De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.2.2.a:6.2.2.a Inleiding
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.2.2.a
6.2.2.a Inleiding
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250407:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn annotatie onder de Akzo/ING-beschikking maakt Bartman een kanttekening bij de hierboven aangehaalde overweging van de Hoge Raad dat een 403-verklaring geen afhankelijk recht in het leven roept.1 Volgens Bartman is de 403-vordering zodanig verbonden met de vordering op de 403-maatschappij, dat zij niet zonder deze vordering kan bestaan. Dit houdt volgens hem in dat als de vordering op de 403-maatschappij overgaat op een derde, deze ook de 403-vordering verkrijgt. De 403-vordering ‘volgt’ in een dergelijk geval niet de vordering op de 403-maatschappij in de zin van art. 3:82 BW – zoals een afhankelijk recht –, maar zij ‘ontspringt’ volgens Bartman uit de 403-verklaring.
Ik lees bovenstaande redenering van Bartman aldus, dat hij uitgaat van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij waarbij slechts degenen met een vordering op de 403-maatschappij2 een beroep kunnen doen op de 403-verklaring en uit dien hoofde een vordering hebben op de moedermaatschappij. Anders gezegd: de 403-vordering is een hoofdelijke vordering die altijd toekomt aan degene met de corresponderende vordering op de 403-maatschappij.
Bovenstaande uitleg van de 403-vordering duid ik aan als de dynamische 403-vordering. Hoewel deze duiding is gebaseerd op de eerdergenoemde redenering van Bartman,3 merk ik op dat de uitwerking ervan niet in alle gevallen overeen hoeft te komen met het standpunt van Bartman. Ik ga uit van mijn eigen interpretatie van de redenering.