Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.5.1
3.5.1 Aspecten van de motiveringsplicht
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301332:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vranken (1993), p. 234. Zie dezelfde (1995), nr. 231-232.
Vranken, a.w., p. 234 e.v. De rechtspraak geeft Vranken in zoverre hierin gelijk dat door de Hoge Raad bijvoorbeeld bij de rechterlijke afwijzing van een verzoek om pleidooi een verzwaarde motiveringsplicht oplegt; zie HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 3,JBPr 2003,10 (K. Teuben).
Zie mijn opmerkingen daarover in par. 3.13.
In gelijke zin Van der Heijden (1992), p. 329-330.
Zie HR 14 november 2003, NJ 2005, 269. Het gevaar van - wat Vranken noemt - 'verhullend argumenteren', in de zin van 'naar het (wenselijke) resultaat toeredeneren', ligt in het systeem van de vrije bewijswaardering (art. 152 Rv) wel op de loer. Voor andere voorbeelden van verhullend argumenteren zij verwezen naar de uiteenzettingen van Vranken (2005), p. 28 e.v.
Martens (1993), p. 133 e.v.
Het betreft A. Tunc, 'La cour suprème idéale', Rev. Int. de Droit Comparé 1978, p. 433 e.v. (Tunc II) en H. Këtz, Die BegrRndung heichstrichterlicher Urteile, Preadvies Ned. Ver. voor Rechtsvergelijking nr. 32 (1982) (Këtz).
Ik mag hier de door Vélu en Ergec geëvoceerde 'transparance' in herinnering brengen.
Als andere garantie kan genoemd worden de vastlegging van het ter terechtzitting verhandelde in een proces-verbaal; zie bijvoorbeeld voor de inlichtingencomparitie art. 19a lid 3 Rv en voor getuigenverhoren art. 206 Rv (met een uitzondering in art. 207 Rv).
Burg. Rv (Asser, W.D.H.), aant. 6 op art. 59 (oud) Rv.
Zie uitgebreider over de (zakelijke) stijl van de Nederlandse rechtspraak Vranken (1995), nr. 245 e.v. Ik ben het hartgrondig met hem eens dat die stijl soms wel wat al te zakelijk en afstandelijk is; zie Vranken (2005), p. 62-78.
Zie andermaal Vranken (2005), p. 28 e.v.
Bij een koersverandering van de lagere rechter ten aanzien van door de hogere rechter geschapen precedenten mag evenwel van de feitenrechter een uitgebreidere motivering verwacht worden. Vgl. hierover Kottenhagen (1986), p. 296-300, die even hoge eisen aan de lagere rechter stelt als aan de hogere rechter wat betreft de motivering van uitspraken.
Zie hierover Leijten (1994), p. 1473-1475.
Vranken heeft erop gewezen dat aard en omvang van de motivering van de rechter sterk procesrechtelijk bepaald zijn. Procesrechtelijke onvolkomenheden van partijen, zoals een niet volledige weergave van de feiten, een zwak gekozen juridische grondslag of een verkeerd petitum, hebben veelal hun repercussies op de rechterlijke motivering. Maar daar moet het volgens Vranken niet bij blijven. Het is de taak van de rechter om procesrechtelijke onvolkomenheden zo mogelijk te sauveren en door te dringen tot wat partijen nu over en weer hebben begrepen of redelijkerwijs hebben kunnen begrijpen. Dit brengt een verhoogde motiveringsplicht van de rechter mee: de rechter moet ten eerste verantwoorden wat partijen zijns inziens procesrechtelijk bedoeld en van elkaar begrepen hebben en daarbij procesrechtelijke belemmeringen uit de weg ruimen. Gevolg daarvan is dat het materiële geschil tussen partijen duidelijker zichtbaar wordt en de motiveringsplicht van de rechter ook te dien aanzien navenant zwaarder wordt.1
Uit een oogpunt van 'fair trial' kan deze gedachte slechts toegejuicht worden. Partijen hebben er recht op door de rechter te worden gehoord. Daartoe is nodig dat hij soms tussen de (proces)regels door 'luistert' en, indien hij meent dat daartoe een procesrechtelijke belemmering in de weg staat, zulks ook laat blijken in de motivering van zijn uitspraak.
Een tweede pijl heeft Vranken gericht op de vrijheid van de rechter om ongemotiveerd al dan niet van bepaalde procesrechtelijke bevoegdheden gebruik te maken, betrekking hebbend op de bewijsvergaring (hij noemt onder andere het gelasten van een comparitie en het toelaten van bewijsmiddelen). Volgens Vranken moet de rechter, naast het geven van verantwoording omtrent zijn materiële beslissing, evenzeer rekenschap afleggen over de wijze waarop hij zijn taak in de procedure heeft vervuld (zeker als partijen om gebruikmaking van een bepaald procesrechtelijk instrument hebben verzocht).2
Ook deze gedachte is wel te billijken, zij het dat art. 6 EVRM daarvoor mijns inziens geen fundering kan bieden: het verdragsartikel beperkt zich tot processuele fairness; niet wordt ook van de rechter verlangd dat hij met gebruikmaking van procesrechtelijke bevoegdheden naar een materieel faire uitkomst van het geschil toewerkt.3 Afgezien daarvan vrees ik dat de motivering van het gebruik of achterwege laten van rechterlijke procesbevoegdheden in algemeenheden zal blijven steken (de rechter acht het gelasten van een comparitie bijvoorbeeld niet 'opportuun'). Voorts kan van de rechter niet verlangd worden dat hij in het specifieke geval van álle procesrechtelijke instrumenten die hem ter beschikking staan aangeeft waarom hij daar al dan niet gebruik van heeft gemaakt. Een verantwoordingsplicht ten aanzien van onrechtmatig verkregen bewijs dient mijns inziens echter steeds op de rechter te rusten. Aanvaarding van onrechtmatig verkregen bewijs als bewijsmiddel in de procedure is op zijn minst een motiveringsoverweging waard.4 Wat het bewijsrecht ten slotte betreft, blijft een zwakke stee de rechterlijke motivering van de bewijswaardering (in het bijzonder bij bewijs door getuigen): de rechter hoeft niet omstandig te motiveren waarom hij de verklaring van getuige A geloofwaardiger vindt dan die van getuige B. Wijkt een hogere rechter te dien aanzien af van een lagere rechter, dan rust op de eerste wél een verhoogde motiveringsplicht.5
Martens heeft de loep gelegd op de motiveringsplicht van de Hoge Raad.6 Martens toont aan dat de Hoge Raad qua vorm (i.e. opbouw en taalgebruik) en inhoud van zijn motivering (met name de situering van de uitspraak ten opzichte van eerdere uitspraken) voldoet aan, respectievelijk niet essentieel blijft beneden 'de internationale motiveringsmaatstaven', daarbij niet refererende aan de summiere maatstaven van de Straatsburgse instanties, maar aan twee rechtsvergelijkende studies over de motiveringseisen te stellen aan uitspraken van hoogste rechtscolleges.7 Als richtlijn zij te hanteren: het scheppen van zoveel mogelijk duidelijkheid voor de 'gebruiker' waaronder in de eerste plaats de lagere gerechten en de advocatuur.8
Helderheid in opbouw en taalgebruik van uitspraken zijn eisen die niet alleen gesteld dienen te worden aan arresten van de Hoge Raad, maar aan alle gerechtelijke uitspraken, met name ook die van lagere rechters. Op eenduidige wijze moet blijken dat en in welke mate de rechter de feitelijke en juridische stellingen van partijen in zijn uitspraak verdisconteerd heeft. Als zodanig is de rechterlijke uitspraak de duidelijkste garantie dat het horen van partijen door de rechter diens beslissing op deugdelijke wijze heeft beïnvloed.9 Niet voor niets brengt Asser10 een en ander in direct verband met onder andere het contradictoire beginsel en het beginsel van hoor en wederhoor; een heldere en eenduidige inrichting van het vonnis is een logisch uitvloeisel daarvan 11
Plaatsbepaling van de uitspraak ten opzichte van eerdere jurisprudentie daarentegen hoeft van de lagere rechter - in tegenstelling tot de Hoge Raad - mijns inziens niet verlangd te worden, ook niet als partijen daaraan (ter ondersteuning van hun stellingen) expressis verbis refereren; het zou contraproductief werken en tot een (verdere) verstopping van het rechtsbedrijf kunnen leiden. De lagere rechter handelt volgens het principe 'geef mij de feiten, dan geef ik U het recht', terwijl van de Hoge Raad als rechtseenheidsbewaker en als rechtsvormend college meer wordt verwacht: hij spreekt niet alleen recht, maar geeft tevens de richting aan waarin de rechtspraak zich moet bewegen. Dit vraagt een uitgebreidere motivering van de uitspraak (met liefst echte, en geen verhullende argumenten12) dan van de 'eenvoudige' feitenrechter gevergd mag worden.13 Het moet dan uiteraard gaan om rechtsvragen die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling tot beantwoording nopen. Is daarvan evident geen sprake, dan kan hij zich op basis van art. 81 RO beperken tot het enkele oordeel dát er van dergelijke rechtsvragen geen sprake is en de aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden.14 Van een daaraan te koppelen verkorting van de conclusie van het OM zou ik geen voorstander zijn, juist vanwege de - hieronder nog nader te bespreken - aanvaardbaarheid van de rechterlijke beslissing.15 Met instandhouding van een onverkorte conclusie van het OM vrees ik niet dat art. 81 Wet RO in Straatsburg gevloerd zou worden.16