Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.6.4
11.6.4 Als deelgerechtigde
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298355:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hosson suggereert dat de woorden ‘als deelgerechtigde’ in feite overbodig zijn: ‘The quoted words find their origin in the typically more elaborate drafting of the French text of the Directive and, in all likelihood, have no substantive meaning.’ F.C. De Hosson, ‘The Parent-Subsidiary Directive’, Intertax 1990/10, p. 432.
Helminen komt tot een vergelijkbaar resultaat. Bij de uitleg van de term deelgerechtigheid is naar haar mening het commentaar op art. 10 OESO-modelverdrag van belang. De interpretatie die daar wordt gegeven aan de term ‘vennootschappelijke rechten’ kan dan als richtsnoer dienen bij de uitleg van de term ‘deelgerechtigheid’. M. Helminen, Dividend equivalent benifits and the concept of profit distribution of the EC Parent-Subsidiary Directive, EC Tax Review 2000/3, p. 167. In haar conclusie in Les Vergers du Vieux Tauves die betrekking heeft op de vraag of de dividenden die een vruchtgebruiker ontvangt onder het bereik van de Moeder-dochterrichtlijn kunnen vallen, pleit advocaat-generaal Sharpston voor een ruime uitleg van het begrip ‘deelgerechtigdheid’. Punt 58 van de conclusie van A-G E. Sharpston van 3 juli 2008, zaak C-48/07.
In de Nederlandse jurisprudentie is deze kwestie aan de orde gesteld in BNB 2002/231*. In deze zaak ging het om economisch dubbele belastingheffing over de rente die bij de Duitse dochter/debiteur gedeeltelijk niet aftrekbaar was op grond van de Duitse regeling tegen onderkapitalisatie terwijl deze rente volgens de Nederlandse fiscus bij de Nederlandse crediteur belastbaar was. De crediteur had aan haar Duitse dochtervennootschap een leverancierskrediet verstrekt met een relatief lange renteloze betalingstermijn van vijftien tot twintig maanden. Belanghebbende wenste de rente die voor de Duitse debiteur niet aftrekbaar was in Nederland als deelnemingsdividend te beschouwen en deed onder meer een beroep op de Moeder-dochterrichtlijn. Vreemd genoeg ging het hof niet op deze stelling in.
Zouden uitkeringen waarop art. 4, lid 1, Rente- en royaltyrichtlijn van toepassing is, wel onder de andere winstuitkeringen in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn kunnen worden geschaard, dan worden zij, naar het mij voorkomt, echter niet als deelgerechtigde genoten. Deze uitkeringen zijn namelijk interest in de zin van art. 2 Rente- en royaltyrichtlijn en worden door de crediteur dus niet genoten als deelgerechtigde in de debiteur. In dit verband zij opgemerkt dat de term uitgekeerde winst eveneens wordt gebruikt in art. 5 Moeder-dochterrichtlijn dat beoogt om de uitgekeerde winst van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij vrij te stellen van bronbelasting. In dit voorschrift wordt in tegenstelling tot art. 4 Moeder-dochterrichtlijn niet vereist dat de moedermaatschappij de uitgekeerde winst als deelgerechtigde geniet. Art. 5 Moeder-dochterrichtlijn kan daarom wel van toepassing zijn op dergelijke andere winstuitkeringen. Ten aanzien van de bronheffingen zou het systeem dan sluitend zijn: een uitkering valt onder het bereik van de Moeder-dochterrichtlijn of onder de actieradius van de Rente- en royaltyrichtlijn. Wat betreft de belastingheffing van de lidstaat van de crediteur zou het systeem echter niet sluitend zijn. Dat is ook niet mogelijk omdat de Rente- en royaltyrichtlijn geen betrekking heeft op de belastingheffing door de lidstaat van de crediteur.
Wil art. 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn van toepassing zijn, dan moet de crediteur de rente genieten ‘op grond van de deelgerechtigheid van de moedermaatschappij in haar dochteronderneming’. Uitkeringen van winst ontvangen op grond van de deelgerechtigheid van de moedermaatschappij in haar dochteronderneming staan dus tegenover winstuitkeringen die zijn ontvangen als derde. De term ‘deelgerechtigheid’ wordt in de Moeder-dochterrichtlijn niet gedefinieerd.1
Uitkeringen die als dividend hebben te gelden voor de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn worden naar mijn mening altijd ontvangen op grond van de deelgerechtigheid van de moedermaatschappij in haar dochteronderneming. Zo zijn inkomsten uit een schuldvordering als dividend te beschouwen wanneer haar aflossing grotendeels afhangt van het succes van de onderneming van de debiteur.2 De crediteur neemt dan door middel van zijn schuldvordering in feite deel in de onderneming van de debiteur.3, 4