Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.6.3.2
2.6.3.2 De vereiste overdraagbaarheid (art. 3:81 en 3:83 BW)
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590412:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 januari 1993, NJ 1994/171(Van Schaik q.q./ABN Amro).
Vgl. HR 17 januari 2003, JOR 2003/52, NJ 2004/281(Oryx/Van Eesteren), over een beding dat als verpandingsverbod was geformuleerd (mag niet), maar waaraan niettemin goederenrechtelijke werking werd toegekend (kan niet). Zie ook HR 21 maart 2014, JOR 2014/151, NJ 2015/167(Coface/Intergamma): als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering anders blijkt.
Over de omgekeerde vraag, of een niet-overdraagbaarheidsbeding (zie art. 3:83 lid 2 BW) mede mag worden opgevat als niet-verpandbaarheidsbeding, wordt verschillend gedacht. Vriesendorp 1996, p. 105 meent dat niet-overdraagbaarheid niet per definitie met zich meebrengt dat de vordering niet in pand gegeven kan worden; waartegen Rank-Berenschot 1997, p. 32. Zie ook Rongen 2012, p. 682 en 711. In Rb. Arnhem 19 december 2012, JOR 2013/219(PMTG/Plusenergy) is aangenomen dat het onoverdraagbaarheidsbeding dat daar aan de orde was niet aan verpanding in de weg stond. In Rb. Amsterdam 4 maart 2015, JOR 2016/38(FloraHolland II) werd aangenomen dat een statutair verbod op cessie van het recht op een door een coöperatie gevormde participatiereserve mede een verbod inhield op verpanding van dat recht.
Vgl. HR 17 januari 2003, JOR 2003/52, NJ 2004/281(Oryx/Van Eesteren). In deze casus was naast de overdraagbaarheid van een vordering ook de verpandbaarheid daarvan expliciet uitgesloten.
H.J. Snijders in zijn NJ-noot onder Oryx/Van Eesteren wijst terecht op deze flexibiliteit.
Het oninbare karakter van de beneficiaire aanspraak staat m.i. niet aan een kwalificatie als vorderingsrecht in de weg; hetzelfde geldt m.i. voor certificaten van aandelen.
Snijders 1991, p. 1095; Van Engelen 2003, p. 2, 3, 5 en 15.
Waarom aandelen in een kapitaalvennootschap het karakter van vorderingsrecht en/of dat van contractueel vermogensrecht zouden ontberen, maakt Hartkamp niet duidelijk.
Hartkamp 2005, nr. 90.
Zie Toelichting op het Ontwerp-Van der Grinten, p. 1114, waar staat “De verdeling van het commanditaire kapitaal in aandelen zal gewoonlijk de bedoeling van partijen inhouden dat op enkele punten van de algemene regels van het vennootschapsrecht wordt afgeweken. Vooreerst mag worden aangenomen dat met de verdeling in aandelen beoogd wordt te bereiken dat de commanditaire deelneming overdraagbaar is. De verdeling in aandelen houdt impliciet zulk een voorziening in.”
Volgens artikel 3:81 lid 1 BW kan degene aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten vestigen. Deze wettelijke bepaling berust op een gedachte van Meijers. De vestiging van een beperkt recht moet volgens hem worden beschouwd als een “beschikken over een gedeelte van de bevoegdheden die aan hem die het recht vestigt, toekomen.” Voor de vestiging van een beperkt recht zou daarom vereist zijn, dat het moederrecht overdraagbaar is.1 Hoe sterk deze gedachte van Meijers is, kan in het midden blijven. Feit is dat het vennootschapsaandeel in een maatschap, opgevat als vorderingsrecht, ingevolge artikel 3:81 lid 1 BW alleen verpandbaar is als het overdraagbaar is.
De overdraagbaarheid van vermogensrechten wordt geregeerd door artikel 3:83 BW. Ervan uitgaande dat het vennootschapsaandeel een vorderingsrecht is, zijn de leden 1 en 2 toepasselijk en is lid 3 dat niet. Uit de aard van een vennootschapsaandeel (waaronder het intuitu personae karakter dat de maatschap in beginsel heeft) kan worden afgeleid dat de vennoot dat aandeel slechts met instemming van de medevennoten kan overdragen. Die instemming kan generiek worden verleend, in de maatschapovereenkomst, dan wel ad hoc. Aan het overdraagbaarheidsvereiste van artikel 3:81 lid 1 BW kan dus worden voldaan. Is een vorderingsrecht niet overdraagbaar, dan heeft die beperking goederenrechtelijke werking.2 Het betreft dan een beperking (‘kan niet’) die in het recht zelf besloten ligt.3
De artikelen 3:81 en 3:83 BW zijn van overeenkomstige toepassing op de vestiging van een pandrecht (art. 3:98 BW). De aard van het vennootschapsaandeel staat aan verpanding in de weg, tenzij uit de maatschapsovereenkomst anders voortvloeit. In de maatschapsovereenkomst of ad hoc kan worden bepaald dat het aandeel overdraagbaar én verpandbaar is. Of een beding dat overdracht toelaat mede mag worden opgevat als een beding dat verpanding toelaat, is een kwestie van uitleg.4 Door in de overeenkomst beide vormen van beschikken uitdrukkelijk te noemen, kan twijfel worden vermeden. Voor verpandbaarheid kunnen andere regels worden gesteld dan voor overdraagbaarheid.5 Zo is denkbaar dat de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht zeer sterk wordt beperkt, terwijl de verpandbaarheid wordt uitgesloten of juist geheel wordt vrij gelaten.6 Al met al staan de artikelen 3:81 en 3:83 BW niet aan het verpandbaar maken van een vennootschapsaandeel in de weg.
Mijn stelling dat de overdraagbaarheid van het vennootschapsaandeel wordt geregeerd door de leden 1 en 2 van artikel 3:83 BW, en niet door lid 3, berust op mijn uitgangspunt dat het een vorderingsrecht betreft.7 De leden 1 en 2 spreken slechts van ‘vorderingsrechten’, maar gelden ook voor zelfstandige contractuele vermogensrechten die niet het karakter van vorderingsrecht hebben, zoals een optierecht (dit is een wilsrecht, geen vorderingsrecht).8 Ook als het vennootschapsaandeel geen vorderingsrecht is, zou ik daarom niet bij lid 3 uitkomen. Bij lid 3 is onder meer gedacht aan intellectuele-eigendomsrechten (inclusief mogelijk formats, sportrechten en bedrijfsgeheimen), en publiekrechtelijke vermogensrechten uit vergunningen, beschikkingen en ontheffingen.9
Hartkamp noemt als voorbeelden van vermogensrechten die onder lid 3 zouden vallen, naast aandelen in een NV of BV,10 ook aandelen in een CV (met rechtspersoonlijkheid) zoals voorzien in het Ontwerp-Van der Grinten.11 Van der Grinten zelf zag dit anders. Hij zocht de grondslag voor de overdraagbaarheid van aandelen in een CV niet in de wet, maar in de bedoeling van partijen.12 De CV op aandelen naar het recht dat gold toen Van der Grinten zijn ontwerp presenteerde (in 1972) is afgeschaft in 1975. Ik kan mij niet voorstellen dat, ware dat niet gebeurd, iemand had willen verdedigen dat artikel 83 lid 3 met ingang van 1 januari 1992 aan overdracht van aandelen in een dergelijke CV in de weg had gestaan. Toevoeging van rechtspersoonlijkheid aan de CV maakt de aard van commanditaire vennootschapsaandelen
niet wezenlijk anders: het zijn en blijven contractuele vermogensrechten waarvan de overdraagbaarheid m.i. geregeerd wordt door de eerste twee leden van artikel 3:83 BW. Ook als men deze contractuele vermogensrechten niet als vorderingsrechten zou willen duiden.