‘uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van geldbedrag ter ontneming van w.v.v.’ in art. 36e.10 Sr mede wordt begrepen geldboete die (deels) is opgelegd o.g.v. overweging dat met voldoening van geldboete (deel van) w.v.v. aan betrokkene komt te ontvallen. Rechter in ontnemingsprocedure houdt daarom bij vaststelling van betalingsverplichting rekening met oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete. Als rechter in strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar rechter in ontnemingszaak (gelet op hoogte van opgelegde geldboete of anderszins) aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel dient, dan is rechter in ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij vaststelling van betalingsverplichting. Opvatting dat oplegging van geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel niet is toegestaan, is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. motivering opgelegde geldboete. Samenhang met 23/01961 en 23/01964.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00336
Datum 13 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2024, nummer 23-000421-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 14.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een geldboete van € 50.000.
3.2
Het hof heeft de verdachte voor witwassen veroordeeld tot onder meer een geldboete van € 50.000, subsidiair 285 dagen hechtenis. Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan witwassen door te wonen in – en het genot te hebben van – een stolpboerderij die (in 1999/2000) is verbouwd met crimineel vermogen. Met haar handelen heeft de verdachte geprofiteerd van crimineel geld en ook opbrengsten van misdrijf onttrokken aan het zicht van justitie en de Belastingdienst. Dat levert een bedreiging op van de legale economie en vormt een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Door het handelen van personen als de verdachte wordt het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Daarbij komt dat het voor het oog van de samenleving lijkt alsof misdaad loont. Witwassen is daarmee een ernstig feit, dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit in diverse vormen, en om die reden de rechtsstaat ondermijnt.
Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat zij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Kennelijk ziet zij daarvan het laakbare niet in. Dit spreekt in het nadeel van de verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 december 2023, waaruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
(...)
Het hof is van oordeel dat gelet op de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de advocaat-generaal gevorderd) niet wenselijk is. Gelet op de lange periode – ruim acht jaar – waarin de verdachte van de verbouwde boerderij heeft geprofiteerd alsmede de omvangrijke bedragen die daarmee gemoeid waren, is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geldboete van € 50.000,- in beginsel een passende en geboden bestraffing is. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.”
Aan de beoordeling van het cassatiemiddel voorafgaande opmerkingen
3.3
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal merkt de Hoge Raad het volgende op over de oplegging van een geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ – dat wil zeggen: ontneming – van het door de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel.
3.4.1
In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna ook: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. (Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975).
3.4.2
Bij de keuze voor de oplegging van een geldboete en bij het bepalen van de hoogte daarvan mag de rechter verschillende factoren betrekken, zoals de aard en de ernst van het feit alsook de gevolgen van het delict. Daarbij kan de feitenrechter ook betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de verdachte met het bewezenverklaarde feit financieel voordeel heeft behaald, en/of aan de omstandigheid dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan met het oog op het behalen van dat voordeel.
3.4.3
Ook staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de rechter de hoogte van een geldboete (mede) bepaalt aan de hand van de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel (vgl. ook, in enigszins andere bewoordingen, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684 en HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594). Als de feitenrechter deze factor betrekt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete, moet de uitspraak in voldoende mate inzicht bieden in de manier waarop de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel is geschat. Wanneer de rechter met de oplegging van de geldboete beoogt (een deel van) het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel te ontnemen, moet immers worden voorkomen dat hetzelfde voordeel dubbel wordt ontnomen, te weten eerst via een opgelegde geldboete en daarna via de oplegging van een ontnemingsmaatregel (vgl. ook, in verband met de verbeurdverklaring, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1211).
3.4.4
De motiveringsplicht van artikel 359 lid 5 Sv om ‘in het bijzonder de redenen op te geven die de straf hebben bepaald’ strekt mede ertoe te waarborgen dat de rechter in de uitspraak het onder 3.4.3 genoemde inzicht biedt. Voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van de oplegging van een geldboete en de wijze waarop daarbij in voorkomend geval de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel is betrokken, is onder meer van belang wat op de zitting aan de orde is gesteld en wat uit de bewijsvoering en de strafmotivering blijkt over de (vermoedelijke) omvang van dat voordeel en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden. De verdediging moet in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten.
3.5.1
In verband met een mogelijk op de strafzaak volgende ontnemingszaak verdient het volgende opmerking. Het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel brengt mee dat onder ‘uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ in artikel 36e lid 10 van het Wetboek van Strafrecht mede wordt begrepen een geldboete die (deels) is opgelegd op grond van de overweging dat met de voldoening van de geldboete (een deel van) het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene komt te ontvallen. De rechter in de ontnemingsprocedure houdt daarom bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening met de oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete.
3.5.2
Als de rechter in de strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar de rechter in de ontnemingszaak – gelet op de hoogte van de opgelegde geldboete of anderszins – aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van een geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel dient, dan is de rechter in de ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij de vaststelling van de betalingsverplichting.
Beoordeling van de zaak
3.6
Het cassatiemiddel steunt op de opvatting dat de oplegging van een geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel niet is toegestaan. Het voert daartoe aan dat, nu door het openbaar ministerie is aangekondigd dat een ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt, een eventuele ontnemingsmaatregel niet dan wel onvoldoende zal kunnen worden afgestemd op de door het hof opgelegde geldboete. Gelet op wat onder 3.4 en 3.5 is vooropgesteld, gaat het cassatiemiddel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het cassatiemiddel faalt daarom.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout, T.B. Trotman, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2026.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Witwassen. Falende middelen over (1) de motivering van de bewezenverklaring en (2) de strafoplegging (art. 81 RO). Slagend middel (3) over de oplegging van een ‘afroomboete’. Beschouwingen over de toelaatbaarheid van afroomboetes. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/01961 en 23/01964.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00336
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 1 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “witwassen” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis, en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een, voor dit cassatieberoep niet relevante, beslissing genomen over het beslag.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/01961 en 23/01964. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
4. Het eerste middel bevat een klacht over de motivering van de bewezenverklaring, te weten dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de contante betalingen uit enig misdrijf afkomstig zijn, laat staan dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad. Het tweede en het derde middel bevatten klachten over de strafoplegging.
De bewezenverklaring
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [plaats] , gemeente [...] , van een woning gelegen aan de [a-straat 1] , gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
Het verweer van de verdediging
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities.
7. Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat in deze zaak geen vermoeden van witwassen bestaat, dat de herkomst van het geld dat aan de woning is besteed, is verantwoord en niet van misdrijf afkomstig is,1.en dat – als er al gelden zijn geïnvesteerd die van misdrijf afkomstig zijn (wat volgens de verdediging dus niet kan worden bewezen) – de verdachte daarvan in elk geval niets afwist.2.Tegen deze achtergrond heeft de verdediging dan ook verzocht de verdachte vrij te spreken van witwassen.
Het oordeel van het hof
8. Het arrest van het hof d.d. 1 februari 2024, met daarin een omschrijving van de verweren van de verdediging, houdt onder meer het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“Verwijt
Aan de verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 17 december 2015 gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna ook wel de (stolp)boerderij) waarin ‘crimineel geld’ was geïnvesteerd, hetgeen zij wist of moest vermoeden. Daarbij gaat het om de kosten van de verbouwing van de woning in de periode 1999-2000 voor zover die meer hebben bedragen dan het door de verdachte aan de Belastingdienst opgegeven bedrag van ƒ 200.000,-. Het onderzoek in onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd dat de verbouwing – en daarmee dus de woning – gefinancierd is met geld dat van een bepaald misdrijf afkomstig is.
(…)
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Primair stelt de raadvrouw zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vermoeden van witwassen. Er is niet meer vermogen in de verbouwing van de woning geïnvesteerd dan op 26 februari 2000 bij de Belastingdienst is opgegeven, namelijk ƒ 200.000,-. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat als wordt aangenomen dat er wel meer geld in de woning is geïnvesteerd, dit geen geld betreft dat van misdrijf afkomstig is. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, ook al zou sprake zijn van een investering van onverklaarbaar vermogen in de verbouwing van 1999-2000, de verdachte geen wetenschap heeft gehad van een criminele herkomst van dat geld.
Stappenplan witwassen
Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.
Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze een vermoeden van een criminele herkomst van het in de woning geïnvesteerde geld rechtvaardigden. Indien dit zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van geld of goederen.
Oordeel van het hof
Indachtig het hiervoor geschetste beoordelingskader zal dus allereerst moeten worden beoordeeld of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit het dossier blijkt, sprake was van een vermoeden van witwassen.
Relevante feiten en omstandigheden
De verdachte heeft de stolpboerderij met bijbehorende grond aan de [a-straat 1] in [plaats] op 11 december 1998 gekocht voor een bedrag van f 420.000,- (omgerekend € 190.587,-). In het onderzoek naar de verdachte wordt deze aankoop als een legale transactie beschouwd, en het hof zal daar ook van uitgaan. De woning is vervolgens in de periode 1999-2000 verbouwd. Met ingang van 26 oktober 2000 stond de verdachte ingeschreven op genoemd adres. Op 13 april 2000 heeft [betrokkene 2] van de verdachte de onverdeelde helft van het perceel met woning gekocht, hetgeen door [betrokkene 2] op 6 februari 2006 is doorverkocht aan [betrokkene 3] , de dochter van de verdachte. De verdachte heeft na de verbouwing in de woning gewoond tot deze op 30 december 2014 door brand is vernietigd.
De verdachte heeft naar aanleiding van vragen van de Belastingdienst bij brief van 22 februari 2000 aangegeven dat de totale (ver)bouwkosten ongeveer ƒ 200.000,- (omgerekend € 90.756,-) hebben bedragen, en daarbij vermeld dat bepaalde werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd. De verdachte heeft daarbij stukken aan de Belastingdienst toegestuurd. Uit de ‘Wijze van financiering’ (bijlage 2) volgt dat de ‘Totale bouwkosten’ van ƒ 200.000,- voor ƒ 90.000,- uit eigen geld worden gefinancierd en voor ƒ 110.000,- door een tweede hypotheeklening. Deze laatste hypotheeklening blijkt echter, zo volgt uit het dossier, verstrekt te zijn aan [betrokkene 2] voor haar aankoop van de helft van [a-straat 1] in april 2000 en overigens betreft het een bedrag van f 109.000,-. Wat daarvan verder ook zij, ook deze investering van in totaal ƒ 200.000,- wordt in het onderzoek als legaal bestempeld, en het hof zal daar ook van uitgaan.
Op 2 februari 2000 (datum van opname) is de stolpboerderij getaxeerd op een bedrag van f 550.000,- (omgerekend € 249.579,-). Uit het taxatierapport volgt dat de boerderij op dat moment ‘in verbouwing en nog totaal niet geschikt voor bewoning’ was.
Vervolgens is bij kennisgeving gedagtekend 15 juni 2001 de waarde van de woning als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken met ingangsdatum 1 januari 2001, voor de periode 2001-2005 door de gemeente [...] vastgesteld op € 657.073,- ofwel ƒ 1.448.000,-. Op grond van het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) betreft dit de waarde – na verbouwing – per 1 januari 2001.
Vermoeden van witwassen
Niet is gebleken dat van de zijde van de verdachte bezwaar is gemaakt tegen de destijds per 1 januari 2001 vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op het feit dat de WOZ-waarde de basis vormt voor het vaststellen van gemeentelijke belastingen en ook voor het eigen woningforfait in de inkomstenbelasting, zou het in de rede hebben gelegen dat dit door de verdachte was gedaan in het geval die waarde naar haar idee (veel) te hoog zou zijn vastgesteld. Het hof beschouwt om die reden de WOZ-waarde als een reële indicatie van de waarde van de woning na de verbouwing. Uitgaande van voornoemde WOZ-waarde stelt het hof dan ook vast dat sprake is geweest van een aanzienlijke waardestijging van de woning (van kennelijk bijna één miljoen gulden), welke waardestijging niet (uitsluitend) kan worden toegeschreven aan het weer bewoonbaar worden van de woning (ten opzichte van de taxatie per 2 februari 2000) dan wel de marktontwikkeling zoals door de verdediging is gesteld. Uit het ter zake door de verbalisant [verbalisant] gedane onderzoek naar de lokale woningmarkt blijkt wel dat er in die periode sprake is geweest van een prijsstijging. In het eerste kwartaal van het jaar 2000 was de mediane transactieprijs voor vrijstaande woningen in de regio West Friesland € 250.000,-. De mediane transactieprijs was in het eerste kwartaal van het jaar 2001 € 280.000,-. Dit betekent een stijging van 12%. De forse waardestijging van de stolpboerderij is daarmee voor een deel te verklaren door de door de verdediging aangevoerde reden. Dit laat onverlet dat dit geen verklaring biedt voor de gehele waardestijging van de boerderij (van bij benadering bijna ƒ 900.000,- (ƒ 1.448.000,- minus ƒ 550.000,-), zodat het hof van oordeel is dat de verbouwing van de stolpboerderij een significante rol heeft gespeeld bij die stijging en derhalve dat het geïnvesteerde geld meer moet hebben bedragen dan de door de verdachte opgegeven ƒ 200.000,-. Aldus is er een vermoeden dat de boerderij [a-straat 1] te [plaats] zoals die was na de verbouwing in 1999/2000 mede tot stand is gebracht door onverklaard vermogen, hetgeen een vermoeden van witwassen oplevert.
Beoordeling gegeven verklaring
Van de verdachte mag dan een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor deze waardestijging die de door haar genoemde investering van ƒ 200.000,- overschrijdt worden verlangd. De verdachte zelf heeft (over de verdenking) in deze strafprocedure in het geheel geen verklaring afgelegd; bij de politie heeft zij zich op haar zwijgrecht beroepen, terwijl zij in eerste aanleg noch in hoger beroep ter terechtzitting is verschenen.
Haar raadsvrouw heeft gesteld dat naast de geïnvesteerde ƒ 200.000,- veel werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd, zonder dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De verbouwing zou met tweedehands materialen en door vriendendiensten tot stand zijn gekomen. Dat heeft zij onderbouwd met stukken die eerder aan de Belastingdienst zijn overgelegd.
Het hof stelt voorop dat op grond van deze stukken kan worden vastgesteld dat in de genoemde ƒ 200.000,- (onder meer) de keuken niet is begrepen (gelet op de opmerking ‘later stadium’). Dit betekent in ieder geval dat de keuken niet is betaald van de opgegeven ƒ 200.000,- / € 90.756,-. Uit een proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt naar aanleiding van de opbouw/renovatie van de stolpboerderij, leidt het hof af dat de keuken tussen de ƒ 33.000,- en ƒ 48.000,- heeft gekost, een bedrag waarvan de herkomst derhalve onbekend is gebleven.
Ook als wordt uitgegaan van de stelling van de verdediging (onderbouwd met bovengenoemde stukken) dat veel werkzaamheden voor de verbouwing (deels) in eigen beheer zijn uitgevoerd – aannemer, metselaar, timmerman, schilder en/of behanger, elektra en sanitair – stelt het hof vast dat er in ieder geval, daarnaast, nog sprake moet zijn geweest van forse uitgaven op het gebied van materiaal. [betrokkene 1] , een beëdigd makelaar, heeft de stolpboerderij als makelaar in de verkoop gehad, in de periode rondom 29 mei 2012, overigens voor een bedrag van € 1.350.000,- (f 2.975.008,50). Zij verklaarde dat zij nog nimmer een woning had gezien die zo solide was afgewerkt, dat er dure materialen zijn gebruikt, de badkamer verschillende baden en douches heeft en er een inpandig café is. Het is, aldus de makelaar, “teveel om op te noemen en natuurlijk is dat van invloed op de vraagprijs”. Ook verklaarde zij: “Ik denk dat de hele boerderij is gerenoveerd. Alles was nieuw aangelegd. Ik ben bekend met andere boerderijen in [plaats] en deze boerderij was geheel gerenoveerd”. Dit strookt niet met hetgeen door de verdachte aan de Belastingdienst is doorgeven of verder is aangevoerd, namelijk dat sprake zou zijn van veelal tweedehands, ‘gestruind’ materiaal dat nauwelijks iets zou hebben gekost. Dat dergelijk materiaal, waarmee in 1999/2000 zou zijn gewerkt, in 2012 nog steeds een dergelijke uitstraling zou hebben, acht het hof onaannemelijk.
Het voorgaande kan als volgt in cijfers worden uitgedrukt. De stolpboerderij was op 2 februari 2000 getaxeerd voor een waarde van ƒ 550.000,-, waarbij werd geconstateerd dat de woning in de staat van dat moment niet kon worden bewoond. Door de waardestijging van vrijstaande woningen in de markt, die reeds is vastgesteld op 12%, zou de woning op 1 januari 2001 – in niet afgebouwde staat – ongeveer ƒ 616.000,- waard zijn geweest. De waarde werd echter (voor de WOZ, dus niet voor de verkoop) getaxeerd op ƒ 1.448.000,-. Ten opzichte van 2 februari 2000 is de woning in afgebouwde staat (ongeveer, in aanmerking nemend dat een WOZ-waarde alleen een indicatie voor de werkelijke waarde is) ƒ 832.000,- meer waard geworden. In de verkoopbrochure van de woning (uit 2012) zijn enkele foto’s opgenomen van het interieur van het huis, waaruit duidelijk de door [betrokkene 1] genoemde luxe uitstraling blijkt. Dat één en ander, naast de geïnvesteerde ƒ 200.000,-, is tot stand gebracht door louter het gebruik van tweedehands materialen – die overigens ook geld kosten, terwijl van dergelijke aankopen niet is gebleken – enerzijds, en werkzaamheden in eigen beheer anderzijds acht hof, gezien het voorgaande, ongeloofwaardig.
Het hof is van oordeel dat bij benadering een bedrag van ten minste meerdere tonnen in guldens dan wel euro’s, als onverklaarbaar vermogen moet worden aangemerkt, nu het bewijsvermoeden van witwassen niet is ontzenuwd.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in de ten laste gelegde periode gebruik heeft gemaakt (tot en met het afbranden van de stolpboerderij) van een na verbouwing luxueus afgewerkte stolpboerderij, waarbij het niet anders kan dan dat (een deel van) die verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf is bekostigd, en de verdachte van de criminele herkomst van dit geld op de hoogte was.”
De bespreking van het eerste middel
9. Het hof heeft samengevat het volgende vastgesteld en op basis daarvan geoordeeld:
- de verdachte heeft de stolpboerderij op 28 december 1998 gekocht voor ƒ 420.000;
- de boerderij is in de jaren 1999/2000 ingrijpend verbouwd;
- begin februari 2000 is de stolpboerderij getaxeerd op een waarde van ƒ 550.000. De boerderij was op dat moment “in verbouwing en nog totaal niet geschikt voor bewoning”;
- de verdachte staat sinds 26 oktober 2000 op het adres van de boerderij ingeschreven en heeft de boerderij bewoond tot deze op 30 december 2014 door brand verloren ging;
- de gemeente heeft de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2001 vastgesteld op ƒ 1.448.000;
- het hof beschouwt de vastgestelde WOZ-waarde als een reële indicatie van de waarde van de woning, nu de verdachte deze WOZ-waarde niet heeft aangevochten;
- de waardestijging (van ƒ 550.000 naar ƒ 1.448.000) kan slechts voor een deel (dat door het hof wordt geschat op ƒ 66.000) worden toegeschreven aan marktontwikkelingen, zodat de waardestijging voor een significant deel (dat door het hof wordt geschat op ƒ 832.000) wordt verklaard door de verbouwing;
- de verdachte heeft in februari 2000 desgevraagd aan de Belastingdienst opgegeven dat de woning is verbouwd voor ƒ 200.000 (uit eigen én geleend geld), met de mededeling dat bepaalde werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd;
- een beëdigd makelaar die de boerderij in 2012 in de verkoop had (voor een bedrag van omgerekend: ƒ 2.975.008,50) verklaarde dat zij nog nimmer een woning had gezien die zo solide was afgewerkt, dat er dure materialen zijn gebruikt, de badkamer verschillende baden en douches heeft en er een inpandig café is. Het is, aldus de makelaar, “teveel om op te noemen en natuurlijk is dat van invloed op de vraagprijs”. Ook verklaarde zij: “Ik denk dat de hele boerderij is gerenoveerd. Alles was nieuw aangelegd. Ik ben bekend met andere boerderijen in [plaats] en deze boerderij was geheel gerenoveerd”;
- de stelling van de verdediging dat de verbouwing (louter) met het gebruik van tweedehandsmaterialen is gerealiseerd, acht het hof in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig. Bovendien blijkt van dergelijke aankopen niet;
- de verdachte heeft zich bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. Ze is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep ter terechtzitting verschenen;
- het hof leidt uit het voorgaande af dat de verbouwing voor een groot deel is gefinancierd met “onverklaarbaar vermogen”;
- het hof oordeelt ten slotte dat “de verdachte gebruik heeft gemaakt van een na verbouwing luxueus afgewerkte stolpboerderij, waarbij het niet anders kan dan dat (een deel van) die verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf is bekostigd, en de verdachte van de criminele herkomst van dit geld op de hoogte was.”
10. Met het middel wordt, blijkens de toelichting daarop, bezwaar gemaakt tegen:
(a). de ontoereikende motivering van de verwerping van het verweer dat de WOZ-waarde niet geschikt is als indicator voor de marktwaarde van het pand vanwege de wijze waarop de gemeente de WOZ-waarde normaliter bepaalt, terwijl niet blijkt dat een WOZ-taxateur de woning heeft geïnspecteerd;
(b). het gebrek aan respons op het verweer dat de verdachte niet zelf bij de in de woning gedane investeringen betrokken is geweest, terwijl uit de bewijsmiddelen het tegendeel niet kan worden afgeleid;
(c). het gebrek aan respons op het verweer dat de verdachte niet wist (of kon vermoeden) dat het geïnvesteerde vermogen uit enig misdrijf afkomstig was, terwijl het bewijs van haar wetenschap van de criminele herkomst van dat vermogen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
11. Naar het mij voorkomt falen deze klachten, en ik zal uiteenzetten waarom.
12. Ad (a). Met de stellers van het middel meen ik dat de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde niet altijd een exacte weerspiegeling is van de actuele marktwaarde van een onroerende zaak. Niettemin wordt met de WOZ-waarde wel degelijk beoogd de waarde van de onroerende zaak in het economische verkeer te benaderen.3.De beschikking waarbij de WOZ-waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld, is vatbaar voor bezwaar en beroep. Aangezien de WOZ-waarde fungeert als grondslag voor de heffing van belastingen door verschillende overheden, kan het de moeite lonen om die beschikking aan te vechten indien de vastgestelde WOZ-waarde de werkelijke marktwaarde overstijgt. Uit de omstandigheid dat de verdachte, als eigenaar en gebruiker van het pand, de vaststelling van de WOZ-waarde niet heeft aangevochten, heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de vastgestelde WOZ-waarde begin 2001 – ook naar de mening van de verdachte – géén irreële overschatting was van de marktwaarde van de stolpboerderij op dat moment. In de redenering van het hof kan met deze gevolgtrekking worden volstaan. Tot een nadere motivering was het hof m.i. ook niet gehouden.
13. Ad (b). Juist is dat het hof omtrent de praktische gang van zaken bij de verbouwing en inrichting van de stolpboerderij geen specifieke vaststellingen heeft gedaan. Het hof heeft echter geconstateerd dat de verdachte in de periode van de aankoop en tot april 2000 de enige eigenaar was van de stolpboerderij, daarna de mede-eigenaar, en dat zij de boerderij na de verbouwing heeft (mede)bewoond tot aan het moment waarop het pand in 2014 door brand verloren ging. Naar het mij voorkomt, heeft het hof op basis van algemene ervaringsregels mogen aannemen dat de verdachte in haar hoedanigheid van (aanvankelijk enig) eigenaar en (aanvankelijk enig) gebruiker van het pand – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – rechtstreeks betrokken is geweest bij belangrijke beslissingen omtrent de verbouwing en inrichting ervan. Dat het hof in de stellingen van de verdediging niet dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel heeft gezien, acht ik niet onbegrijpelijk. Anders dan de stellers van het middel willen, heeft het hof daarbij bovendien in aanmerking mogen nemen dat de verdachte gedurende het voor- en eindonderzoek geen enkele verklaring heeft afgelegd die twijfel kon oproepen aan de toepasselijkheid van de door mij bedoelde algemene ervaringsregel in deze zaak. Kortom, de redenen voor de verwerping van het verweer liggen in de bewijsmotivering besloten.
14. Ad (c). Dezelfde gedachtegang gaat op voor ‘s hofs oordeel dat de verdachte van de criminele herkomst van de geïnvesteerde geldbedragen moet hebben geweten, naar ik begrijp: ten minste in de vorm van voorwaardelijk opzet. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, mocht het hof aannemen dat de eigenaar én de gebruiker van een pand – die (dus) opdrachtgever is van een ingrijpende verbouwing c.q. renovatie ervan (zie (b) hierboven) – enig inzicht heeft in hoe de investering in haar pand wordt gefinancierd. In deze strafprocedure heeft de verdachte evenwel geen verklaring afgelegd die twijfel kon oproepen aan de toepasselijkheid van de door mij bedoelde algemene ervaringsregel in deze zaak.
15. Het middel faalt.
Het tweede middel
16. Met het tweede middel wordt – blijkens de toelichting erop – bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 420bis Sr zoals dat luidde ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest en geklaagd over het verzuim toepassing te geven aan artikel 420bis Sr zoals dat luidde ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen. Het verschil zit ‘m (uitsluitend) in de in deze bepaling opgenomen strafdreiging, die met ingang van 1 januari 2015 is verhoogd van vier jaren naar zes jaren gevangenisstraf.
17. Echter, indien al zou moeten worden aangenomen dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 420bis Sr in de thans geldende redactie, is de door het hof opgelegde straf dermate verwijderd van het strafmaximum van artikel 420bis Sr zoals dat luidde ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen, dat het belang bij het succes van dit middel mij – bij gebrek aan nadere toelichting – ontgaat.4.
18. Hoe dan ook faalt dit middel.
Het derde middel
19. Met het derde middel wordt de oplegging van de aan de verdachte opgelegde ‘afroomboete’ aangevochten.
De strafoplegging
20. Het hof heeft onder meer een geldboete opgelegd van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis. Ter motivering van deze straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen (onderstreping mijnerzijds):
“Het hof is van oordeel dat gelet op de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de advocaat-generaal gevorderd) niet wenselijk is. Gelet op de lange periode - ruim acht jaar - waarin de verdachte van de verbouwde boerderij heeft geprofiteerd alsmede de omvangrijke bedragen die daarmee gemoeid waren, is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geldboete van € 50.000,- in beginsel een passende en geboden bestraffing is. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.”
Een nadere omschrijving van de klacht
21. De door het hof opgelegde geldboete strekt mede ter ontneming van wederrechtelijk voordeel. De stellers van het middel achten dit een schending van het recht aangezien de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld en de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zodoende worden omzeild (dit noem ik hierna: de rechtsklacht). Bovendien is de oplegging van de geldboete ontoereikend gemotiveerd omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in de omvang van de afroomcomponent van de geldboete (dit noem ik hierna: de motiveringsklacht). Daardoor kan de aangekondigde ontnemingsmaatregel niet worden afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete, aldus de stellers van het middel.
Het fenomeen van de afroomboete
Inleiding
22. Bij de oplegging van een geldboete kan de strafrechter op minstens twee manieren rekening houden met voordeel dat de verdachte door middel van, of uit de baten van het bewezen verklaarde feit heeft verkregen. In de eerste plaats kan de rechter met het oog op legitieme strafdoeleinden als generale preventie en vergelding de hoogte van de geldboete relateren aan de omvang van dat voordeel. De verkrijging van voordeel is vaak het motief voor een (vermogens)delict en is daarmee van betekenis voor een beoordeling van de ernst ervan.5.“Een boete die een schijntje is vergeleken met de winsten die door middel van het strafbare feit (kunnen) worden behaald, schrikt niet af en vergeldt evenmin (omdat de verdachte er dan per saldo op vooruitgaat)”, aldus verwoordt Knigge deze notie in een conclusie uit 2010.6.
In de tweede plaats dient de rechter bij het vaststellen van de geldboete – op de voet van artikel 24 Sr – rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Niets belet de rechter om daarbij acht te slaan op vermogensbestanddelen waarover de verdachte (nog) beschikt en die de verdachte wederrechtelijk heeft verkregen.7.Voor de vraag of de verdachte door de geldboete niet onevenredig wordt getroffen in zijn inkomen en vermogen, maakt de herkomst van dat vermogen immers niet uit.8.
23. De oplegging van een geldboete die een legitiem strafdoel dient, kan zodoende tot effect hebben dat de verdachte het door hem behaalde voordeel (geheel of gedeeltelijk) wordt ontnomen. “Maar in dat effect mag de rechtvaardiging van de geldboete niet gezocht worden. Die rechtvaardiging dient primair gevonden te worden in preventie en afschrikking”, aldus wederom Knigge.9.
De geldboete die mede ter ‘afroming’ dient
24. De vraag waartoe het middel aanleiding geeft, is of de rechter een geldboete mag opleggen die geheel of ten dele tot doel heeft om de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Een daartoe strekkende geldboete wordt een ‘afroomboete’ genoemd, en de vraag is dus of die rechtens is toegestaan. Die vraag is niet nieuw. Borgers noemde in 2001 het opleggen van een afroomboete – m.i. met enig gevoel voor understatement – “niet onproblematisch”.10.Niettemin leidde Borgers uit zijn analyse van HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, af dat een tot ontneming strekkende geldboete “mogelijk” is (m.i. valt dat in die uitspraak echter niet te lezen).11.Knigge acht het bezwaar van de oplegging van afroomboetes evident: “zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zouden eenvoudig kunnen worden omzeild.”12.Na zijn analyse van de weinige rechtspraak hierover verdedigt Knigge de opvatting dat een geldboete niet mag worden opgelegd “met het uitsluitende of met het primaire doel” om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.13.Bleichrodt sluit zich bij die opvatting aan.14.
25. De Hoge Raad overwoog in de zaak waarin Bleichrodt concludeerde (HR 16 april 2019):
“Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval - waarin de verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd het witwassen van geldbedragen van in totaal € 16.520,- - het opleggen van een geldboete van € 16.500,- een passende bestraffing vormt. Daarbij heeft het Hof onder meer overwogen dat de "verdachte heeft gehandeld uit financiële motieven" en dat - gelet op de omstandigheid dat "niet is aangekondigd dat tegen verdachte een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt" - het afzien van het opleggen van zo'n geldboete "onvoldoende afschrikwekkend [is] om recidive te voorkomen". Het daarin besloten liggende oordeel dat de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot 'afroming' van het door deze feiten verkregen voordeel, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684).”15.
26. Onlangs gaf a-g Van Wees mede op basis van dit arrest de volgende analyse: “Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad maak ik op dat als met de oplegging van een geldboete (ook) afschrikking, vergelding of een ander redelijk strafdoel worden beoogd, het gevolg daarvan dan mag zijn dat daarmee (ook) het door de bewezenverklaarde feiten verkregen voordeel wordt ontnomen.”16.De Hoge Raad zag geen aanleiding deze analyse te corrigeren en deed de zaak af met artikel 81 lid 1 RO.17.
Onduidelijkheden op basis van deze rechtspraak
27. Mocht uit het voorgaande kunnen worden afgeleid dat de rechtspraak waar het de afroomboete betreft inmiddels klip en klaar is, dan onderschrijf ik dat niet, en wel vanwege het volgende. Allereerst vraag ik aandacht voor het onderscheid tussen enerzijds ‘doel’ en anderzijds ‘(onbedoeld) gevolg’ (van de oplegging van een geldboete). Dat onderscheid loopt nagenoeg parallel met het verschil tussen ‘beoogd effect’ en ‘bijkomend effect’ (van de oplegging van een geldboete). Van Wees geeft in zijn hierboven weergegeven analyse niet exact de overweging van de Hoge Raad in het arrest uit april 2019 weer: de met een geldboete bewerkstelligde voordeelsontneming is in Van Wees’ analyse van de rechtspraak (slechts) “het gevolg” van iets dat een ander doel dient. De Hoge Raad ‘leest’ in de motivering van het hof daarentegen dat de geldboete “mede dient tot ‘afroming’”.18.Maar wat wordt hier dan bedoeld met ‘mede’? Daarnaast is een open vraag wat er nu precies wordt bedoeld met de opvatting ‘dat een geldboete niet mag worden opgelegd met het uitsluitende of met het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen’. Mag de voordeelsontneming ‘met een bijkomend doel’ c.q. ‘subsidiair’ dan wél strekken tot voordeelsontneming? En wat betekenen ‘bijkomend’ en ‘subsidiair’ in dit verband precies?
Gevalscategorieën
28. Om hierover meer duidelijkheid te verkrijgen, onderscheid ik drie categorieën van gevallen waarin de strafrechter rekening houdt met (de omvang van) wederrechtelijk verkregen voordeel, maar waarin een geldboete niet wordt opgelegd met het uitsluitende of met het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Die gevalscategorieën zijn:
(i) De geldboete die door strafrechter wordt opgelegd strekt slechts tot afschrikking en vergelding. Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete neemt de strafrechter – ter bestraffing van de criminele intenties van de verdachte – de omvang van het door de verdachte verkregen voordeel in aanmerking.
(ii) De strafrechter beoogt met de oplegging van de geldboete in z’n geheel een redelijk strafdoel als afschrikking en vergelding. Echter, tevens strekt de oplegging van de geldboete (geheel of ten dele) tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
(iii) De geldboete bestaat in de gedachtegang van de strafrechter uit de som van twee bedragen A en B, waarbij de oplegging van een geldboete voor zover ter hoogte van het bedrag A strekt tot vergelding en afschrikking, en voor zover ter hoogte van bedrag B enkel dient ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hierbij gaat het thans vooral om het onderscheid tussen gevalscategorieën (ii) en (iii).
29. In het geval onder (i) dient de geldboete een redelijk strafdoel, maar is de rechter zich ervan bewust dat die geldboete tevens de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot gevolg heeft (of kan hebben). Weliswaar is de hoogte van de op te leggen boete ‘mede bepaald’ door de omvang van het voordeel dat uit de bewezen verklaarde feiten is verkregen, maar in het effect van voordeelsontneming wordt de rechtvaardiging van de geldboete niet gezocht.
Dit geval is m.i. het minst problematisch en kan worden geschaard onder de door mij hierboven onder randnummer 22 geschetste ‘eerste manier’ waarop de strafrechter rekening kan houden met de verkrijging van wederrechtelijk voordeel.
30. Het geval onder (ii) acht ik (dogmatisch) daarentegen meer problematisch, omdat de geldboete nu mede is bedoeld voor de ontneming van voordeel. Op de vraag waarom dat zo problematisch is, kom ik hieronder terug. Desalniettemin is m.i. in dergelijke gevallen voor cassatie géén reden. De oplegging van de geldboete wordt immers in z’n geheel gelegitimeerd door het redelijke strafdoel dat de strafrechter daarbij óók – wellicht zelfs: primair – voor ogen staat. Dus ook met wegdenking van het ‘subsidiaire’ oogmerk van voordeelsontneming, zou een geldboete van gelijke hoogte zijn opgelegd. Indien zou moeten worden aangenomen dat het de strafrechter niet vrijstaat om met een geldboete tevens voordeelsontneming te beogen (en dat ga ik hieronder inderdaad verdedigen), heeft deze schending van het recht de verdachte in elk geval niet geschaad. Zij kan wat mij betreft door de vingers worden gezien.
31. Ten slotte het meest problematische geval, te weten dat onder (iii). Hierbij dient de geldboete voor een bedrag ter hoogte van A een redelijk strafdoel, en voor een bedrag ter hoogte van B de ontneming van wederrechtelijk voordeel. Daarbij kan het bedrag B dus als afroomcomponent worden beschouwd. Onder geval (iii) schaar ik zowel de zaken waarin de strafrechter het onderscheid tussen A en B in zijn uitspraak uitdrukkelijk maakt, als die waarin de rechter alleen de som van A en B oplegt zonder te expliciteren wat van de afzonderlijke componenten de hoogte is die de strafrechter daarbij in gedachten had.
32. Dat het onderscheid tussen deze categorieën makkelijk vervaagt, laat m.i. de hierboven weergegeven overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 16 april 2019 zien. Het hof had in die zaak duidelijk toepassing gegeven aan geval (i): het hof achtte de geldboete een passende bestraffing en nam bij het opleggen ervan de financiële motieven van de verdachte in aanmerking. Bovendien overwoog het hof dat "niet is aangekondigd dat tegen verdachte een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt" en dat daarom het afzien van het opleggen van een geldboete "onvoldoende afschrikwekkend [is] om recidive te voorkomen". De Hoge Raad overwoog daarop dat dit oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omdat – in mijn woorden – in ’s hofs oordeel de toepassing van geval (i) ligt besloten. So far so good. In één adem stelde de Hoge Raad echter ook vast dat “die boete mede dient tot 'afroming' van het door deze feiten verkregen voordeel”. Daarmee opent de Hoge Raad de deur naar geval (ii) of geval (iii), hoewel dat door het hof vermoedelijk niet zo was bedoeld.
33. De Hoge Raad laat open welke van de twee gevallen, (ii) of (iii), hij precies voor ogen heeft met zijn oordeel dat de geldboete ‘mede mag dienen’ tot afroming van het voordeel dat door de bewezen verklaarde feiten is verkregen. Toepassing van geval (ii) acht ik, zoals gezegd, alleen dogmatisch bezwaarlijk, maar in elk geval geen reden voor cassatie. De pijn zit in de ruimte voor de toepassing van geval (iii).
Het bezwaar van het omzeilen van de ontnemingsprocedure
34. Waarom is geval (iii) het meest problematisch? Ik zou hier kunnen volstaan met te verwijzen naar de beschouwingen van mijn voormalige ambtgenoten Knigge en Bleichrodt. Knigge wijst op het gevaar dat “de normering van de voordeelsontneming zoals die in wet en jurisprudentie gestalte heeft gekregen, op losse schroeven komt te staan.”19.Bleichrodt wijst erop dat (de) “met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel samenhangende materiële en formele waarborgen uit het oog kunnen worden verloren.”20.Het bezwaar kan m.i. ook iets minder omfloerst worden verwoord: waarmee de oplegging van een geldboete met afroomcomponent (een sanctie in de zin van artikel 7 EVRM) gepaard gaat, is dat de verdachte de hem toekomende rechtsbescherming wordt onthouden. De normering van de voordeelsontneming waarvoor de wetgever heeft gekozen, wijkt in een voor de verdachte gunstige zin sterk af van die van de strafoplegging. Dit wettelijke kader van de artikelen 36e Sr en 511b e.v. Sv is door de Hoge Raad in zijn rechtspraak ook nog eens zorgvuldig ingekleurd.
35. Het is goed om andermaal bij enkele van die verschillen stil te staan. De strafrechter is – binnen de wettelijke grenzen – vrij in de keuze van de straf, met inbegrip van de strafsoort en de hoogte van de straf. Bovendien is de strafrechter vrij in de keuze en waardering van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn. Die keuze en waardering behoeven geen motivering. Wel moeten die factoren uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.21.Tenzij de rechter zich ter motivering van de straf beroept op factoren die feitelijk onjuist zijn of niet uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken, zal de oplegging van een geldboete in cassatie slechts zelden worden aangemerkt als onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
36. De omvang van het wederrechtelijke verkregen voordeel moet daarentegen door de ontnemingsrechter worden geschat. Van die schatting moet de ontnemingsuitspraak blijk geven. De feiten en omstandigheden die de ontnemingsrechter aan deze schatting ten grondslag legt, mogen volgens artikel 511f Sv uitsluitend worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Het ook op de ontnemingsuitspraak toepasselijke artikel 359 lid 3 Sv vergt dat de ontnemingsrechter de feiten en omstandigheden die voor de schatting reden geven in zijn uitspraak weergeeft, zulks met verwijzingen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan zij zijn ontleend. Tevens dient de rechter – op niet-onbegrijpelijke wijze – uiteen te zetten hoe daaruit de grootte van het voordeel kan worden afgeleid. ‘Schatten’ betreft dus géén slag in de lucht. ‘Schatten’ behelst een redeneerproces waarbij aan de hand van beperkte uitgangsgegevens methodisch wordt getast naar de omvang van het voordeel dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk is behaald. De voorliggende zaak illustreert het bezwaar van voordeelsontneming buiten de wettelijke kaders om: het hof maakt op geen enkele wijze inzichtelijk wat de gronden zijn voor zijn oordeel dat de verdachte door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde delict voordeel heeft verkregen en wat daarvan de omvang is. Ingeval van witwassen is de verkrijging van voordeel niet vanzelfsprekend en dient de ontnemingsrechter de vaststelling daarvan nader te motiveren.22.Duister is waarom die eis niet ook aan de strafrechter mag worden gesteld ingeval de door hem opgelegde geldboete (voor het delict witwassen) een afroomcomponent bevat.
37. Een niet minder belangrijke vraag is of voordeelsontneming over de band van de strafoplegging beantwoordt aan de eisen van een eerlijk proces. De ontnemingsprocedure is erop gericht de verdachte te informeren over het voornemen om het wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem te ontnemen en hem in staat te stellen zich daarop voor te bereiden en daartegen verweer te voeren. “Die verweermogelijkheden zijn niet reëel en effectief in een situatie waarin de rechter in de hoofdzaak – zonder dat daarover ter terechtzitting een debat plaatsvindt – de geldboete oplegt met het (…) doel om voordeel te ontnemen”, aldus Bleichrodt.23.
Afronding
38. De hiervoor omschreven waarborgen moeten naar mijn inzicht in acht worden genomen in alle gevallen waarin een rechter (mede) de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beoogt. Ik stel mij derhalve op het standpunt dat de rechtspraak van de Hoge Raad, te weten dat de strafrechter een geldboete kan opleggen “die mede dient tot 'afroming' van het door de bewezen verklaarde feiten verkregen voordeel”, primair bijstelling, subsidiair ‘verduidelijking’, en meer subsidiair aanvulling behoeft.
39. Mijn primaire standpunt is het meest richtinggevend. Voordeelsontneming kan wat mij betreft wel het gevolg zijn van, maar geen grond zijn voor de oplegging van een geldboete, ook niet mede of slechts (mede) voor een gedeelte van de geldboete.24.Voor ontneming is de ontnemingsprocedure bedoeld. Toelaatbaar acht ik het geval waarin de strafrechter bij de beoordeling van de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht slaat op de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en waarin de hoogte van de geldboete daarop wordt afgestemd (geval (i)).
40. Mocht de Hoge Raad evenwel van oordeel zijn dat er geen reden is om wijziging aan te brengen in zijn rechtspraak, dan verzoek ik om ‘verduidelijking’ van het oordeel dat het de strafrechter vrijstaat een geldboete op te leggen “die mede dient tot afroming”, in die zin dat (thans) onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds het toelaatbare geval waarin de geldboete géén afroomcomponent bevat en de boete geheel wordt gerechtvaardigd door reguliere strafdoelen (geval (ii)), en anderzijds het ontoelaatbare geval waarin de geldboete wél een (uitsluitend met het oog op ontneming opgenomen) afroomcomponent bevat (geval (iii)).
41. Mocht de Hoge Raad geen reden zien voor deze verduidelijking, dan acht ik het raadzaam dat de Hoge Raad zijn rechtspraak aanvult met de eis dat de strafrechter bij de oplegging van een geldboete met afroomcomponent tot uitdrukking brengt wat van die afroomcomponent de hoogte is en op welke wettige bewijsmiddelen de daaraan ten grondslag liggende vaststelling van de omvang van het wederrechtelijke voordeel is gebaseerd. Bovendien dient het OM de ontnemingsvraag voorafgaande aan de terechtzitting aan te kondigen opdat de verdachte zich daarop tijdig kan prepareren en zich op de zitting daarover kan uitlaten. Indien op de strafzaak nog een ontnemingszaak volgt, zal de ontnemingsrechter – in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaategel – acht dienen te slaan op de afroomcomponent van de opgelegde geldboete en erop moeten toezien dat hetzelfde voordeel niet tweemaal wordt ontnomen.25.
De bespreking van het derde middel
42. Het hof heeft overwogen dat de geldboete “dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel”. Indien de Hoge Raad mij volgt in mijn primaire standpunt, te weten dat het de strafrechter niet vrijstaat om een geldboete op te leggen die (mede) “dient” ter afroming van wederrechtelijk voordeel, slaagt de rechtsklacht van het derde middel.
43. Indien de Hoge Raad mij uitsluitend volgt in mijn subsidiaire of in mijn meer subsidiaire standpunt, faalt de rechtsklacht. De hiervoor aangehaalde overweging geeft alsdan immers géén blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Echter, het hof heeft in het midden gelaten of het toepassing heeft gegeven aan geval (ii) of aan geval (iii). Bij die stand van zaken schiet de – m.i. niet voor verbeterde lezing vatbare – strafmotivering tekort op de grond dat het hof niet kenbaar heeft gemaakt of de geldboete een afroomcomponent bevat, en zo ja geen inzicht heeft gegeven in de omvang daarvan. In dat geval slaagt de motiveringsklacht van het derde middel.
Slotsom
44. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt.
45. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
46. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
Zie pleitnotities, p. 23-27: “Zelfs al zou uw gerechtshof meegaan in de redenering van het onderzoeksteam – dat er meer of ander onverklaarbaar vermogen in de woning is geïnvesteerd dan door mijn cliënte is opgegeven bij de Belastingdienst –, dan nog kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat mijn cliënte, [verdachte] , bij deze investeringen betrokken is geweest. Laat staan dat zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit meerdere vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Als er al gelden zijn geïnvesteerd in de woning die van misdrijf afkomstig zijn – wat gelet op het voorgaande mijn inziens niet kan worden bewezen –, dan wist mijn cliënte daar in elk geval niets van (onderstreping van mijn hand).”
Vgl. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1505; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (Overzichtsarrest art. 80a RO), en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068.
Zie bijvoorbeeld HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684, rov 2.5: “Overwegende dat de op te leggen geldboete 'mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel' heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd. Aldus verstaan geeft dit onderdeel van de strafmotivering niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel in zoverre faalt.” Onderstreping mijnerzijds.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105 m.nt. Schalken, rov. 8.3: “(…). Voorzover het middel daarnaast stelt dat het de rechter niet vrijstaat bij de vaststelling van de draagkracht van de verdachte acht te slaan op vermogensbestanddelen die mogelijk mede door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, berust het eveneens op een onjuiste opvatting.”
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 12.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Bju 2001, p. 79-80.
Borgers citeert HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105 m.nt. Schalken, rov. 8.3. Voor het goede begrip, in die zaak had het hof het volgende overwogen: “Bovendien acht het hof oplegging van een geldboete noodzakelijk, enerzijds uit oogpunt van generale preventie bij delicten van een omvang als de onderhavige, anderzijds om uit een oogpunt van vergelding verdachte daar te treffen waarop het doel van verdachtes onderneming was gericht: het vergaren van (grote) rijkdom ten koste van de (Nederlandse) samenleving. Uit het door (…) het Bureau Financiële ondersteuning (…) opgemaakte proces-verbaal (…), blijkt (…) dat de waarde van verdachtes aandelen in die vennootschap (…) is (…). Het Hof leidt hieruit af dat de kraagkracht van verdachte meer dan voldoende is voor oplegging van een geldboete van na te melden omvang.” Naar aanleiding van klachten hierover overwoog de Hoge Raad (hier volledig weergegeven): “8.3. Het middel steunt op de stelling dat het de rechter niet vrijstaat een geldboete op te leggen in gevallen waarin deze straf door het Openbaar Ministerie niet is gevorderd en het Openbaar Ministerie zijn voornemen tot uitdrukking heeft gebracht een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen. Die opvatting is onjuist. Voorzover het middel daarnaast stelt dat het de rechter niet vrijstaat bij de vaststelling van de draagkracht van de verdachte acht te slaan op vermogensbestanddelen die mogelijk mede door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, berust het eveneens op een onjuiste opvatting.”
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 9.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummers 11-12.
HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Conclusie a-g Van Wees 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:445, randnummer 4.8.
HR 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1054.
Opvallend is ook dat de Hoge Raad in HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594, verwijst naar zijn arrest HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684. In de zaak die leidde tot dat arrest had het hof inderdaad gemotiveerd dat de oplegging van de geldboete ‘diende ter afroming van het voordeel’. De Hoge Raad liet het arrest van het hof in stand, maar na verbeterde lezing van ’s hofs motivering, namelijk door te overwegen dat het hof met de gewraakte motivering tot uitdrukking had gebracht “dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd.” Die verbeterde lezing, die meer aansluit bij de conclusie van Van Wees, ontbreekt in HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummer 12.
HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1361; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.
Vgl. HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821; HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:155; HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:475; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2500; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2501; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2502; HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222, en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummers 12.
Dat is dus – wat mij betreft – anders dan bij de verbeurdverklaring van een voorwerp, ten aanzien waarvan artikel 33a lid 1 sub a Sr wél voorziet in een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor de verbeurdverklaring van voorwerpen die wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen (namelijk voorwerpen “die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen”). Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in een dergelijk geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de veroordeelde in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan hem op te leggen betalingsverplichting, aldus oordeelt de Hoge Raad. Zie HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2106/283 m.nt. Reijntjes; HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1768; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:44; HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1479; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1211; HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:808, NJ 2022/210.
Zie ook M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Bju 2001, p. 384-385, alwaar Borgers verdedigt (met weglating van voetnoten): “De plicht tot het rekening houden met eerdere ontnemingsmaatregelen kan naar mijn mening ook worden opgevat als een tot de rechter gerichte instructie tot afstemming van de ontnemingsmaatregel en eventueel opgelegde afroomboeten. Dit volgt weliswaar niet onomstotelijk uit de letterlijke tekst van art. 36e lid 7 Sr thans lid 10, D.A., maar de principiële onwenselijkheid van een dubbele ontneming biedt voldoende grondslag voor een ruime interpretatie. Of de ontnemingsrechter ook daadwerkelijk in staat is de ontnemingsmaatregel op een afroomboete af te stemmen, is uiteraard wel afhankelijk van de mate waarin de rechter in de hoofdzaak de afroomcomponent in een boete expliciteert. De rechter dient zich bij het formuleren van de strafmotivering hiervan bewust te zijn. Deze verantwoordelijkheid zou eventueel onderstreept kunnen worden door een daartoe strekkende wettelijke motiveringsplicht.”
Beroepschrift 16‑08‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 24/00336
Betekening aanzegging: 5 juli 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240104
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 1 februari 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot geldboete van € 50.000,00 en een taakstraf van 100 uren. In eerste aanleg is de verdachte nog vrijgesproken.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 420bis Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken. In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [a-plaats], gemeente [gemeente], van een woning gelegen aan de [a-straat 01], gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf.
Daartoe heeft het hof overwogen/geoordeeld dat (verkort weergegeven) de verdachte in de ten laste gelegde periode gebruik heeft gemaakt van een na verbouwing luxueus afgewerkte stolpboerderij, waarbij het niet anders kan dan dat (een deel van) die verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf is bekostigd, en de verdachte van de criminele herkomst van dit geld op de hoogte was. Uit het arrest volgt dat het hof de stijging van de waarde van de woning kennelijk slechts heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2001 is vastgesteld op f. 1.448.00,00 (€ 657.073,000). In het licht van hetgeen de rechtbank in eerste aanleg heeft vastgesteld en hetgeen door de verdediging in hoger beroep — met argumenten onderbouwd- heeft aangevoerd schiet de verwerping van de bewijsverweren te kort. Zo is door de verdediging -onbetwist- aangevoerd dat de waardebepaling voor de WOZ door de gemeente voornamelijk plaatsvindt middels marktanalyses van verkooptransacties en aanbiedingen op de markt; door vergelijking via computermodellen de gemeente de waardering bepaalt, aldus de Rijksoverheid in verschillende openbare bronnen en uit het dossier ook niet volgt dat de WOZ-taxateur de woning op enig moment daadwerkelijk voor inspectie heeft bezocht. Dit klemt te meer nu de verdediging er ook op heeft gewezen dat een zeer op de ten laste gelegde woning gelijkende stolpboerderij in dezelfde straat, woonoppervlakte en perceelgrootte en met eveneens een rieten dak, meerdere badkamers en ‘lommerrijk aangelegde tuin met diverse terrassen en jacuzzi’, een ‘uniek tot de verbeelding sprekend onder architectuur verbouwd object met zeer veel extra's en met smaak afgewerkt’ in 2019 met een vraagprijs van EUR 950.000,- van de hand is gedaan.
Voorts heeft het hof niet gerespondeerd op het verweer waarin is aangevoerd dat verdachte niet zelf bij de in de woning gedane investeringen betrokken is geweest laat staan dat zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit meerdere vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Hierbij is van belang dat uit het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen de verdediging aan de hand van getuigenverklaringen heeft aangevoerd blijkt dat de woning deels in 2000 aan mevrouw [betrokkene 2] is verkocht; de heer [betrokkene 4] veel materialen voor de verbouwing heeft gekocht; de contacten met de verbouwers via de vader van mevrouw [betrokkene 2] en anderen verliepen en dat uit geen enkel bewijsmiddel volgt dat verdachte op enig moment betrokken is geweest bij het doen van contante betalingen aan werklieden en het ook volgens de rechtbank niet onaannemelijk is dat zij niet wist hoe dergelijke betalingen werden gefinancierd, laat staan dat zij het wist of moest hebben geweten als deze betalingen een criminele herkomst zouden hebben gehad. Hierbij is niet zonder belang dat niet bewezen is dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en de verdediging ook onweersproken heeft aangevoerd dat mevrouw [betrokkene 2] zelf niet als verdachte is aangemerkt terwijl zij de woning in dezelfde periode heeft bewoond en van de woning gebruik heeft gemaakt.
De verwerping van het verweer/bewezenverklaring is dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 mei 2006 tot en met 17 december 2015, te [a-plaats], gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten, — een woning en/of perceel gelegen aan de [a-straat 01], (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf.’
1.2
In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen/geoordeeld:
‘Vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Aan de verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 17 december 2015 gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] waarin ‘crimineel geld’ is geïnvesteerd hetgeen zij wist of moest vermoeden. Daarbij heeft het openbaar ministerie, zo begrijpt de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter zitting, het oog op de kosten van de verbouwing van de woning in de periode 1999–2000, voor zover die meer hebben bedragen dan het door de verdachte aan de Belastingdienst opgegeven bedrag van (omgerekend) € 90.756,-. In de woorden van het openbaar ministerie is de woning bij deze gelegenheid met crimineel geld omgetoverd in een woonpaleis. Het onderzoek in onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd dat de verbouwing — en daarmee dus de woning — gefinancierd is met geld dat van een bepaald misdrijf afkomstig is.
Daarom zal, indachtig het hiervoor geschetste beoordelingskader, allereerst moeten worden beoordeeld of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit het dossier blijkt, sprake is van een vermoeden van witwassen.
De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. De verdachte heeft de woning met bijbehorende grond aan de [a-straat 01] in [a-plaats] op 11 december 1998 gekocht voor een bedrag van (omgerekend) € 190.587,-. Deze aankoop is in het onderzoek als een legale transactie beschouwd. De woning is vervolgens in de periode 1999–2000 verbouwd. Met ingang van 26 oktober 2000 staat de verdachte ingeschreven op genoemd adres. De verdachte heeft naar aanleiding van vragen van de Belastingdienst bij brief van 22 februari 2000 aangegeven dat de totale bouwkosten ongeveer NLG 200.000,- (omgerekend € 90.756,-) bedragen en daarbij vermeld dat bepaalde werkzaamheden in eigen beheer worden uitgevoerd. Ook deze investering is in het kader van onderhavig onderzoek als een legale investering beschouwd. Op 13 april 2000 heeft de verdachte de onverdeelde helft van de woning verkocht aan [betrokkene 2], die op haar beurt die onverdeelde helft van de woning op 6 februari 2006 heeft verkocht aan [betrokkene 3], de dochter van de verdachte. De verdachte heeft na de verbouwing in de woning gewoond tot deze op 30 december 2014 door brand is vernietigd.
Het standpunt van het openbaar ministerie komt er op neer dat de verbouwing veel meer heeft gekost, namelijk een bedrag van € 962.914,-, waardoor na aftrek van de door de verdachte opgegeven investering een bedrag van € 872.158,- aan onverklaarbare uitgaven overblijft. Hierbij is het openbaar ministerie uitgegaan van een door [A] B.V. in 2015 opgestelde begroting van de herbouwkosten van de woning, welke kosten door het onderzoeksteam zijn geïndexeerd naar het prijspeil van 2000.
De rechtbank overweegt allereerst dat de begrotingen die ter onderbouwing van zijn standpunt door het openbaar ministerie in het dossier zijn gevoegd, in 2015 zijn opgesteld in het kader van het bepalen van de omvang van de schade door de opstalverzekeraar na het afbranden van de woning op 30 december 2014. In het dossier bevinden zich drie rapporten, onder meer van [A] BV (hierna: [A]) en [B] BV (hierna: [B]), waarin de herbouwwaarde van de opstal is begroot, hetgeen in dit geval neerkomt op nieuwbouw van een volledig door brand verwoeste woning vanaf de fundering.
Vervolgens zijn bepaalde kostenposten uit deze begrotingen door een vastgoedspecialist van de politie herberekend naar het jaar 2000 met behulp van door het CBS vastgestelde indexcijfers.
Deze rapporten zijn dus opgesteld met een ander doel dan waarvoor ze nu als onderbouwing worden gebruikt, namelijk het achteraf bij benadering vaststellen van de kosten van een (ingrijpende) verbouwing van een reeds bestaande woning in de periode 1999–2000. Dit leidt ertoe dat bij het gebruik en de interpretatie daarvan de nodige voorzichtigheid moet worden betracht. Zo kan de rechtbank van verschillende in de berekening meegenomen, niet onaanzienlijke, kostenposten — zoals onder andere de kosten van een paalfundering en houten draagconstructie — niet met zekerheid vaststellen dat deze destijds bij de verbouwing van de woning in 1999–2000 ook zijn gemaakt. Ook moet bij de beoordeling van de beide kostenbegrotingen in het oog worden gehouden dat deze op verzoek dan wel in opdracht van de verzekeringnemer [betrokkene 3] (dochter van de verdachte) zijn opgesteld. Bovendien bestaat tussen de in beide rapporten begrote herbouwkosten, gecorrigeerd naar het jaar 2000, een aanzienlijk verschil (€ 962.914,- in rapport van [A] tegenover € 685.330,- in het rapport van [B]).
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier diverse aanwijzingen dat de woning in 1999–2000 ingrijpend en met kwalitatief hoogwaardige materialen is verbouwd, luxe is afgewerkt en dat zeker niet is uitgesloten dat de kosten daarvan meer dan de door de verdachte opgegeven € 90.756,- hebben bedragen. Tegelijkertijd stelt de rechtbank ook vast dat het namens de verdachte ingenomen standpunt dat veel werkzaamheden in eigen beheer zijn gedaan en daarvoor gebruikte of tweedehands materialen zijn gebruikt, eveneens steun vindt in zich in het dossier bevindende stukken en verklaringen van getuigen. Ook bevindt zich in het dossier een verklaring van architect [architect] die in 1999 tekeningen voor de verbouwing heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat de uitvoeringskosten op basis van zijn tekening — als totale aanneemsom en, naar de rechtbank begrijpt, dus zonder rekening te houden met uitvoering van werkzaamheden in eigen beheer — zouden uitkomen op circa NLG 350.000,- (omgerekend € 158.823,-), maar dat het wellicht ook mogelijk zou zijn dit voor het door de verdachte opgegeven bedrag van NLG 200.000,- (omgerekend € 90.756,-) te bewerkstellingen.
Dit alles leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank op grond van de zich het dossier bevindende onderzoeksresultaten onvoldoende is komen vast te staan wat — bij benadering — de verbouwingskosten van de woning in 1999–2000 zijn geweest en dat sprake is van het door het openbaar ministerie aangeduide ‘gat’ van € 872.158,- aan onverklaarbare uitgaven
Dat ook een indexering van de waarde van de woning in 2000 gebaseerd op de vraagprijs van 1.350.000,- in 2012, volgens het openbaar ministerie op een veel grotere investering duidt dan door de verdachte is opgegeven, doet daaraan evenmin af. Naast de hiervoor genoemde argumenten (zoals het uitvoeren van werkzaamheden in eigen beheer en de inschatting van architect [architect]) is daarbij relevant dat het uitgangspunt van de indexering de (veronderstelde) vraagprijs bedroeg terwijl de woning niet voor die prijs is verkocht en na 2000 een aanzienlijk stuk tuingrond is bijgekocht. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van feiten en omstandigheden die een vermoeden van witwassen van het genoemde bedrag rechtvaardigen. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde witwassen, zodat zij hiervan zal worden vrijgesproken.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige door de raadsvrouw naar voren gebrachte bewijsverweren geen bespreking meer.’
1.3
Tegen het vonnis heeft de Officier van Justitie hoger beroep ingesteld, In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2024 is onder meer gerelateerd:
‘Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsvrouw als volgt:
(…)
U vraagt mij of er ooit bezwaar is aangetekend tegen de vastgestelde waarde van de stolpboerderij op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-waarde). Nee, niet dat ik weet. Ik hoor u zeggen dat de WOZ-waarde niet zou kloppen volgens de verdachte. De waarde van een woning kan op meerdere manieren worden bepaald. De WOZ-waarde komt voor rekening van de gemeente.
(…)
De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en doet dit aan de hand van haar pleitnotities. Deze worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. Voorafgaand voert zij aan:
- —
(…)
de tuin is pas in juli 2003 aangelegd. Tevens valt de aangekochte grond door mevrouw [betrokkene 3] niet binnen de tenlastegelegde periode;
- —
goederen uit 2014/2015 kunnen moeilijk redengevend zijn voor de periode 1999-2000;
- —
cliënte had bij de Belastingdienst opgegeven dat ze nog spaargeld had na de verbouwing. Er was inkomen en dus ook spaargeld.
(…)’
1.4
In de pleitnotities1. is onder meer aangevoerd:
‘Verzoek om vrijspraak — geen vermoeden van witwassen: niet van misdrijf afkomstig
- —
In eerste aanleg is de verdenking door de rechtbank geformuleerd als de vraag of vastgesteld kan worden dat er meer geld is geïnvesteerd in de verbouwing van de woning dan het door mijn cliënte opgegeven bedrag bij de Belastingdienst. In het verlengde van die vraag ligt de vraag hoe veel meer dan.
Wat is de hoogte van het bedrag waarvan dan in het geval van een vermoeden van witwassen aan mijn cliënte kan worden verlangd om over de herkomst daarvan te verklaren?
- —
Het standpunt van de verdediging was — al sinds de rekestenprocedure in 2015- en is dat er niet meer geldelijk vermogen in de verbouwing van de woning is geïnvesteerd dan al is opgegeven bij de Belastingdienst op 26 februari 2000. En dat het Openbaar Ministerie er niet in is geslaagd om haar stelling dat de verbouwing ‘veel meer’ heeft gekost met concrete feiten en omstandigheden te onderhouwen. Dat er — met andere woorden — geen vermoeden van witwassen bestaat. En dat de herkomst van het geld dat is besteed, is verantwoord en niet van misdrijf afkomstig is.
- —
Daarbij komt dat ook het OM zelf niet weet ‘hoeveel meer’ er dan geïnvesteerd zou zijn. Concrete bedragen zijn niet ten laste gelegd. In plaats daarvan is geprobeerd om een vermoeden van witwassen te baseren op een schatting aan de hand van cijfers en berekeningen die daarvoor niet geschikt zijn. Ook de officier van justitie merkte in eerste aanleg op dat in strafrechtelijke zin het A exacte bedrag van de waarde van de verbouwing niet exact vast te stellen is (requisitoir, p. 25). De officier van justitie en de advocaat-generaal zijn het kennelijk niet met elkaar eens over het vermeende illegale vermogen: de officier stelt vast een bedrag van acht ton en de advocaat- generaal komt uit op zeven ton. Hoe kan dan gesproken worden van een vermoeden van witwassen waarover mijn cliënte zou moeten verklaren? In de kern is dat ook het bezwaar van de rechtbank tegen een veroordeling geweest.
In eerste aanleg zijn door de verdediging — primair, subsidiair en meer subsidiair — een drietal bewijsverweren gevoerd. De rechtbank meende gelijk het primair gevoerde verweer dat er — kort gezegd — geen sprake is van een vermoeden van witwassen en sprak mijn cliënte vrij. Ik zal uw gerechtshof verzoeken om dat opnieuw te doen, primair om dezelfde reden, subsidiair en meer subsidiair om redenen waartoe de rechtbank niet kwam om die te beoordelen, namelijk dat het geld dat wel in de woning is geïnvesteerd niet van misdrijf afkomstig is en zelfs al zou uw gerechtshof oordelen dat er wel onverklaarbaar vermogen in de verbouwing zou zijn geïnvesteerd mijn cliënte mevrouw [verdachte] daar geen wetenschap van heeft gehad.
1. Geen vermoeden van witwassen + niet van misdrijf afkomstig
- —
In eerste aanleg en ook in de appelschriftuur is door de officier van justitie meermaals het verwijt gemaakt dat mijn cliënte in de strafzaak geen verklaring afgelegd zou hebben.
- —
Op 26 augustus 2015 werd mijn cliënte door het Openbaar Ministerie aangemerkt als verdachte van witwassen. Op 19 oktober 2015 werd zij voor de eerste keer door de politie verhoord. Aan haar werden vragen gesteld over haar inkomsten en hoe zij aan de middelen is gekomen om de [a-straat 01] te kunnen financieren. Bij deze gelegenheid beriep cliënte zich op haar zwijgrecht, maar op 19 november 2015 werd in toelichting op een ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv door en namens cliënte uitvoerig en gedocumenteerd uitleg gegeven over hoe de aankoop van de woning en de verbouwing daarvan waren gefinancierd. Mevrouw [verdachte] was ook aanwezig tijdens die rekestenzitting en beantwoordde in raadkamer vragen van de rechtbank. Omdat het om een rekestenprocedure ging is er geen proces-verbaal van die zitting gemaakt, maar de stelling dat er door cliënte op geen moment een verklaring zou zijn afgelegd wordt absoluut betwist. Het vervolg van het opsporingsonderzoek en de inhoud van het zaaksdossier richtten zich vervolgens zelfs volledig op de stellingnames van de verdediging. Zie pagina 25 van het loopproces-verbaal: ‘Stellingname advocaat verdachten’.
U, voorzitter, zegt dat waar het vereiste van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring betreft, er een verschil is tussen de stellingname van de verdediging en de verklaring van de verdachte. Ik weet niet of de eis wordt gesteld dat de verdachte zélf moet verklaren of dat dit bij monde van de verdediging kan. Hoewel cliënte in de strafprocedure niet is verschenen, is er wel (namens haar) een verklaring afgelegd.
- —
Wat is door de verdediging gedurende het opsporingsonderzoek en strafzaak verklaard en gedocumenteerd in stelling gebracht?
- —
De woning aan de [a-straat 01] met bijbehorende grond werd al op 11 december 1998 — acht jaar vóór aanvang van de ten laste gelegde periode — door mevrouw [verdachte] gekocht voor NLG 420.000,- (EUR 190.587,-). Zij is toen enig eigenaar geworden. De aankoop is volledig gedocumenteerd.
- —
Ten behoeve van de aankoop werd op 9 november 1998 een taxatierapport opgemaakt. De totale onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik werd getaxeerd op NLG 425.000,- (EUR 192.856,-). De waarde van de onbebouwde eigen grond werd getaxeerd op NLG 175.000,- (proces- verbaalnummer 72, p. 369).
- —
Mevrouw [verdachte] financierde de aankoop door middel van een hypothecaire geldlening bij de ABN Amro Bank van NLG 250.000,- (EUR 113.445,-) en NLG 201.133,80 (EUR 91.270,-) eigen geld. De hypothecaire geldlening is tot op heden op het onderpand gevestigd (proces-verbaalnummer 72, p. 378).
- —
In het opsporingsonderzoek is de aankoop van de woning door cliënte in voordeel van cliënte beschouwd als een legale transactie ‘omdat dit op dit moment niet te weerleggen is’, aldus het onderzoeksteam (loopproces-verbaal, p. 25).
- —
Op zichzelf geen onjuiste opmerking van het onderzoeksteam, maar ik wil opnieuw benadrukken dat mevrouw [verdachte] haar hele leven heeft gewerkt. En dat zij — zeker zoals dat vroeger betamelijk was — gedurende haar gehele werkzame leven heeft gespaard.
- —
Uit de uitgeleverde gegevens van de FIOD volgt niet alleen dat cliënte over de jaren 2002 tot en met 2014 gemiddeld een bruto jaarinkomen uit arbeid van EUR 38.922,- ontving — al dan niet in de vorm van een WW- of Ziektewetuitkering -. Het is ook niet voor niets dat mijn cliënte vanaf september 2014 — het jaar waarin zij 65 jaar werd — een behoorlijk pensioen ontvangt van verschillende pensioenfondsen, waaronder van het ABP (proces- verbaalnummer 44).
- —
Daarnaast is cliënte tot 1999 tot drie maal toe gehuwd geweest (proces-verbaalnummer 44).
- —
Mevrouw [verdachte] heeft een blanco justitiële documentatie en zij werd en wordt op geen enkele manier in verband gebracht met het plegen van strafbare feiten. De inbreng van eigen middelen voor de aankoop van de woning in 1998 is dus prima uit te leggen, nog los van het gegeven dat deze aankoop dus ook volgens het opsporingsonderzoek geen vermoeden van witwassen heeft opgeleverd.
- —
Na de aankoop heeft mevrouw [verdachte] de woning gerenoveerd en verbouwd. Daarover zijn op 11 februari 2000 door de Belastingdienst vragen gesteld betreffende de bouwkosten, de financiering en de ‘werkzaamheden zonder factuur’. Een afschrift van de vragen van de Belastingdienst, de door mevrouw [verdachte] gegeven antwoorden, alsmede de in dat kader verstrekte facturen zijn al in 2015 in het kader van een procedure 552a Sv door de verdediging verstrekt (proces-verbaalnummer 77). Het onderzoek door de Belastingdienst heeft niet tot andere of aanvullende vragen geleid.
- —
Op 13 april 2000 verkocht mevrouw [verdachte] de onverdeelde helft van de woning aan mevrouw [betrokkene 2] voor een bedrag van NLG 165.000,- kosten koper. Omdat sprake was van verkoop van de onverdeelde helft werd onderling een prijs overeengekomen van NLG 165.000,- (EUR 74.873,-). Deze koopsom lijkt laag, maar de verkoop van een onverdeelde helft van een woning — waarbij sprake is van een situatie waarin beide eigenaren de woning zullen bewonen — drukt onmiskenbaar op de verkoopwaarde en dus op de overeengekomen koopsom van de woning.
- —
Daarnaast is mevrouw [betrokkene 2] de moeder van twee van de vier kinderen van de heer [betrokkene 4] en dus in wezen de moeder van twee stiefkleinkinderen van mevrouw [verdachte]. Het ligt dus niet voor de hand om te veronderstellen dat de onverdeelde helft uit winstbejag aan mevrouw [betrokkene 2] werd verkocht. Mevrouw [betrokkene 2] is bovendien ook daadwerkelijk in de woning gaan wonen en de vader van mevrouw [betrokkene 2] heeft bijvoorbeeld ook meegeholpen met de verbouwing van de woning.
- —
Mevrouw [betrokkene 2] verklaarde bij de rechter-commissaris desgevraagd over het motief van de aankoop: ‘Waarom bent u daar gaan wonen? Omdat ik de kans kreeg. [verdachte] woonde daar al en ik woonde destijds met twee kleine kinderen in niet zo'n fijn buurtje in [gemeente], ik kreeg de kans mijn kinderen te laten opgroeien op het platteland, zeg maar. Ik kende [verdachte] via [betrokkene 5]. [betrokkene 5] en ik woonden in [gemeente] en zij heeft ook kinderen van [betrokkene 4]. We hadden een band met elkaar. […] Het initiatief om de woning te kopen lag natuurlijk bij mij. […] Er was gewoon een goeie band tussen de vier kinderen, ik had een goed contact met [verdachte]. Die boerderij was ook veel te groot voor haar alleen. In eerste instantie was het eigenlijk de bedoeling de boerderij ook daadwerkelijk door de helft te doen, zodat er twee woningen waren. Maar toen ik er eenmaal in zat kon dat niet, gaf de gemeente er geen vergunning voor’.
- —
Opvallend in dit verband is nog dat ook de heer [betrokkene 6] — van [C] — heeft verklaard dat hem bekend was dat het de bedoeling was dat de boerderij in tweeën zou worden bewoond (proces-verbaalnummer 388).
- —
In verband met de verkoop van de onverdeelde helft aan mevrouw [betrokkene 2] werd op 3 februari 2000 een taxatierapport opgemaakt. De verkoopwaarde werd getaxeerd op NLG 550.000,- (EUR 249.579,-), maar dan wel bij onderhandse verkoop, vrij van huur en gebruik.
- —
De waarde van de onbebouwde eigen grond werd getaxeerd op NLG 245.000,-; een stijging van 40 procent ten opzichte van de taxatie in 1998, terwijl het verschil tussen de onderhandse verkoopwaarde en de waarde van de onbebouwde grond sindsdien met slechts 24 procent was gestegen. De waardestijging tussen 1998 en 2000 wordt volgens het taxatierapport dus met name toegeschreven aan een stijging van de waarde van de onbebouwde grond. Later zou door medeverdachte [betrokkene 3] ook nog een stuk tuingrond worden aangekocht.
- —
En reken maar dat deze tendens zich door de jaren heen heeft doorgezet. In de grondprijzenbrief 2020 van de gemeente [gemeente] (gehecht aan deze pleitnotitie) — waarin kenbaar is gemaakt wat de grondprijzen zijn van door de gemeente te verkopen kavels — wordt melding gemaakt van grondprijzen van zo'n EUR 438,- per m2. Dat is weliswaar inclusief BTW, maar voor een stuk grond in een nieuwbouwwijk buiten de dorpskern van [gemeente]. Uitgaande van deze grondprijs zou het stuk grond van de [a-straat 01] — 1.200 m2 groot — in 2020 EUR 525.600,- opleveren. Een enorme waardestijging die alleen al toe te schrijven is aan de waardeontwikkeling van de grond
- —
Terug naar verkoop van de onverdeelde helft aan mevrouw [betrokkene 2]. De koopsom werd door mevrouw [betrokkene 2] voldaan door middel van een hypothecaire geldlening van NLG 109.000,- (EUR 49.916,-) en een lening bij mevrouw [verdachte] van NLG 70.369,75 (EUR 31.932,-). Deze lening is bij de notaris vastgelegd middels een schuldbekentenis.
- —
Middels deze hypothecaire geldlening werden deels de kosten voor de verbouwing aan de woning betaald.
- —
Het overige deel ad NLG 90.000,- (EUR 40.840,-) werd door mevrouw [verdachte] betaald uit eigen vermogen. Uit de belastingaangifte van mevrouw [verdachte] van 8 mei 2001 over het belastingjaar 2000 volgt dat zij op 31 december 2000 inderdaad over NLG 82.311,- spaargeld beschikte (p. 394).
- —
Ook in het opsporingsonderzoek is de investering van in totaal NLG 200.000,- (EUR 90.756,-) voor de kosten van de verbouwing — zoals opgegeven door mevrouw [verdachte] in haar inlichten aan de Belastingdienst — aangemerkt als een legale investering (loopproces-verbaal, p. 63).
- —
Uit de belastingaangifte van cliënte van 8 mei 2001 over het belastingjaar 2000 volgt dat de WOZ-waarde van de woning — naar opgave van de gemeente — in 2000 NLG 277.000,- (EUR 125,697,-) bedroeg. De WOZ-waarde voor de periode 2001–2005 werd door de gemeente bepaald op EUR 657.074,- (NLG 1.448.000,-). De peildatum was 1 januari 1999, de ingangsdatum 2001. Tussen het moment van de taxatie begin 2000 van NLG 550.000,- (EUR 249.579,-) en de bepaling van de WOZ-waarde per 1 januari 2001 op EUR 657.074,- (NLG 1.448.000,-) hebben er geen grote ingrepen of verbouwingen meer plaatsgevonden.
- —
Wel is de woning door de jaren heen uiteraard onderhouden en is in de loop der jaren de tuin aangelegd.
- —
De recherche noemt deze stelling opmerkelijk, omdat in het taxatierapport uit 2000 wordt opgemerkt 'dat het pand op 2 februari 2000 in verbouwing is en nog totaal niet geschikt is voor bewoning'. In het taxatierapport staat echter ook vermeld dat zowel de keuken als het sanitair nog geplaatst moeten worden en dat er ook nog geen centrale verwarming en warmwatervoorziening aanwezig is. Een woning is al snel niet bewoonbaar zonder keuken, sanitair en cv-ketel. Uit het taxatierapport volgt niet dat er nog grote verbouwingen dienden plaats te vinden voordat de woning kon worden bewoond.
- —
Overigens heeft ook mevrouw [verdachte] in haar inlichtingen aan de belastingdienst op 22 februari 2000 aangegeven dat bepaalde bouwwerkzaamheden (waaronder ‘loodgieter/centrale verwarming’ en 'keuken’) in een later stadium nog moesten plaatsvinden.
- —
De WOZ-waarde voor het tijdvak na 31 december 2004 werd bepaald op EUR 886.908,- Ook deze aanzienlijke waardestijging komt voor rekening van de gemeente.
- —
Waardebepaling voor de WOZ door de gemeente vindt voornamelijk plaats middels marktanalyses van verkooptransacties en aanbiedingen op de markt. Het is daarbij niet nodig dat de taxateur elk pand bezoekt. Door vergelijking via computermodellen bepaalt de gemeente de waardering, aldus de Rijksoverheid in verschillende openbare bronnen (https://www.waarderingskamer.nl/veel-gestelde-vragen-woz-woningen/ en
- —
Uit het dossier volgt niet dat de WOZ-taxateur de woning op enig moment daadwerkelijk voor inspectie heeft bezocht.
- —
Op 6 februari 2006 verkocht mevrouw [betrokkene 2] de onverdeelde helft van de woning — alsmede een stuk tuingrond gelegen op perceel [a-straat 02] dat mevrouw [betrokkene 2] in de tussentijd had gekocht — aan mevrouw [betrokkene 3], de dochter van mijn cliënte.
- —
Mevrouw [betrokkene 2] wilde niet langer in de woning wonen — naar eigen zeggen omdat zij haar huidige partner had leren kennen — en wilde dus haar helft verkopen: "Ik liep alleen tegen het probleem aan dat de onverdeelde helft van de boerderij moeilijk te verkopen was, want dan zou iemand die ruimte moeten delen met [verdachte]. Ik ben al voordat ik mijn helft heb verkocht weggegaan uit de boerderij. Ik heb het probleem met [verdachte] steeds besproken. Toen is op een gegeven moment het idee ontstaan om [betrokkene 5] erin te laten komen. Dat was de meest logische stap, want anders kreeg ik het nooit verkocht. […] [betrokkene 5] is gaan kijken of zij het kon kopen. […] Ik was op dat moment al zó klaar met alles, dat ik het al lang goed vond als ik geen schuld meer had aan [verdachte] en alles klaar zou zijn. Ik wou er vanaf.'
- —
Nu dus ook dit weer om de verkoop van een onverdeelde helft ging, werd de koopsom tussen mevrouw [betrokkene 2] en mevrouw [betrokkene 3] onderling bepaald op EUR 197.915,-.
- —
Vergelijk in dit verband mevrouw [betrokkene 2] tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris als haar door de officier van justitie met uitroeptekens wordt voorgehouden dat deze verkoopprijs 55 procent lager is dan de helft van de WOZ-waarde nota bene: "Vergeet niet dat het gewoon niet te verkopen was, he, een onverdeelde helft?'
- —
Voor mevrouw [betrokkene 2] betekende deze koopsom zelfs dat zij winst maakte op de verkoop.
- —
Mevrouw [verdachte] stond buiten deze transactie tussen mevrouw [betrokkene 2] en mevrouw [betrokkene 3]. Zij ontving door de verkoop een vordering uit geldlening op haar dochter, mevrouw [betrokkene 3], die eerder aan mevrouw [betrokkene 2] was verstrekt, maar deze cessie kan bezwaarlijk als witwassen worden aangemerkt, nu de hoogte van de vordering gelijk bleef; alleen de schuldenaar wijzigde.
- —
Daar komt nog bij dat mevrouw [betrokkene 2] in het opsporingsonderzoek — ik meen overigens terecht — buiten schot is gehouden en niet als verdachte is aangemerkt, 'nu zij aan het einde van de verbouwing het pand pas voor de helft in eigendom kreeg. Daarnaast vonden de aankoop en verkoop van haar helft budgetneutraal plaats', aldus de recherche (loopproces-verbaal, p. 6).
- —
De aan- en verkoop door mevrouw [betrokkene 2] leveren volgens de recherche dus geen vermoeden van witwassen op, maar ook mevrouw [betrokkene 2] heeft na de verbouwing gebruik gemaakt van de woning. Op basis waarvan mevrouw [verdachte] dan wel wordt vervolgd voor het gebruik maken van de woning en mevrouw [betrokkene 2] daarvoor niet eens als verdachte is aangemerkt, is mij een raadsel.
- —
Op 31 mei 2006 vond middels een herstelakte de levering van het stuk tuingrond gelegen op perceel [a-straat 01] van mevrouw [betrokkene 2] aan mevrouw [betrokkene 3] plaats. Het eigendom van de onverdeelde helft van de woning was al bij leveringsakte d.d. 6 februari 2006 overgegaan alleen was vergeten om ook voornoemd perceel tuingrond in die akte op te nemen.
- —
De datering van voornoemde herstelakte markeert ook de aan mijn cliënte ten laste gelegde pleegperiode.
- —
Door de aanvangsdatum van de aan mevrouw [verdachte] ten laste gelegde pleegperiode per 31 mei 2006 lijken de aankoop van de woning door cliënte in 1998, de financiering van de verbouwing door cliënte volgens opgave in 2000, de aankoop en financiering van de onverdeelde helft door mevrouw [betrokkene 2] in 2000 en de aankoop en financiering van de onverdeelde helft door mevrouw [betrokkene 3] in februari 2006 niet aan mijn cliënte ten laste gelegd. Deze gebeurtenissen vallen immers buiten de ten laste gelegde periode en deze zijn ook niet als feitelijkheden aan mijn cliënte ten laste gelegd, maar de tenlastelegging blinkt — zoals gezegd en zacht gezegd — niet uit in duidelijkheid.
- —
Belangrijker echter nog is op te merken dat de aankoop van de woning door mijn cliënte, de investering voor de verbouwing door mijn cliënte en de aan- en verkoop door mevrouw [betrokkene 2] in het opsporingsonderzoek stuk voor stuk als legale transacties aangemerkt zijn.
- —
Daarnaast was mevrouw [verdachte] bij de verkoop van de onverdeelde helft aan mevrouw [betrokkene 3] door mevrouw [betrokkene 2] geen partij.
- —
Er is door de recherche in het persoonsdossier van mijn cliënte niet eens een proces-verbaal van verdenking opgemaakt jegens haar.
- —
Nu het — gelet op het voorgaande — niet duidelijk is op basis waarvan per 31 mei 2006 plotseling een vermoeden jegens mijn cliënte zou zijn ontstaan van het witwassen van haar eigen woning door enkel en alleen gebruik te maken van die woning, verzoek ik uw gerechtshof alleen al om deze reden om mijn cliënte vrij te spreken.
- —
Voorts is duidelijk dat in het opsporingsonderzoek geen rechtstreeks verband is aangetoond tussen de ten laste gelegde woning en een concreet delict. Kan het op grond van het dossier desalniettemin niet anders zijn dan dat de woning uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. ECLI:NL:HR:2020:36 en ECLI:NL:HR:2018:2352)? Ik meen van niet.
- —
In de eerste plaats merk ik op dat door het opsporingsteam wordt gesteld dat ‘uit de verklaring van de rechthebbende, die wordt gegeven bij monde van hun advocaat in de rekestenprocedure, naar voren komt dat er helemaal geen grootscheepse verbouwing heeft plaatsgevonden’ (loopproces-verbaal, p. 35:). Deze stelling wordt betwist, Door de verdediging is wel degelijk — ook al in raadkamer — aangevoerd dat de woning na de aankoop is gerenoveerd en verbouwd. In dat verband is ook verwezen naar de vragen die zijn gesteld door de belastingdienst en de inlichtingen die daarover door mevrouw [verdachte] aan de belastingdienst zijn verstrekt.
- —
Door mevrouw [verdachte] werd in 2000 al uiteengezet welke werkzaamheden werden uitgevoerd — al dan niet in eigen beheer — en welke werkzaamheden nog uitgevoerd moesten worden. Ook zijn facturen overlegd die zien op verschillende renovatie- en verbouwingswerkzaamheden (onder andere ‘storting betonvloer’, ‘binnen- en buitenmetselwerk’ en ‘plaatsen kozijnen’). Onder andere ‘schilderwerk’, ‘elektra’, ‘sanitair’ en ‘keuken’ werd in eigen beheer uitgevoerd, alsmede het aannemerschap.
- —
Het staat dus niet ter discussie dat er verbouwingen in en aanpassingen aan woning zijn gedaan en dat er in de woning is geïnvesteerd.
- —
Waar wel verdeeldheid over bestaat is — kort en simpel gezegd — de vraag wat deze verbouwingen hebben gekost.
- —
In dat verband zou uit het opsporingsonderzoek volgen dat de verbouwing meer heeft gekost dan door mevrouw [verdachte] werd begroot in haar inlichten aan de belastingdienst. Volgens het onderzoeksteam zou de verbouwing aan de woning minimaal EUR 962.914,- hebben gekost en deze investering zou — behalve dan de al als legaal aangemerkte investering door mevrouw [verdachte] ad EUR 90.756,- — onverklaarbaar zijn. Stellingen die door de verdediging uitdrukkelijk worden betwist en waarvoor geen bewijs voorhanden is.
- —
Ter onderbouwing van de stellingen wordt door het onderzoeksteam met name gewezen op een begroting van [A] B.V.
- —
Zoals bekend is de woning in december 2014 geheel afgebrand. Namens de opstalverzekeraar is onderzoek gedaan naar de toedracht van de brand en de omvang van de schade. In dat verband zijn een drietal rapporten opgesteld — onder andere door [A] B.V. — waarin de herbouwwaarde van de opstal werd begroot, omdat de opstal tegen herbouwwaarde was verzekerd.
- —
Door de opsporing wordt nu gesteld dat deze begrotingen van de herbouwwaarde ‘laten zien’ dat er in 2000 een hoger bedrag is geïnvesteerd in de woning dan door de verdediging is verklaard. Daarbij zouden de kostenposten uit de begrotingen zijn herberekend naar het jaar 2000 middels door het CBS vastgestelde indexcijfers.
- —
Ik zal bepleiten dat zowel de begrotingen van de herbouwwaarde als de gehanteerde indexcijfers ongeschikt zijn om aan de hand daarvan vast te stellen hoeveel er daadwerkelijk in de woning is geïnvesteerd — laat staan om vast te stellen dat er meer is geïnvesteerd in de woning dan is verklaard — en dat om die reden niet kan worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat de woning uit enig misdrijf afkomstig was.
Geen sprake van herbouw
- —
In de eerste plaats zijn zowel de begroting van EMN, als van [B] als van [A] B.V. ongeschikt om als bewijs te dienen, omdat in die begrotingen — het woord zegt het al — de herbouwwaarde van de woning is berekend.
- —
Het is duidelijk dat mevrouw [verdachte] in 1998 een woning heeft gekocht en geen braakliggend stuk grond of een perceel bouwgrond. Er stond een woning en deze is gerenoveerd en verbouwd en niet gebouwd of herbouwd. Denk hierbij aan alles wat te maken heeft met een (rust)plaats voor de verbouwers, sanitair en dergelijke. Dat is in het onderhavige geval niet van toepassing
- —
In alle begrotingen zijn kostenposten opgenomen die bij de verbouwing hoe dan ook niet zijn gemaakt, omdat sprake was van een verbouwing en niet van het vanaf de grond aan opbouwen van de woning.
- —
Zo zijn in de begroting van [B] kostenposten van in totaal EUR 48.862,57 opgenomen voor ‘paalfundering’, ‘ringbalk’ en ‘nieuw aanleggen en aansluiten buiten-en binnenriolering’; onderdelen van de constructie van de woning zoals die al stond toen mevrouw [verdachte] de woning kocht.
- —
En hoewel in de begroting van [A] is uitgegaan van het vanaf de fundering opbouwen van de woning, zijn ook in die begroting verschillende posten opgenomen voor kosten die tijdens de verbouwing niet zijn gemaakt.
Het gaat bijvoorbeeld om ‘houten draagconstructie’ (ad EUR 135,155,54), ‘goten en hemelwater-afvoeren’ (ad EUR 25.800,-) en ‘dakbedekkingen’ (ad EUR 63.695,-). De kostenposten drukken de begroting aanzienlijk. Bij elkaar opgeteld gaat het om maar liefst EUR 224.650,54 aan destijds hoe dan ook niet-gemaakte kosten.
- —
Bij de rechter-commissaris verklaarde [A] hierover: ‘U vraagt mij over de post draagconstructie. U vraagt mij of ik kan zeggen of een dergelijke draagconstructie destijds ook onderdeel uitmaakte van die verbouwing in 2000. Ik weet dat niet, maar ik denk het niet want er stond toen al een boerderij. Een West-Friese stolpboerderij bestaat eigenlijk uit een houten vierkant waar een kap op rust. Het is gewoon een ouderwets vierkant. Daar hoefde ze destijds in 2000 niks aan te doen. Het vierkant plus de hele constructie (balklagen, kap, muren, houten draagconstructie) stond er al. Ik weet dat niet zeker, maar waarschijnlijk wel.’
- —
[A] weet het niet zeker, omdat hij bij de verbouwing destijds niet betrokken is geweest, maar de heer [betrokkene 6] was dat wel. Uit het in het proces-verbaal van bevindingen [C] vervatte verhoor van de heer [betrokkene 6] volgt weliswaar dat de binnenkant van de woning gesloopt was, maar ook ‘het vierkant, dak en de buitenmuren stonden nog wel’ (proces-verbaalnummer 388).
- —
Uit de tekeningen van architect [architect] kan worden opgemaakt wat de bestaande situatie was vóór de verbouwing van de woning. Op deze tekeningen is te zien dat het buitentimmerwerk — onder andere ‘boeidelen’, ‘gevelsierlijst’ en ‘ornamenten’ — ook al deel uitmaakte van de woning, een kostenpost die in de begroting van [A] ook maar liefst EUR 21.861,- bedraagt.
- —
Ook uit de in beslag genomen privéfoto's volgt dat gedurende de verbouwing de constructie van de boerderij is blijven staan.
- —
Zie in het bijzonder de foto's op pagina 268 en verder (proces-verbaal-nummer 260): ‘vloerbalken’, ‘vierkant’, en ‘hellend dak’ — kostenposten van in totaal EUR 120.751,- aan ‘ruwbouw-timmerwerken’ in de begroting van [B] — die gedurende de verbouwing zijn blijven staan.
- —
Resumerend kunnen de begrotingen die zien op de herbouwwaarde van de opstal niet dienen voor het bewijs dat er meer is geïnvesteerd in de verbouwing van de woning dan verklaard, alleen al omdat sprake is geweest van verbouwing van de woning en niet van het van de grond af aan opbouwen van de woning.
In de begroting van [A] wordt ook een keuken en aftimmeringen — wat kasten kunnen zijn — begroot. Ook over de badkamer wordt gesproken. Zie pagina's 15, 16 en 13. Dat zijn dus niet kosten die nog bovenop de gemaakte begroting komen.
Ik verwijs hierbij naar de bijlage bij mijn pleitnotities. Het gaat om de getuigenverklaring van De Graaf, welke is afgelegd in de ontnemingszaak tegen mevrouw [betrokkene 3] en de heer [betrokkene 4].
U, voorzitter, vraagt mij of de keuken, badkamer en jacuzzi tweedehands zijn. Dat weet ik niet. U vraagt mij voorts hoe de verdachte aan een bedrag van ƒ 90.000,00 kwam, het bedrag dat door haar is opgegeven bij de Belastingdienst. Ik kan u daar niets over zeggen.
Werkzaamheden in eigen beheer
- —
Door het opsporingsteam is gesteld dat in het voordeel van de verdachten de kosten van het arbeidsloon niet zijn meegenomen in de berekening van de geïnvesteerde bouwkosten. Deze stelling is slechts maar voor een deel waar.
- —
Uit de verklaringen van vrijwel alle betrokken verbouwers blijkt dat de woning voor het overgrote deel ‘in eigen beheer is verbouwd’ waarbij veelvuldig gebruik is gemaakt van mensen die bevriend waren met mevrouw [verdachte] dan wel met mevrouw [betrokkene 3] of de heer [betrokkene 4].
- —
Daarnaast heeft vooral de familie zelf heel veel uren aan de verbouwing besteed, zoals bijvoorbeeld ook op de in beslag genomen privéfoto's is te zien. Zie bijvoorbeeld de foto met ‘vermoedelijk de moeder van [betrokkene 4], [betrokkene 4] zelf, mevrouw [betrokkene 3], vader van mevrouw [betrokkene 2] en dochter [betrokkene 4] op een foto genomen in de woning ten tijde van de verbouwing’ (p. 48 loopproces-verbaal) en een foto van [betrokkene 4] al schilderend op een ladder (p. 49 loopproces- verbaal).
- —
Ter illustratie: schilderwerk wordt in de begroting van [A] voor maar liefst EUR 39.200,- begroot; kosten die niet gemaakt worden als deze in eigen beheer worden uitgevoerd.
- —
Architect [architect] praatte over de uitvoering van zijn tekening met een voeger genaamd [betrokkene 7] die ook op de locatie [a-straat 01] aanwezig was (proces- verbaalnummer 349). — [betrokkene 7] is de heer [betrokkene 7]. De heer [betrokkene 7] verklaarde: ‘Ik ben 35 jaar snijvoeger geweest. […] In de jaren 1999–2000 werkte ik voor mezelf. […] Ik weet dat de woning van [verdachte] was. [verdachte] is een verre familie van mij. […] Ik heb toen zelf aangeboden om te voegen. […] Ik heb alles in mijn vrije tijd gedaan. Dan kwam ik een dagje en dan weer niet. Het was een familiedienst. Ik hoefde geen één gulden te vangen’ (proces-verbaalnummer 405).
- —
De heer [betrokkene 8] (huidige partner van mevrouw [betrokkene 2]) en die niet heel scheutig is met verklaren, verklaart toch: ‘Nou wat ik weet in ieder geval is dat zij het allemaal opgeknapt hebben, de vader van [betrokkene 2] ([betrokkene 2], JV) heeft ook wel eens dingen opgeknapt. Hij heeft wat elektriciteitswerk gedaan’ (proces- verbaalnummer 341).
- —
De heer [betrokkene 9] (broer van mevrouw [betrokkene 2]) verklaarde: ‘Hoe handig is de familie [betrokkene 4]? Ja, die zijn wel handig. [betrokkene 7] (de broer van [betrokkene 4], JV) deed geloof ik in kozijnen, de familie moet het ook echt van hun handen hebben’ (proces-verbaal nummer 406).
- —
De heer [betrokkene 10] (vader van mevrouw [betrokkene 2]) verklaarde: ‘De verbouwingen zijn gedaan door vrienden van [betrokkene 2] en [verdachte]. […] Ik heb daar mee geholpen aan het leggen van bedradingen maar er was een hoofdelectriciën, ik ben electriciën en ik heb gewerkt bij de NS als monteur. Ik heb daar een jaar lang gewerkt in mijn vrije tijd. Zolang heeft de verbouwing ook geduurd. Ik heb daar geen vergoeding voor gekregen’ (proces-verbaalnummer 414).
- —
Mevrouw [betrokkene 2] verklaarde: ik heb ook geholpen met de verbouwing. Dat was denk ik een jaar voordat ik er ging wonen. Mijn vader heeft ook geholpen. Er moesten stenen worden afgebikt omdat die moesten worden hergebruikt, dat soort dingen. […] U vraagt me hoe de contacten met de verbouwers liepen. Dat waren meestal vrienden: mijn vader, [betrokkene 7], anderen. Ik weet niet alle namen’.
- —
En over de aanleg van de tuin: ‘U vraagt mij wie de verdere aanleg, het egaliseren en het graven van de vijver heeft gedaan en hoe dat is gefinancierd. Egaliseren ? Dat hebben we gewoon zelf gedaan. […] Die vijver zal 2 x 6 meter zijn geweest. Daar zijn we wel flink voor aan het spitten geweest. Ik zie mezelf nog staan met die schep’.
- —
De heer [betrokkene 11] van [D] kan het zich desgevraagd niet voorstellen dat [betrokkene 4] zelf de boerderij in brand heeft gestoken. Aldus de heer [betrokkene 11] waren zij, ‘als vakmensen onder elkaar’, daarvoor te begaan met het eindresultaat van de verbouwing van de boerderij. De heer [betrokkene 11] noemt de heer [betrokkene 4] dus een vakman en de heer [betrokkene 11] kan het weten want [betrokkene 4] heeft hem alle vier de dagen geholpen met zijn werkzaamheden ter plaatse in de woning, aldus de heer [betrokkene 11] (proces-verbaalnummer 397).
- —
Het wordt gepresenteerd als een gunst, maar het is — gelet op alle verklaringen hiervoor — niet voor niets en zeer terecht dat het onderzoeksteam heeft besloten om de kosten die zijn gemaakt voor de arbeidsuren niet bij de berekening te betrekken, alleen is dat uiteindelijk maar voor een deel daadwerkelijk gedaan.
- —
In de begrotingen van zowel EMN, als van [B] als van [A] B.V. zijn de kostenposten telkens opgesplitst in de kosten ‘arbeid-/ loonkosten', ‘materiaal’ en ‘onderaanneming’, met onder de streep nog een drietal opslagen over het totaal.
- —
Deze opslagen en de ‘arbeid-loonkosten’ zijn telkens — terecht en in het voordeel van de verdachten — uit de berekeningen gehaald, maar het onderzoeksteam heeft over het hoofd gezien dat de kostenpost ‘onderaannemer’ ook voor een groot deel uit arbeid- en loonkosten bestaat.
De heer [A] gaf hierop bij de rechter-commissaris de volgende toelichting: "De post onderaannemer betreft ook een heel groot deel loon namelijk voor de onderaannemers. U kunt dat ook terugvinden in mijn begroting bijvoorbeeld op pagina 2 (in alle begrotingen is dat overigens terug te zien, JV). Daar ziet u bijvoorbeeld het metselwerk. Dat bestaat gedeeltelijk uit materiaal zoals de aankoop van gevelstenen maar ook een deel is loon, bijvoorbeeld het metselen zelf. Eigenlijk zitten er enorm veel uren verstopt in de onderaannemers posten.'
- —
Voorts verklaarde de heer [A] dat het in de totaalpost onderaannemer op pagina 18 (ad EUR 935.094,50 maar liefst) om zeker 5000 uren arbeid gaat. Uren dus van werklieden die de aannemer niet zelf in dienst heeft, maar moet inkopen dus en onder de kostenpost ‘onderaanneming’ begroot.
- —
Het gemiddelde uurloon in de post ‘arbeid’ betreft 37 euro per uur, dus met 5000 uren arbeid in de post ‘onderaannemer’ gaat het om een bedrag van EUR 185.000,- dat ten onrechte — en ook in weerwil van de bedoeling van het onderzoeksteam — toch in de berekening terecht is gekomen.
- —
Daarnaast zit er in die post onderaannemer — ‘uiteraard’ — ook nog een winstmarge, aldus de heer [A], van globaal tien procent. Tien procent van EUR 935.094,50; reken maar uit.
- —
Als er écht in het voordeel van de verdachten rekening mee wordt gehouden dat er geen kosten zijn gemaakt voor de arbeidsuren van de verbouwing, dan kan ook de post ‘onderaannemer’ — veruit de grootste kostenpost in alle drie de begrotingen — niet onverkort bij de berekening worden betrokken, zodat ook om deze reden de begrotingen van de herbouwkosten niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat er onverklaard vermogen in de verbouwing is geïnvesteerd.
‘Struinen naar materiaal’
- —
Een in het opsporingsonderzoek tamelijk onderbelichte gebleven post is de kostenpost ‘materiaal’. Een post die — zoals de heer [A] hiervoor al uitlegde — behalve door de hoofdaannemer ook voor een deel onder de post 'onderaannemer’ wordt begroot.
- —
In alle drie de begrotingen is vanzelfsprekend uitgegaan van de aanschaf van nieuwe bouwmaterialen. Daarbij is in meer of mindere mate uitgegaan van een bepaalde kwaliteit. De heer [A] is — in zijn eigen woorden — bijvoorbeeld uitgegaan van een ‘knap afgewerkte woning’. ‘Je moet wat kiezen en ik heb dat gedaan. Ik heb niet de duurste spullen genomen, maar wel een goede middenmaat. […] Ik ben niet uitgegaan van de heel luxe sector. Dan zou het nog twee keer zoveel kosten. Ik heb gekeken naar de makelaarsbrochure. Ik ben niet binnen geweest. Ik ben afgegaan op die brochure op het plaatje’, aldus de heer [A] bij de rechter-commissaris./
- —
In de brochure wordt gerept over ‘een uniek object dat zijn gelijke in de wijde omgeving niet kent’ en over ‘hoogwaardige en kwalitatief uitstekende bouwmaterialen’. [A] zal dus heus wel — zeker qua gebruikte materialen — bovengemiddeld hebben begroot.
- —
Zo is de kostenpost ‘binnendeuren’ in de begroting van [A] aanzienlijk hoger (EUR 22.052,50) dan in de begroting van [B], zonder dat verder ook maar iets bekend is over of de binnendeuren destijds daadwerkelijk zijn vernieuwd en zo ja, wat deze deuren destijds daadwerkelijk hebben gekost.
- —
Want waar gaat het in kostentechnische zin precies over als er in een verkoopbrochure wordt gesproken over ‘hoogwaardig’ of ‘kwalitatief uitstekend’? Behalve dat het gelikte, weinigzeggende termen zijn die graag door makelaars worden gebezigd, blijkt het weinig te zeggen over daadwerkelijk gemaakte kosten.
- —
In het verhoor bij de rechter-commissaris zegt verbalisant [verbalisant 1] bijvoorbeeld over de verschillen in de begrotingen: ‘Het is correct dat ik als uitgangspunt heb genomen het rapport van [A]. (…) Ik heb zelf veel ervaring in de vastgoedwereld. Mijn ervaring is dat als je 2 taxateurs bij hetzelfde pand zet er altijd twee verschillende waardes komen, die allebei niet fout zijn. Er zit altijd enig verschil tussen. Je zou hiervoor eigenlijk [B] en [A] bij elkaar moeten zetten. Als je naar de begroting van [A] kijkt dan zie je bijvoorbeeld dat hij is uitgegaan van snijvoegen aan de binnenkant van de woning. Dat is kostbaar. Ook is hij uitgegaan van een dure alarminstallatie, toogramen, hardhouten kozijnen. Ik weet niet of [B] dezelfde uitgangspunten heeft gehanteerd.’
- —
Er zit dus kennelijk een behoorlijke marge in de kosten van — met name lijkt — de gebruikte bouwmaterialen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het waarheidsgehalte van een taxatie, aldus verbalisant [verbalisant 1].
- —
Waarom de begroting van [A] dan van meer waarde zou zijn — ‘een completer beeld geeft’, in de woorden van het opsporingsteam — dan de begrotingen van [B] en EMN blijft onduidelijk. Behalve dan dat het de opsporing in een onderzoek naar vermeend onverklaarbaar geïnvesteerd vermogen natuurlijk beter uitkomt om de grootste begroting als uitgangspunt te nemen — eenzelfde soort opportunisme waar de opsporing de verdachten op afrekent omdat zij die begroting hebben ingebracht bij de verzekering -.
- —
Ik doel dan uiteraard op de zinsnede ‘kennelijk kon ook [betrokkene 3] zich volledig vinden in de berekening van [A] B.V. en ging zij er van uit dat deze berekening een juiste en correcte weergave is van de kosten […] bevestigd door het feit dat ze opdracht geeft om deze berekening aan Reaal te verstrekken’. Een zinsnede die de verdediging al meerdere malen is tegengeworpen, zelfs in de aanvankelijke afwijzing van het verzoek aan de zijde van de verdediging om de heer [A] nader over zijn begroting te mogen horen. Een beslissing die door de raadkamer van de rechtbank gelukkig werd rechtgezet.
- —
Ook verbalisant [verbalisant 1] kan tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris desgevraagd niet uitleggen waarom hij de begroting van [A] als uitgangspunt heeft genomen: ‘Omdat mij dat gevraagd werd (door het onderzoeksteam, JV)’.
- —
En hoewel het klopt dat [A] inderdaad is uitgegaan van snijvoegen — en dergelijke veronderstelde luxe afwerkingen door het onderzoeksteam telkens worden aangehaald als bewijs dat er meer is geïnvesteerd in de woning dan is verklaard -, is juist ook door [B] bijvoorbeeld uitgegaan van een luxere voeg; een knipvoeg. Het prijsverschil tussen deze kostenposten in de verschillende begrotingen is nihil te noemen: EUR 25.200,- in de begroting van [B] tegen EUR 25.680,- in de begroting van [A], terwijl wij hiervoor al zagen dat juist het voegen geheel in eigen beheer is uitgevoerd.
- —
Waar in eik geval in geen van de begrotingen rekening mee is gehouden, is het feit dat bij de verbouwing van de woning ook veelvuldig gebruik is gemaakt van tweedehands-en hergebruikte bouwmaterialen.
- —
Uit meerdere verklaringen en bevindingen volgt dat dit het geval is geweest.
- —
Zo verklaarde de heer [betrokkene 7]: ‘Wie zorgde voor de materialen die U nodig had voor het uitvoeren van de werkzaamheden? Dat regelde ik allemaal zelf. Ik hield wel eens wat over van een klus en dat nam ik dan mee en gebruikte ik bij [verdachte]’ en ‘Waar zijn de stenen gekocht? […] Dat waren ook een hoop gebikte stenen. Ik bedoel hiermee dat de oude stenen hergebruikt zijn’ (proces-verbaalnummer 405).
- —
Mevrouw [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij heeft meegeholpen om stenen af te bikken omdat die moesten worden hergebruikt. En daarnaast: "ik weet dat er heel veel uit die woning kwam dat hergebruikt is. […] In die tijd was er nog geen Marktplaats maar er was wel een krantje, de ViaVia. Daar hebben we heel veel tweedehands spullen uit gekocht. […] En als we iets zagen in dat krantje dan was [betrokkene 7] degene die in de auto stapte en ging rijden, al was het in Friesland of zo. Stenen, hout, hekwerken.
- —
Ook het onderzoeksteam erkent dat de stenen van de oude buitenmuren kunnen zijn hergebruikt (procesverbaal-nummer 299).
- —
Een kostenpost die in de begroting van [A] maar liefst EUR 36.976,- bedraagt. Overigens maar EUR 3.188,52 meer dan in de begroting van [B].
- —
Een kostenpost die in de begroting van [A] — zoals eerder al gezegd — wel behoorlijk hoger is uitgevallen, is de kostenpost ‘kozijnen, ramen en deuren’.
- —
Maar uit verschillende verklaringen volgt juist dat [betrokkene 7] [betrokkene 7] — die volgens mevrouw [betrokkene 2] het hele land door reed om tweedehands spullen op de kop te tikken — hiermee druk doende is geweest.
- —
De heer [betrokkene 11] van [D] verklaarde bijvoorbeeld dat ‘een indiaan’ (hij bedoelt dan [betrokkene 7] [betrokkene 7]) bij hem navraag heeft gedaan naar deuren, maar dat hij deze deuren uiteindelijk niet heeft gemaakt.
- —
En de broer van mevrouw [betrokkene 9] verklaarde dat broer [betrokkene 7] [betrokkene 4] volgens hem ‘in kozijnen deed’.
- —
De heer [betrokkene 11] verklaarde voorts dat in zijn beleving ‘[betrokkene 4] de gehele verbouwing heeft gedaan. [betrokkene 4] was ook aan het struinen, hiermee bedoelde hij op zoek naar 2e hands spullen voor de opbouw van de boerderij’ (proces-verbaalnummer 397).
En tussen de privéfoto's bevinden zich foto's van deurscharnieren op locatie (proces-verbaalnummer 260).
- —
Ook voor wat betreft de kosten voor het materiaal — dat net als de kosten voor arbeid bovendien ook onderdeel uitmaakt van de kostenpost ‘onderaannemer’ — is het dus niet goed mogelijk om voor het eventuele bewijs van daadwerkelijk geïnvesteerde kosten uit te gaan van de begrotingen van de herbouwwaarde, omdat deze begrotingen niets zeggen over de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Opmerkingen over de begrotingen tot slot
- —
De verschillen tussen de drie begrotingen zijn aanzienlijk: de rapporten van EMN en van [B] komen uit op een EUR 250.000,- lagere herbouwwaarde dan in het rapport van [A] B.V., terwijl [B] — de middenmaat van de drie begrotingen — zelfs nog kostenposten voor de fundering heeft begroot ([A] is uitgegaan van het vanaf de fundering opbouwen).
- —
Geen van de opstellers van de begrotingen hebben ooit daadwerkelijk bij of in de woning gekeken, ook de heer [A] niet. De heer [A] is uitgegaan van de verkoopbrochure en lijkt op basis daarvan met name de gebruikte materiaalkosten exorbitant te hebben begroot. Vergelijk in dit verband nog proces-verbaalnummer 685 waarin de prijs voor de keuken door twee keukenbedrijven aan de hand van de verkoopfoto's lager is geschat dan volgens de begroting van [A] nodig zou zijn om eenzelfde keuken te plaatsen.
- —
De enige technische inspectie die wel ooit heeft plaatsgevonden was in 2011 om de hoogte van de verzekeringspremie te berekenen. De herbouwwaarde die toen werd vastgesteld is ook weer EUR 200.000,- lager dan de begroting van EMN — de laagste van de drie begrotingen — en ziet ook nog eens op het herbouwen van de fundamenten én de bijgebouwen (proces-verbaalnummer 82).
- —
Ik zeg niet dat taxeren en begroten nottevingerwerk is, maar ik meen wel dat — gelet op voornoemde verschillen — geen van de begrotingen in het dossier geschikt is om op basis daarvan conclusies voor het bewijs in deze strafzaak te trekken.
Indexatie van de begrotingen
- —
Door het onderzoeksteam zijn de bedragen uit de begroting van — in eerste instantie alleen — [A] B.V. herberekend naar het jaar 2000. Daarbij is door verbalisant [verbalisant 1] gebruik gemaakt van door het CBS vastgestelde indexcijfers.
- —
Om het enigszins oneerbiedig te zeggen: ik meen dat de gehanteerde indexcijfers in verband met de geformuleerde onderzoeksvraag waardeloos te noemen zijn.
De heer [verbalisant 1] heeft willen berekenen wat de hoogte is van de in 2000 geïnvesteerde bouwkosten uitgaande van de begroting van [A] B.V. Daarbij heeft [verbalisant 1] gebruik gemaakt van indexcijfers die zien op de ontwikkeling van de kosten die gemoeid zijn met de bouw van nieuwe woningen in Nederland.
- —
De heer [verbalisant 1] meende dat deze indexcijfers voor de bouwkosten van nieuwbouwwoningen toegepast kunnen worden, omdat hij de begroting van [A] als uitgangspunt heeft genomen en omdat [A] — op zijn beurt — de brochure van de makelaar als uitgangspunt heeft genomen.
- —
In de makelaarsbrochure heeft [verbalisant 1] gelezen dat ‘in 1999/2000 op de plek waar de oude boerderij stond een totaal nieuwe boerderij is neergezet’. De makelaarsbrochure rept zelfs over het bouwjaar 2000. ‘Ik ga dan uit van nieuwbouw’, aldus [verbalisant 1].
- —
Zelfs verbalisant [verbalisant 1] — met veel ervaring in de vastgoedsector — lijkt hier te worden misleid door de gelikte mededelingen in een verkoopbrochure.
- —
Ik heb al bepleit dat sprake was van verbouw en niet van herbouw, maar er was natuurlijk al helemaal geen sprake van nieuwbouw.
- —
[verbalisant 1] erkent dat ‘het een verschil zou kunnen betekenen’ als er bij de verbouwing in 1999/2000 sprake was van een verbouwing en niet van opnieuw bouwen.
- —
Waarom dan toch de indexcijfers voor de kosten van nieuwbouw van toepassing zijn in het antwoord op de vraag naar de hoogte van de in 2000 geïnvesteerde bouwkosten, wordt tijdens het verhoor van de heer [verbalisant 1] niet duidelijk. Voor zover [verbalisant 1] bekend, zijn er nu eenmaal geen andere indexcijfers beschikbaar, aldus de heer [verbalisant 1] zelf.
- —
De vraag waarop [verbalisant 1] antwoord heeft gegeven, is in feite de vraag wat de herbouwwaarde was van de woning in 2000 volgens de begroting van [A]. En niet wat in 2000 de daadwerkelijk gemaakte kosten zijn geweest voor de verbouwing van de woning.
- —
Maar er is nog een reden waarom het proces-verbaal van bevindingen van de heer [verbalisant 1] niet bruikbaar is voor het bewijs. De heer [verbalisant 1] stelt dat hij — in lijn met de bedoelingen van het onderzoeksteam — rekening heeft gehouden met het feit dat er geen kosten zijn gemaakt voor loon en arbeid.
- —
Door hem is daarom — op zichzelf terecht — gebruik gemaakt van de zogeheten inputprijsindexcijfers, waarbij de verschillende opslagen voor de hoofdaannemer onder de streep van een bouwbegroting buiten beschouwing worden gelaten.
- —
Vervolgens zien we echter dat [verbalisant 1] onder ‘bouwkosten totaal’ de gehele kostenpost ‘onderaannemer’ indexeert en bij zijn berekening betrekt, terwijl deze kostenpost — zoals de heer [A] ons al uitlegde — ook voor tenminste 5000 uren uit arbeid bestaat.
- —
De heer [verbalisant 1] heeft gemeend dat het enkele gebruikmaken van de inputprijsindexcijfers voldoende recht doet aan het feit dat er bevriende relaties waren, maar verdisconteerd dit gegeven vervolgens niet door ook de kosten voor arbeid van de onderaannemers volledig te indexeren.
- —
Het onderzoek van de heer [verbalisant 1] is — met andere woorden en kort gezegd — onvoldoende betrouwbaar om daaruit enige conclusie te kunnen trekken voor de vraag wat de daadwerkelijk geïnvesteerde bouwkosten in 2000 zijn geweest, zodat ik uw gerechtshof verzoek om zijn proces-verbaal verder buiten beschouwing te laten.
Koopprijs
- —
Tot slot nog kort een enkele opmerking over de vraagprijs van de woning aan het einde van de ten laste gelegde periode (2014/2015).
- —
U hebt mij mijzelf zojuist wellicht al horen storen aan de bewoordingen van de makelaar in de verkoopbrochure (‘uniek object dat zijn gelijke niet kent’, ‘hoogwaardige kwaliteit’, ‘een totaal nieuwe boerderij neergezet’).
- —
Het is algemeen bekend dat vastgoed mooier wordt aangeprezen dan het in werkelijkheid is, dat het adagium geldt ‘wat er gek er voor geeft’ en dat verkopers natuurlijk hopen op een zo hoog mogelijke uiteindelijke koopsom. Daarbij komt dat de vraagprijs op advies van makelaars vaak wordt opgedreven, omdat deze voor zichzelf een percentage van de uiteindelijke koopsom overeenkomen, zoals ook in deze zaak is gebeurd. Vraagprijzen zijn daarom hoog, maar zeggen weinig tot niets over de daadwerkelijke waarde van een woning en al helemaal niets over de kosten die zijn gemaakt om een woning te verbouwen. Hetzelfde geldt voor de woning in deze zaak.
- —
Het is ook niet voor niets dat de woning al geruime tijd te koop stond en dat de vraagprijs inmiddels al was verlaagd.1
- —
Een zeer op de ten laste gelegde woning gelijkende stolpboerderij (zelfde straat, woonoppervlakte en perceelgrootte en met eveneens een rieten dak, meerdere badkamers en ‘lommerrijk aangelegde tuin met diverse terrassen en jacuzzi’, een ‘uniek tot de verbeelding sprekend onder architectuur verbouwd object met zeer veel extra's en met smaak afgewerkt’ in de woorden van de makelaar kortom) werd in 2019 met een vraagprijs van EUR 950.000,- van de hand gedaan (aangehecht aan pleitnotitie). En het is nu niet bepaald zo dat de koopsom van woningen de afgelopen jaren is gedaald, integendeel.
- —
De enige bevinding waaruit enigszins iets zinnigs af te leiden valt over wat de verbouwing nu daadwerkelijk heeft gekost, is de verklaring van architect [architect] (procesverbaalnummer 349).
- —
Architect [architect] is in 1999 daadwerkelijk meerdere malen op locatie van de verbouwing geweest en heeft de tekening van de woning ‘vergunningsklaar’ gemaakt.
- —
Het onderzoeksteam heeft vastgesteld dat de bestaande situatie van de woning op de foto's in de verkoopbrochure ‘enige tot grote gelijkenis’ vertoonde met de architectentekening van [architect] (proces-verbaal-nummer 373). Het ontwerp van architect [architect] is dus uitgevoerd.
- —
[architect] verklaarde tegenover het onderzoeksteam dat de totale uitvoeringskosten op basis van zijn tekening op circa NLG 350.000,- zouden uitkomen, maar hierbij begrepen waren alle kosten, dus ook de aanneemsom.
- —
Desgevraagd verklaarde de architect echter zelfs dat het ook mogelijk zou zijn ‘om het voor NLG 200.000,- te doen. Het zou dan wel met de Franse slag gaan’, aldus [architect]. ‘Hij doelde er dan op dat de uitvoering van het werk van slechte kwaliteit zou zijn’.
- —
Opvallend in dit verband is dat de architect ook heeft verklaard dat — in elk geval — de uitvoering van de kozijnen inzijn ogen slecht was. En de architect heeft het daadwerkelijk met eigen ogen gezien, dus hoe ‘knap afgewerkt’ was de woning nu eigenlijk echt en wat zegt dit over de daadwerkelijk geïnvesteerde bouwkosten?
- —
In het licht van al het voorgaande en in het bijzonder gelet op de verklaring van architect [architect] die — uit eigen redenen van wetenschap — heeft verklaard dat de door hem ontworpen verbouwing ook voor NLG 200.000,- uit te voeren is geweest — verzoek ik u mijn cliënte vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat onverklaarbaar vermogen in de verbouwing is geïnvesteerd en dat de woning dus van misdrijf afkomst is geweest
3. Geen wetenschap
- —
Zelfs al zou uw gerechtshof meegaan in de redenering van het onderzoeksteam — dat er meer of ander onverklaarbaar vermogen in de woning is geïnvesteerd dan door mijn cliënte is opgegeven bij de Belastingdienst -, dan nog kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat mijn cliënte, mevrouw [verdachte], bij deze investeringen betrokken is geweest. Laat staan dat zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit meerdere vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Als er al gelden zijn geïnvesteerd in de woning die van misdrijf afkomstig zijn — wat gelet op het voorgaande mijn inziens niet kan worden bewezen -, dan wist mijn cliënte daar in elk geval niets van.
- —
Mevrouw [verdachte] heeft op haar strafblad nog geen verkeersovertreding staan. Op geen enkele wijze wordt mijn cliënte in het dossier in verband gebracht met het plegen van strafbare feiten en hetzelfde geldt voor mevrouw [betrokkene 3].
(…)
- —
Ik merkte al op dat mijn cliënte geen partij is geweest bij de verkoop van de onverdeelde helft door mevrouw [betrokkene 2] aan mevrouw [betrokkene 3]. Mevrouw [verdachte] moest mee naar de notaris om te tekenen omdat zij de andere helft had, aldus mevrouw [betrokkene 2], maar uit de stukken volgt verder niet dat mevrouw [verdachte] heeft meeonderhandeld over de koopsom. De koop van de onverdeelde helft door mevrouw [betrokkene 3] heeft mevrouw [verdachte] geldelijk ook niks opgeleverd.
(…)
- —
Uit geen enkel bewijsmiddel volgt dat mijn cliënte, mevrouw [verdachte], op enig moment betrokken is geweest bij het doen van contante betalingen aan werklieden en het is — in de woorden van de rechtbank Overijssel — niet onaannemelijk dat zij niet wist hoe dergelijke betalingen werden gefinancierd laat staan dat zij het wist of moest hebben geweten als deze betalingen een criminele herkomst zouden hebben gehad.
- —
Als er al meer, ander of onverklaarbaar vermogen in de woning is geïnvesteerd, dan kan hoe dan ook niet worden bewezen dat mijn cliënte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden, Ik verzoek uw gerechtshof dan ook om mijn cliënte ook om deze reden in het geheel vrij te spreken.
(…)’
1.5
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [a-plaats], gemeente [gemeente], van een woning gelegen aan de [a-straat 01], gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf.’
1.6
In het arrest is verdachte vrijgesproken van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, zoals (bijvoorbeeld) dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.
1.7
Ten aanzien van het bewijs heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Relevante feiten en omstandigheden
De verdachte heeft de stolpboerderij met bijbehorende grond aan de [a-straat 01] in [a-plaats] op 11 december 1998 gekocht voor een bedrag van f 420.000,- (omgerekend € 190.587,-). In het onderzoek naar de verdachte wordt deze aankoop als een legale transactie beschouwd, en het hof zal daar ook van uitgaan. De woning is vervolgens in de periode 1999–2000 verbouwd. Met ingang van 26 oktober 2000 stond de verdachte ingeschreven op genoemd adres. Op 13 april 2000 heeft [betrokkene 2] van de verdachte de onverdeelde helft van het perceel met woning gekocht, hetgeen door [betrokkene 2] op 6 februari 2006 is doorverkocht aan [betrokkene 3], de dochter van de verdachte. De verdachte heeft na de verbouwing in de woning gewoond tot deze op 30 december 2014 door brand is vernietigd.
De verdachte heeft naar aanleiding van vragen van de Belastingdienst bij brief van 22 februari 2000 aangegeven dat de totale (ver)bouwkosten ongeveer f 200.000,- (omgerekend € 90.756,-) hebben bedragen, en daarbij vermeld dat bepaalde werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd. De verdachte heeft daarbij stukken aan de Belastingdienst toegestuurd.- Uit de ‘Wijze van financiering’ (bijlage 2) volgt dat de Totale bouwkosten’ van f 200.000,- voor f 90.000,- uit eigen geld worden gefinancierd en voor f 110.000,- door een tweede hypotheeklening. Deze laatste hypotheeklening blijkt echter, zo volgt uit het dossier, verstrekt te zijn aan [betrokkene 2] voor haar aankoop van de helft van [a-straat 01] in april 2000 en overigens betreft het een bedrag van f 109.000,-. Wat daarvan verder ook zij, ook deze investering van in totaal f 200.000,- wordt in het onderzoek als legaal bestempeld, en het hof zal daar ook van uitgaan.
Op 2 februari 2000 (datum van opname) is de stolpboerderij getaxeerd op een bedrag van f 550.000,- (omgerekend € 249.579,-). Uit het taxatierapport volgt dat de boerderij op dat moment ‘in verbouwing en nog totaal niet geschikt voor bewoning’ was.
Vervolgens is bij kennisgeving gedagtekend 15 juni 2001 de waarde van de woning als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken met ingangsdatum 1 januari 2001, voor de periode 2001–2005 door de gemeente [gemeente] vastgesteld op € 657.073,- ofwel f 1.448.000,-. Op grond van het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) betreft dit de waarde — na verbouwing — per 1 januari 2001.
Vermoeden van witwassen
Niet is gebleken dat van de zijde van de verdachte bezwaar is gemaakt tegen de destijds per 1 januari 2001 vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op het feit dat de WOZ-waarde de basis vormt voor het vaststellen van gemeentelijke belastingen en ook voor het eigen woningforfait in de inkomstenbelasting, zou het in de rede hebben gelegen dat dit door de verdachte was gedaan in het geval die waarde naar haar idee (veel) te hoog zou zijn vastgesteld. Het hof beschouwt om die reden de WOZ-waarde als een reële indicatie van de waarde van de woning na de verbouwing.
Uitgaande van voornoemde WOZ-waarde stelt het hof dan ook vast dat sprake is geweest van een aanzienlijke waardestijging van de woning (van kennelijk bijna één miljoen gulden), welke waardestijging niet (uitsluitend) kan worden toegeschreven aan het weer bewoonbaar worden van de woning (ten opzichte van de taxatie per 2 februari 2000) dan wel de marktontwikkeling zoals door de verdediging is gesteld. Uit het ter zake door de verbalisant [verbalisant 1] gedane onderzoek naar de lokale woningmarkt blijkt wel dat er in die periode sprake is geweest van een prijsstijging. In het eerste kwartaal van het jaar 2000 was de mediane transactieprijs voor vrijstaande woningen in de regio West Friesland € 250.000,-. De mediane transactieprijs was in het eerste kwartaal van het jaar 2001 € 280.000,-. Dit betekent een stijging van 12%. De forse waardestijging van de stolpboerderij is daarmee voor een deel te verklaren door de door de verdediging aangevoerde reden. Dit laat onverlet dat dit geen verklaring biedt voor de gehele waardestijging van de boerderij (van bij benadering bijna f 900.000,- (ƒ 1.448.000,- minus f 550.000,-), zodat het hof van oordeel is dat de verbouwing van de stolpboerderij een significante rol heeft gespeeld bij die stijging en derhalve dat het geïnvesteerde geld meer moet hebben bedragen dan de door de verdachte opgegeven f 200.000,-. Aldus is er een vermoeden dat de boerderij [a-straat 01] te [a-plaats] zoals die was na de verbouwing in 1999/2000 mede tot stand is gebracht door onverklaard vermogen, hetgeen een vermoeden van witwassen oplevert.
Beoordeling gegeven verklaring
Van de verdachte mag dan een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor deze waardestijging die de door haar genoemde investering van ƒ200.000,- overschrijdt worden verlangd. De verdachte zelf heeft (over de verdenking) in deze strafprocedure in het geheel geen verklaring afgelegd; bij de politie heeft zij zich op haar zwijgrecht beroepen, terwijl zij in eerste aanleg noch in hoger beroep ter terechtzitting is verschenen.
Haar raadsvrouw heeft gesteld dat naast de geïnvesteerde f 200.000,- veel werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd, zonder dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De verbouwing zou met tweedehands materialen en door vriendendiensten tot stand zijn gekomen. Dat heeft zij onderbouwd met stukken die eerder aan de Belastingdienst zijn overgelegd.
Het hof stelt voorop dat op grond van deze stukken kan worden vastgesteld dat in de genoemde f 200.000,- (onder meer) de keuken niet is begrepen (gelet op de opmerking ‘later stadium’). Dit betekent in ieder geval dat de keuken niet is betaald van de opgegeven f 200.000,- / € 90.756,-. Uit een procesverbaal van bevindingen, dat is opgemaakt naar aanleiding van de opbouw/renovatie van de stolpboerderij, leidt het hof af dat de keuken tussen de f 33.000,- en f 48.000,- heeft gekost, een bedrag waarvan de herkomst derhalve onbekend is gebleven.
Ook als wordt uitgegaan van de stelling van de verdediging (onderbouwd met bovengenoemde stukken) dat veel werkzaamheden voor de verbouwing (deels) in eigen beheer zijn uitgevoerd — aannemer, metselaar, timmerman, schilder en/of behanger, elektra en sanitair — stelt het hof vast dat er in ieder geval, daarnaast, nog sprake moet zijn geweest van forse uitgaven op het gebied van materiaal.
[betrokkene 1], een beëdigd makelaar, heeft de stolpboerderij als makelaar in de verkoop gehad, in de periode rondom 29 mei 2012, overigens voor een bedrag van € 1.350.000,- (ƒ 2.975.008,50).14 Zij verklaarde dat zij nog nimmer een woning had gezien die zo solide was afgewerkt, dat er dure materialen zijn gebruikt, de badkamer verschillende baden en douches heeft en er een inpandig café is. Het is, aldus de makelaar, ‘teveel om op te noemen en natuurlijk is dat van invloed op de vraagprijs’. Ook verklaarde zij: ‘Ik denk dat de hele boerderij is gerenoveerd. Alles was nieuw aangelegd. Ik ben bekend met andere boerderijen in [a-plaats] en deze boerderij was geheel gerenoveerd’. Dit strookt niet met hetgeen door de verdachte aan de Belastingdienst is doorgeven of verder is aangevoerd, namelijk dat sprake zou zijn van veelal tweedehands, ‘gestruind’ materiaal dat nauwelijks iets zou hebben gekost. Dat dergelijk materiaal, waarmee in 1999/2000 zou zijn gewerkt, in 2012 nog steeds een dergelijke uitstraling zou hebben, acht het hof onaannemelijk.
Het voorgaande kan als volgt in cijfers worden uitgedrukt. De stolpboerderij was op 2 februari 2000 getaxeerd voor een waarde van f 550.000,-, waarbij werd geconstateerd dat de woning in de staat van dat moment-niet kon worden bewoond. Door de waardestijging van vrijstaande woningen in de markt, die reeds is vastgesteld op 12%, zou de woning op 1 januari 2001 — in niet afgebouwde staat — ongeveer f 616.000,- waard zijn geweest. De waarde werd echter (voor de WOZ, dus niet voor de verkoop) getaxeerd op f 1.448.000,-. Ten opzichte van 2 februari 2000 is de woning in afgebouwde staat (ongeveer, in aanmerking nemend dat een WOZ-waarde alleen een indicatie voor de werkelijke waarde is) f 832.000,- meer waard geworden, In de verkoopbrochure van de woning (uit 2012) zijn enkele foto's opgenomen van het interieur van het huis, waaruit duidelijk de door Steneker genoemde luxe uitstraling blijkt. Dat één en ander, naast de geïnvesteerde f 200.000,-, is tot stand gebracht door louter het gebruik van tweedehands materialen — die overigens ook geld kosten, terwijl van dergelijke aankopen niet is gebleken — enerzijds, en werkzaamheden in eigen beheer anderzijds acht hof, gezien het voorgaande, ongeloofwaardig.
Het hof is van oordeel dat bij benadering een bedrag van ten minste meerdere tonnen in guldens dan wel euro's, als onverklaarbaar vermogen moet worden aangemerkt, nu het bewijsvermoeden van witwassen niet is ontzenuwd.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in de ten laste gelegde periode gebruik heeft gemaakt (tot en met het afbranden van de stolpboerderij) van een na verbouwing luxueus afgewerkte stolpboerderij, waarbij het niet anders kan dan dat (een deel van) die verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf is bekostigd, en de verdachte van de criminele herkomst van dit geld op de hoogte was.’
1.8
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.2.
1.9
In het licht van hetgeen de rechtbank in eerste aanleg heeft vastgesteld en hetgeen door de verdediging in hoger beroep -met argumenten onderbouwd- heeft aangevoerd schiet de verwerping van de bewijsverweren te kort. Uit het arrest volgt dat het hof de stijging van de waarde van de woning kennelijk slechts heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2001 is vastgesteld op f. 1.448.00,00 (€ 657.073,000). Zo is door de verdediging -onbetwist- aangevoerd dat de waardebepaling voor de WOZ door de gemeente voornamelijk plaatsvindt middels marktanalyses van verkooptransacties en aanbiedingen op de markt; door vergelijking via computermodellen de gemeente de waardering bepaalt, aldus de Rijksoverheid in verschillende openbare bronnen en uit het dossier ook niet volgt dat de WOZ-taxateur de woning op enig moment daadwerkelijk voor inspectie heeft bezocht. Dit klemt te meer nu de verdediging er ook op heeft gewezen dat een zeer op de ten laste gelegde woning gelijkende stolpboerderij uit dezelfde straat, woonoppervlakte en perceelgrootte en met eveneens een rieten dak, meerdere badkamers en ‘lommerrijk aangelegde tuin met diverse terrassen en jacuzzi’, een ‘uniek tot de verbeelding sprekend onder architectuur verbouwd object met zeer veel extra's en met smaak afgewerkt’ in 2019 met een vraagprijs van EUR 950.000,- van de hand is gedaan.
1.10
Voorts heeft het hof niet gerespondeerd op het verweer waarin is aangevoerd dat verdachte niet zelf bij de in de woning gedane investeringen betrokken is geweest laat staan dat zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit meerdere vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Hierbij is van belang dat uit het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen de verdediging aan de hand van getuigenverklaringen heeft aangevoerd blijkt dat de woning deels in 2000 aan mevrouw [betrokkene 2] is verkocht; de heer [betrokkene 4] veel materialen voor de verbouwing heeft gekocht; de contacten met de verbouwers via de vader van mevrouw [betrokkene 2] en anderen verliepen en dat uit geen enkel bewijsmiddel volgt dat verdachte op enig moment betrokken is geweest bij het doen van contante betalingen aan werklieden en het ook volgens de rechtbank niet onaannemelijk is dat zij niet wist hoe dergelijke betalingen werden gefinancierd laat staan dat zij het wist of moest hebben geweten als deze betalingen een criminele herkomst zouden hebben gehad. Hierbij is niet zonder belang dat niet bewezen is dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en de verdediging ook onweersproken heeft aangevoerd dat mevrouw [betrokkene 2] zelf niet als verdachte is aangemerkt terwijl zij de woning in dezelfde periode heeft bewoond en van de woning gebruik heeft gemaakt.
1.11
Het voorgaande klemt te meer in een zaak als deze waarin verdachte in eerste aanleg van het tenlastegelegde is vrijgesproken3. en de Hoge Raad de bewijsvraag slechts marginaal pleegt te toetsen en de cassatieprocedure dan ook niet kan gelden als een in art. 14 lid 5 IVBPR bedoelde mogelijkheid de bewijsvraag na een in eerste aanleg gegeven vrijspraak in volle omvang te laten toetsen.4.
1.12
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 7 EVRM, 1 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel omdat het hof ten onrechte art. 420bis Sr heeft toegepast zoals dat luidde ten tijde van het wijzen van het arrest terwijl dat artikel na het bewezenverklaarde in voor verdachte ongunstige zin is gewijzigd. Gelet hierop kan het arrest/strafoplegging niet in stand blijven.
Toelichting:
2.1
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [a-plaats], gemeente [gemeente], van een woning gelegen aan de [a-straat 01], gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf.’
2.2
In het arrest heeft het hof verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis, en een taakstraf voor de duur van 100 uren.
2.3
In het arrest heeft het hof onder meer vermeld:
2.4
Art. 420 bis lid Sr luidde tot 1 januari 2015:
- ‘1.
Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier laren of geldboete van de vijfde categorie:
(…)’
2.5
Nadien5. luidt art. 420bis Sr:
- ‘1.
Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
(…)’
2.6
De op het feit gestelde maximumstraf is derhalve na 1 januari 2015 ernstig verzwaard. Op grond van (onder meer) art. 1 lid 2 Sr zullen bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor verdachte gunstige bepalingen moeten worden toegepast. Nu uit het arrest volgt dat het hof ten onrechte uit is gegaan van art. 420bis sr zoals dat ten tijde van het arrest gold heeft het hof art. 1 lid 2 Sr geschonden zodat het arrest/strafoplegging niet in stand kan blijven.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 24 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof verdachte een aanzienlijke geldboete opgelegd, te weten een geldboete van € 50.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis. Daartoe heeft het hof overwogen dat deze mede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel dient zonder dat het hof inzicht heeft gegeven in de omvang van deze component. Dit is evenwel niet toegestaan nu zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, immers eenvoudig worden omzeild.
Nu uit het verhandelde ter terechtzitting ook volgt dat tegen verdachte ook een ontnemingsprocedure aanhangig is gemaakt zal een eventuele ontnemingsmaatregel niet althans niet voldoende kunnen worden afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete en/of verdachte veroordeeld zal worden 2 maal genoten voordeel te betalen.
Gelet hierop is de strafoplegging, althans de oplegging van de geldboete onvoldoende met redenen omkleed. Het arrest kan dan ook (te dien aanzien) niet in stand blijven.
Toelichting
3.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat zij (verkort zakelijk weergegeven) in de periode van 31 mei 2006 tot en met 17 december 2015, te [a-plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, van een woning en/of perceel gelegen aan de [a-straat 01], gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf. In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken.
3.2
Tegen het vonnis heeft de Officier van Justitie hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2024 is onder meer gerelateerd:
‘De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en doet dit aan de hand van een op schrift gesteld requisitoir. Dit stuk wordt aan het hof overhandigd en in het dossier gevoegd.
In aanvulling op zijn requisitoir (ten aanzien van de in het schriftelijk requisitoir door de griffier met potlood met * gemarkeerde passages) voert de advocaat-generaal aan.
(…)
‘U, voorzitter, vraagt mij naar mijn vordering ten aanzien van het beslag. Er is sprake van een zeer uitgebreide beslaglijst. Ik verzoek u kort te onderbreken, zodat ik dit kan nagaan.’
Het hof onderbreekt het onderzoek.
Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal mee:
‘Ik heb zojuist contact gelegd met het beslaghuis, een reactie komt later. U, voorzitter, vraagt mij of er conservatoir beslag is gelegd op de uitkeringsgelden van de verzekering. Dat weet ik niet zeker. U vraagt mij voorts of een ontnemingsprocedure aanhangig is. Dat heb ik nagevraagd, maar daar heb ik vooralsnog geen antwoord op gekregen. Ik heb wel gelezen dat een dergelijke procedure aanhangig is gemaakt.
(…)’
Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal mee:
‘Ik heb zojuist vernomen dat de behandeling van de ontnemingsprocedures tegen de verdachte, [betrokkene 4] en [betrokkene 3] is aangehouden totdat onderhavige strafzaak heeft plaatsgehad. Over het beslag werd mij meegedeeld dat op alle waardevolle goederen conservatoir beslag ligt. Wat mij betreft kan ten aanzien van de goederen waarop zowel conservatoir als klassiek beslag rust, het klassiek beslag worden opgeheven. Wat betreft de overige (niet-waardevolle) goederen kon ik geen informatie krijgen. Helaas heb ik nog niets vernomen van het beslaghuis. Op het geldbedrag ligt tot slot conservatoir beslag, geen klassiek beslag.
(…)’’
3.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [a-plaats], gemeente [gemeente], van een woning gelegen aan de [a-straat 01], gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf.
3.4
Ten aanzien van in beslaggenomen voorwerpen heeft het hof in het arrest overwogen/geoordeeld:
‘In beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
Blijkens de aan dit arrest gehechte beslaglijst van 28 december 2020 is een grote hoeveelheid goederen onder de verdachte in beslag genomen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep meegedeeld dat er op alle waardevolle zaken op de beslaglijst (ook) conservatoir beslag ligt. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafvorderlijke beslagen dienen te worden opgeheven.
Het hof overweegt dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane strafbare feit zijn aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe. Het hof zal de teruggave van de onder de verdachte inbeslaggenomen zaken gelasten, met de aantekening dat teruggave niet zal kunnen worden uitgevoerd voor zover nog conservatoir beslag rust.’
3.5
In het arrest heeft het hof verdachte (onder meer) veroordeeld tot het betalen van een aanzienlijke geldboete, te weten een geldboete van € 50.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis. Daartoe heeft het hof overwogen:
‘Gelet op de lange periode — ruim acht jaar — waarin de verdachte van de verbouwde boerderij heeft geprofiteerd alsmede de omvangrijke bedragen die daarmee gemoeid waren, is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geldboete van € 50.000, — in beginsel een passende en geboden bestraffing is. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.’
3.6
De rechter is in beginsel redelijk vrij om wat de straf betreft de verdachte een straf op te leggen die hem passend en geboden acht. De rechter is door de wet gebonden aan strafmaxima, en aan andere grenzen die de wet stelt, bijvoorbeeld bij combinatie van straffen. Wanneer het specifiek gaat om geldboetes heeft de rechter te maken met de boete categorieën en de draagkracht van de verdachte.
3.7
Volgens A-G Knigge vervaagt bij het opleggen van een aanzienlijke geldboete met als enig doel het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen het onderscheid tussen straf en maatregel zodat dit daarom niet is toegestaan.6. Zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zouden immers dan eenvoudig kunnen worden omzeild. Daarbij moet worden bedacht dat de schatting van het voordeel in een ontnemingsprocedure slechts kan worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (art. 511f Sv), terwijl voor het in aanmerking nemen van factoren in het kader van de straftoemeting voldoende is dat deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Verder kan de betrokkene zich in de ontnemingsprocedure verweren tegen de ontnemingsvordering, die in de regel is gebaseerd op financiële rapportage. Die verweermogelijkheden zijn niet reëel en effectief in een situatie waarin de rechter in de hoofdzaak — zonder dat daarover ter terechtzitting een debat plaatsvindt — de geldboete oplegt met het primaire of zelfs uitsluitende doel om voordeel te ontnemen. Overigens is wel aangevoerd dat oplegging van een zogenaamde afroomboete in het Nederlandse strafrecht mogelijk is, maar dat het noodzakelijk is dat de hoogte van de ontnemingsmaatregel wordt afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete teneinde te voorkomen dat er niet meer wordt ontnomen dan aan voordeel is verkregen. Dat is alleen mogelijk indien de rechter in de hoofdzaak inzicht geeft in de omvang van deze component.
3.8
Daarnaast is van belang dat bij de Wet aanpassing ontnemingswetgeving7., art. 24d Sr. is vervallen. Die wetswijziging brengt mee dat de rechter in zijn vonnis of arrest waarbij de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd, geen voorziening meer dient op te nemen voor het geval betaling achterwege blijft en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken. Daarvoor in de plaats is destijds de mogelijkheid van lijfsdwang ingevoerd.8. Het na 1-9-2003 geldende recht moet als gunstiger voor betrokkene worden aangemerkt, aangezien het bevel tot toepassing van vervangende hechtenis niet meer kan worden gegeven.9. Ingeval van betalingsonmacht kon niet meer vervangende hechtenis worden tenuitvoergelegd maar was het openbaar ministerie bevoegd de tenuitvoerlegging van lijfsdwang op de voet van art. 577c lid 1 Sv te vorderen. De vordering werd niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakte dat hij buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen (art. 577c oud Sr). Nadien is de wet opnieuw gewijzigd. Het uitgangspunt dat de rechter op vordering van het O.M. over de vrijheidsontneming (gijzeling) beslist en dat de vordering niet wordt toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen is gehandhaafd (art. 6:6:25 Sv).
3.9
In het arrest heeft het hof verdachte een aanzienlijke geldboete opgelegd en daarbij de duur van vervangende hechtenis bepaald op 285 dagen. Daartoe heeft het hof overwogen dat de boete mede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel dient zonder dat het hof inzicht heeft gegeven in de omvang van deze component. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat tegen verdachte ook een ontnemingsprocedure aanhangig is gemaakt zal een eventuele ontnemingsmaatregel niet althans niet voldoende kunnen worden afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete. Gelet hierop is de strafoplegging, althans de oplegging van de geldboete onvoldoende met redenen omkleed. Het arrest kan dan ook (te dien aanzien) niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 16 augustus 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑08‑2024
Zoals ter zitting blijken het proces-verbaal aangevuld.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond alsmede HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.
Zoals ook het geval was in de zaak die geleid heeft tot HR 18 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:885.
VN-mensenrechtencomité 2 september 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, [naam 1] vs Nederland.
Zie Stb. 2014, 445.
Conclusie voor HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2428, NJ 2010/358. Zie voorts CPG Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197.
Wet van 8 mei 2003, Stb. 2003, 202.
HR 7 oktober 2003, NJ 2004/573.
Vgl. o.m. HR 7 oktober 2003, NJ 2004/573 en HR 24 april 2007, NJ 2007/265.