Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.1
4.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715504:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het beginsel wordt ook wel aangeduid als het ultima ratio-beginsel, het subsidiariteitsbeginsel, principle of minimum criminalization, principle of necessity en last resort principle en komt ook tot uitdrukking in de spreuken nulla lex (poenalis) sine necessitate en in dubio pro libertate (Buisman 2020, p. 67; Van Kempen 2019a, p. 8; De Hullu 2021, p. 16; Ashworth 2013, p. 52; Ouwerkerk 2012, p. 229; Asp e.a. 2011, p. 88; Asp e.a. 2009, p. 707; Jareborg 2005, p. 531; Husak 2004, p. 208; Yoon 2001, p. 46; Roxin 1997, p. 25).
Ouwerkerk 2012, p. 230.
Smidt 1891a, p. 16.
Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 13. Dit overkoepelende uitgangspunt noemt Van Kempen de plicht tot terughoudendheid (requirement of limitation; Van Kempen 2019a, p. 21).
Jareborg 2005, p. 523; Yoon 2001, p. 22; Haveman 1998, p. 13. Over het daadstrafrecht merkten Pestman en Buruma ook al op dat er vooral lippendienst aan lijkt te worden bewezen (Pestman & Buruma 2016, par. 4).
Lestrade 2018, p. 145; Yoon 2001, p. 22; De Hullu 1993, p. 18; Van de Bunt 1989, p. 13 en 28.
De Roos 1987, p. 60.
Carvalho 2017, p. 1-2.
Een derde beginsel dat aan de basis van ons materiële strafrecht ligt, is het ultimum remedium-beginsel.1 Dit beginsel is te herleiden naar de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886.2 Minister Modderman schreef toen de sindsdien veelvuldig aangehaalde woorden:
“[…] alleen datgene mag gestraft worden, wat […] een onregt zij, waarvan de ervaring heeft geleerd dat het (waarbij natuurlijk op den gegeven maatschappelijken toestand te letten is) door geene andere middelen behoorlijk is te bedwingen. De strafbedreiging moet blijven een ultimum remedium. Uit den aard der zaak zijn aan elke strafbedreiging bezwaren verbonden. Ieder verstandig mensch kan dit ook zonder toelichting wel begrijpen. Dat wil niet zeggen dat men de strafbaarstelling achterwege moet laten, maar wèl dat men steeds tegenover elkander moet wegen de voordeelen en de nadeelen van de strafbaarstelling, en toezien dat niet de straf worde een geneesmiddel erger dan de kwaal.”3
Het beginsel houdt dus, kort gezegd, in dat het strafrecht terughoudend moet worden ingezet.4 Op dat uitgangspunt wordt nog altijd – naar Haveman meent nogal plichtmatig – door veel auteurs gewezen.5 Hoewel minister Modderman kennelijk meende dat iedereen wel zou begrijpen waarom het beginsel moest gelden, blijft vaak onduidelijk wat het beginsel precies inhoudt, waarom het moet gelden en hoe ‘ultiem’ de remedie moet zijn.6 De Roos wijst op het gevaar dat het beginsel door deze vaagheid als ‘bloedeloos cliché’ of dooddoener gaat functioneren en daardoor zijn waarde verliest.7 Dat gevaar is op het eerste gezicht niet geheel denkbeeldig, nu het strafrecht onophoudelijk in omvang toe blijft nemen.8 Het is daarom van belang de ratio achter het ultimum remedium-beginsel scherp te krijgen om vast te kunnen stellen in hoeverre strafbaarheid in de voorfase op gespannen voet staat met het ultimum remedium-beginsel. In de literatuur daarover zijn wederom liberale (§4.2), communitaristische (§4.3) en functionalistische perspectieven (§4.4) te onderscheiden.