Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.3.2
VII.3.2 De voorziene aanvulling
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378560:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 10. De diverse adviesinstanties — de RMK, de Gecombineerde Commissie en het NGB — maakten over de verhouding met het enquêterecht geen vermeldenswaardige opmerkingen.
Zie de toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 4. De minister zag dat de ruziënde aandeelhouders naar een oplossing zochten. Hij verwees naar OK 15 november 1973, NJ 1974, 293 (Vader/ Vennootschap).
Zie de toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 3-4.
Zie de toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 4.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 7-9. De minister vulde nog aan dat de enquêteprocedure voor de oplossing van aandeelhoudersgeschillen 'te zwaar' was. De minister gaf later aan dat hij niet kon inschatten of het wetsvoorstel een taakverzwaring voor de OK meebracht. Vermindering van het aantal enquêteverzoeken achtte hij denkbaar. Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 3-4.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 14, sub 1. De literatuur was positief over de extra voorziening van (gedwongen) 'certificering', al vond Slagter (die deze term gebruikte) wel dat het verzoek mede moest worden gericht aan de aandeelhouder in kwestie, zie Slagter (1984), p. 36, 45-46. Zie ook Westbroek (1985/2), p. 729.
De ontbinding van de rechtspersoon werd verlettend naar sub f.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 28. De wetgever wees op gelijke groepen van aandeelhouders die beiden een uitstotingsvordering tegen elkaar instellen. De voorziening van art. 2:356 sub e BW bood in zo'n geval een uitweg, omdat de geschillenregeling niet altijd toepassing kon vinden. Deze laatste redenering begrijp ik niet goed. Indien een (groep) aandeelhouder(s) de norm van art. 2:336 BW schendt, is uitstoting geboden. De tijdelijke oplossing (overdracht ten titel van beheer) is dan een uitkomst, maar slechts in afwachting van de definitieve overdracht op grond van de geschillen-regeling. Tot definitief herstel leidt art. 2:356 sub e BW niet, dus als vervanging voor de geschillenregeling dient zij niet.
Handelingen TK 66 (2 april 1987), p. 3476. Van der Burg bedacht het voorbeeld waarbij de ene aandeelhouder/directeur de enquêteprocedure startte, en de andere een geschillenregelingvordering instelde. Kon een partij een 'vertragende manoeuvre' opvoeren door in een geschillenregelingprocedure te melden dat hij de uitkomst van het onderzoek wilde afwachten? Hij voorzag een verlammende uitwerking van de samenloop. Volgens hem verdiende het aanbeveling de geschillen-regeling eerst te bewandelen, al was de dagvaardingsprocedure wel 'een te ingewikkelde en moeilijk begaanbare weg'.
Handelingen TK 66 (2 april 1987), p. 3477. De manoeuvre van Van der Burg (zie de vorige noot) pareerde de minister met de woorden: 'Dan is het aan de rechter om een eerlijk verweer van een vertragende chicane te onderscheiden.'
Zie over de niet-toepasselijkheid van art. 158 Rv. (oud) ook Kamerstukken 18 905, nr. 57 (VV EK), p. 1 en nr. 57a (MvA), p. 1. De minister sprak nog de hoop uit dat indien zowel een enquête- als een geschillenregelingprocedure aanhangig was, partijen een praktische oplossing zouden bedenken. Zie ook Boukema (1988), p. 37, die stelt dat verwijzing niet mogelijk is. Insgelijks Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 721.
Handelingen TK 66 (2 april 1987), p. 3477. Was de minister een advocaat, dan: `(...) zou ik mij dus kunnen voorstellen dat in de meeste gevallen de geschillenregeling de voorkeur verdient boven het in zekere zin oneigenlijke middel van het inschakelen van de ondernemingskamer, dat eigenlijk uit nood geboren is.'
Handelingen TK 66 (2 april 1987), p. 3477.
Zie Sanders (1988), p. 253, die de geschillenregeling een 'welkome aanvulling' op het enquêterecht vond. Peters (1985), p. 30, vond de rechtsgang van de geschillenregeling 'praktischer'. Zie voorts Slagter (1976), p. 117; en (1984), p. 23; Westbroek (1985/2), p. 729; Emmerig (1988), p. 324; en Van Steenbergen (1988), p. 170, 173.
Boukema (1988), p. 32-33, beschreef de gangbare praktijk voor de inwerkingtreding van de geschillenregeling: in een enquêteprocedure dreigde de OK de ontbinding uit te spreken, waarna `vrijwillig' de aandelen werden overgedragen.
Slagter (1985), p. 126; Reij (1988), p. 490; en Westbroek (1991), p. 30.
Zie zijn noot onder OK 16 juli en 1 oktober 1987, NJ 1988, 579; TVVS 1988, p. 22-23 m.comm. IJsselmuiden (Briljant). De impasse tussen de twee aandeelhouders (en bestuurders) werd gezien als wanbeleid, omdat zelfs nog na de benoeming van de onderzoeker één van de aandeelhouders de ander als bestuurder trachtte te ontslaan. Laatstgenoemde mocht toen al sedert jaren het bedrijf van de vennootschap niet in, terwijl hij bestuurder was. Uiteindelijk zorgde de door de OK benoemde tijdelijk bestuurder er met bemiddeling voor dat een van de aandeelhouders uittrad. Commentator Usselmuiden was het overigens niet eens met annotator Maeijer, hij sprak van 'oneigenlijk gebruik' van de enquêteprocedure. Het verwijzen naar een (inwerkinggetreden) geschillenregeling was dus wel verdedigbaar.
Zie zijn (uitgebreide) bespreking van de toepasbaarheid en samenloop van de enquête- en de geschillenregelingprocedure in een fiftyfifty-situatie: Boukema (1988), p. 37-39. Zie voor een schematische vergelijking ook Losbl. Rp. (Roest), § 3, aant. 3.
Zie de noot van Raaijmakers (AA 1989, p. 854-855) onder OK 20 april 1989, NJ 1991, 205 (Best Golf & Country Club).
Handboek (1992), nr. 353 nt. 3; en Leijten (1997), p. 81-82. Van der Grinten vond de verwantschap tussen beide regelingen 'zeer beperkt'. Zie noot 4 van nr. 353 voor een overzicht van de oudere jurisprudentie (1972-1986) over tegenstellingen tussen aandeelhouders die tot toewijzing van het enquêteverzoek leidden.
Leijten (1997), p. 81-82; en (1992/2), p. 237. Volgens Leijten was sprake van een paradoxale situatie omdat de aandeelhouder niet uit was op herstel van de gezonde verhoudingen (één van de doeleinden van het enquêterecht), maar een tijdige exit wenste. De enquêteprocedure zorgde voor de nodige (juridische) druk op de over te nemen partij. Zie ook Willems (2008), p. 90.
Leijten (1999/2), p. 237 en 239. Hij vond het een uitkomst voor de praktijk dat de OK in het kader van het enquêterecht een praktische oplossing aandroeg voor de zaken die in de geschillenregeling thuishoren.
Willems (2008), p. 90, 92.
Leijten (1999/2), p. 237. Anders Slagter, die in 1998 (p. 32) nog voorspelde dat er in fiftyfifty-verhoudingen een verschuiving van de enquêteprocedure naar de geschillenregeling zou plaatsvinden, omdat de laatste voor deze situaties aantrekkelijker was.
Voor kwantitatieve gegevens verwijs ik naar het in de volgende paragraaf te bespreken onderzoek van Cools/Kroeze (2009).
Volgens de Commissie Vennootschapsrecht vormde de in te voeren geschillen-regeling een nuttige aanvulling op het enquêterecht. De procedures kenden namelijk een ander uitgangspunt. De grondslag bij de geschillenregeling bestond uit misdragingen jegens een aandeelhouder. Bij de enquêteprocedure was het beleid van de vennootschap in het geding. Wanbeleid hoefde volgens haar bij de overdracht van de aandelen niet altijd aan de orde te zijn. De voorzieningen van de geschillenregeling verschilden ook 'in hoofdzaak' van de te treffen voorzieningen op grond van wanbeleid. De Commissie Vennootschapsrecht achtte het aanwenden van beide rechtsmiddelen in een voorkomend geval geen bezwaar.1
Bij geschillen tussen aandeelhouders vond de minister het enquêterecht evenmin het meest geschikte middel, zie het voorontwerp van 1981. Een enquêteprocedure was niet steeds mogelijk en leidde ook niet altijd tot de gewenste uitkomst.2 Het belangrijkste verschil tussen de beide procedures was hun — door de Commissie Vennootschapsrecht al aangehaalde — doelstelling. De geschillenregeling was van beperktere aard. Het opheffen van tegenstellingen tussen aandeelhouders die de samenwerking frustreren was volgens de minister iets anders dan het ingrijpen bij wanbeleid. De aandeelhoudersgedragingen konden eveneens als wanbeleid kwalificeren, maar noodzakelijk was dit niet. De afwijkende doelstelling werkte door in de uitwerking. In een enquêteprocedure lag het zwaartepunt bij het onderzoek, terwijl de geschillenregeling het doorbreken van de impasse tussen de aandeelhouders op het oog had. Blijkens het voorontwerp droeg het enquêterecht `méér het karakter van ondernemingsrecht' dan de geschillenregeling. Anderen, zoals de vakbond, waren bij de procedure betrokken. De geschillenregeling beoogde slechts de patstelling te doorbreken.3 Toch zag de minister ook overeenkomsten. De rechter mocht ingrijpen wanneer er iets 'mis' was binnen de vennootschap. Dit kon ertoe leiden dat de aandeelhouders optraden op grond van beide procedures. Deze samenloop achtte hij mogelijk.4
De in 1981 geventileerde uitgangspunten kwamen in de toelichting op het wetsvoorstel in 1985 veelal ongewijzigd terug.5 De wetgever bedacht daarbij dat het palet van definitieve voorzieningen na gebleken wanbeleid (art. 2:356 BW) uitbreiding behoefde. Als een duvel uit een doosje kwam de tijdelijke overdracht ten titel van beheer te voorschijn. Over de uitbreiding van de door de OK in een enquêteprocedure te treffen maatregelen was tot dan toe met geen woord gerept in de totstandkomingsgeschiedenis van de geschillenregeling. De voorziening kwam volgens de toelichting van pas indien de tegenstelling tussen de aandeelhouders in een enquêteprocedure het predicaat wanbeleid had gekregen.6 Om te voorkomen dat het uiterste middel van ontbinding resteerde als enige oplossing, werd de tijdelijke overdracht ten titel van beheer in art. 2:356 onder e BW opgenomen.7 De OK mocht onderdelen van de geschillenregeling van overeenkomstige toepassing verklaren. Op welke de wetgever doelde, blijft (mij) onduidelijk. Met de tijdelijke overdracht kreeg een onafhankelijke derde stemrecht in de aandeelhoudersvergadering en werd de patstelling tussen aandeelhouders die tegenover elkaar stonden, doorbroken.8
De procesrechtelijke problemen rond cumulatie van de enquêteprocedure en de geschillenregeling kwamen nog aan de orde tijdens de parlementaire behandeling.9 De minister antwoordde dat verwijzing naar de OK op grond van art. 158 Rv (oud, thans art. 220 Rv) voorstelbaar was, al moest het wel gaan om dezelfde procespartijen in formele zin.10 Ook al hoeft van formeel identieke procespartijen geen sprake te zijn omdat connexiteit ook tot verwijzing kan leiden, toch kan mijns inziens de OK als bevoegde rechter in een enquêteprocedure niet gelijktijdig de vordering van de geschillenregeling in dezelfde procedure behandelen. De een is namelijk een verzoekschriftprocedure (art. 2:345 BW), terwijl de geschillenregeling dagvaardingsprocedures behelst. Daarbij is de geschillenregeling een procedure in twee feitelijke instanties, en zou met verwijzing naar de OK de procedure in eerste aanleg worden overgeslagen.11 De minister sloot tot slot niet uit dat de geschillenregelingprocedure 'aanzienlijk sneller' zou zijn dan de enquêteprocedure. Met de laatste kon bovendien de overdracht van de aandelen niet bereikt worden.12 Hij bleef `betrekkelijk laconiek' over de vertragende samenloopperikelen.'13
Ten tijde van de totstandkoming en invoering van de geschillenregeling meenden veel schrijvers (nog) dat de praktijk de voorkeur zou geven aan een uitstoting of uittreding in plaats van aan een enquêteprocedure.14 De OK behoefde niet naar het zware middel van de ontbinding te grijpen (art. 2:356 sub f BW) maar kon de overdracht van de aandelen ten titel van beheer bevelen (sub e) en zo de definitieve overdracht alvast ` stimuleren'.15 De samenloop van de twee procedures werd als voordeel gezien. Bij een deadlocksituatie waarin de aandeelhouders ieder de helft van de aandelen hielden, bood de geschillenregeling een betere en snellere oplossing dan 'het paardenmiddel van de enquête', was de gedachte.16 De nuance kwam van Maeijer. Nog voor de invoering van de geschillenregeling sprak hij over de enquêteprocedure als een 'heilzame en effectieve weg', waarmee geschillen tussen aandeelhouders (tevens bestuurders) op effectieve wijze binnen korte tijd werden opgelost. Bij een impasse in de besluitvorming was een verwijzing naar de nieuwe, ingewikkelde dagvaardingsprocedure niet aan de orde. Integendeel, de enquêteroute moest volgens hem zeker worden opengehouden.17 In het verlengde hiervan concludeerde Boukema in 1988 dat de geschillenregeling niet de goedkoopste en zeker niet altijd de snelste weg hoefde te zijn om uit een patstelling te geraken.18
Raaijmakers bedacht dat bij het gelijktijdig starten van de twee procedures de enquêteprocedure voorrang genoot, indien de aandeelhouders over en weer geschillenregelingvorderingen hadden ingesteld. De vordering van de aandeelhouder die verantwoordelijk was voor het wanbeleid, moest worden afgewezen. De definitieve oplossing werd daarna verkregen met de geschillenregeling.19
In de loop der jaren kantelde het beeld. Achtte Van der Grinten in 1992 de geschillenregeling onder omstandigheden een betere oplossing, vijf jaar later schreef Leijten dat de aandeelhouder op korte termijn meer baat had bij de enquêteprocedure.20 De voorlopige voorziening van art. 2:349a lid 2 BW (ingevoerd in 1994) bracht de gewenste snelheid. Hij vond de laatste procedure een praktisch alternatief voor de geschillenregeling, ook al is sprake van 'indirecte ineffectiviteit' omdat de enquêteprocedure in de praktijk werd gebruikt in situaties waar de geschillen-regeling voor was geschreven.21 De geschillenregeling is volgens Leijten zelfs `procedureel ongeschikt voor het bereiken van een snelle uitweg'.22 Met de minnelijke overdracht diende de enquêteprocedure als 'remplaçant' van de uitstoting of uittreding.23
De voorspelling van de wetgever dat aan de enquête geen behoefte meer was, is niet uitgekomen.24 De strijdende aandeelhouders kiezen duidelijk voor de snelle uitweg van de enquêteprocedure en laten de geschillenregeling massaal links liggen.25