Einde inhoudsopgave
De overeenkomst in het insolventierecht (R&P nr. InsR3) 2012/7.3.2
7.3.2 De hoofdregel
mr. T.T. van Zanten, datum 14-09-2012
- Datum
14-09-2012
- Auteur
mr. T.T. van Zanten
- JCDI
JCDI:ADS391549:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. De Wilde 2005, p. 172; Dirix 2010a, p. 155.
Dirix & Jansen 2010, p. 171, verdedigen dat tijdens een procedure tot gerechtelijke reorganisatie in de zin van de WCO wel eerder mag worden aangenomen dat de bevoegdheid tot opschorting wordt misbruikt. Indien bijvoorbeeld een retentierecht wordt uitgeoefend op goederen die voor de continuïteit van de onderneming van wezenlijk belang zijn en het verder onzeker is of de retentor iets te winnen heeft onder een fflillissementsscenario, dient de uitoefening van het retentierecht naar hun mening ongetwijfeld als abusief te worden geoordeeld. Zie ook Hof Antwerpen 6 juni 2011, R. W 2011-12, p. 747-753, m.nt. J. de Weggheleire. Zie tevens over de mogelijkheid tot het uitoefenen van opschortingsrechten tijdens faillissement en gerechtelijke reorganisatie De Weggheleire 2011, p. 730-733 en p. 735-737.
Zie Dirix 2010a, p. 156. Zie ook Dirix & Jansen 2010, p. 186-187.
Zie Zenner 2009, p. 103.
Zie in dit verband Collier on Bankruptcy 2006, nr. 366.01, waar het voorbeeld wordt gegeven van een contractpartij die weigert te presteren 'as an attempt to coerce payment in violation of [the] automatic stay'.
Zie Collier on Bankruptcy 2006, nr. 366.05.
Zie In re Whittaker, 882 F.2d 791, 793 (3d Cir.1989); In tv Tarrant, 190 B.R. 704 (Bankr. S.D. Ga. 1995).
Zie In re Monroe Well Serv., Inc., 83 B.R. 317. 18 C.B.C.2d 607 (Bankr. E.D. Pa. 1988).
Zie BR 20 maart 1981, NJ 1981, 640, m.nt. CJHB.
Zie HR 12 mei 1989, NJ1989, 613 (Reco/Staat); HR 24 juni 1994, NJ1995, 368, m.nt. HJS (LVB/Kazow en Tri:juk:ar). Zie voorts het hierna te bespreken HR 16 oktober 1998, NJ1998, 896 (Van der Hel q.q./Edon). Zie ook Van Zanten 2009, p. 99-100. Vgl. Verstijlen 1998a, p. 110-113, die de problematiek in economische termen benadert en vanuit die invalshoek tot de conclusie komt dat indien de curator er in het belang van de boedel voor kiest de fflillissementsvordering van de wederpartij te betalen, van een doorkruising van het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers géén sprake is.
Zie ook Van Zanten 2009, p. 100. Instemmend: Zetteler & Vermaire 2012, p. 107.
Zie § 2.2.1.4.
Zie voor een bespreking van diverse uitspraken uit het begin van jaren tachtig: Verschoof & Van der Dussen 1986, p. 1244-1248. Zie voorts: Rb. Amsterdam 14 januari 1982, NJ 1982, 252; Pres. Rb. Den Haag 31 mei 1994, KG 1994, 356; Pres. Rb. Arnhem 23 juni 1995, KG 1995, 287; Pres. Rb. Arnhem 24 augustus 1995, KG 1995, 350; Pres. Rb. Maastricht 8 november 1996, JOR 1997, 14.
Zie Pres. Rb. Haarlem 9 augustus 1982, rolnr. KG 272/1982 (n.g.), waarover Verschoof & Van der Dussen 1986, p. 1244-1245; Pres. Rb. Arnhem 23 juni 1995, KG 1995, 287; Pres. Rb. Den Haag 31 mei 1994, KG 1994, 356, in welke uitspraak het feit dat het belang van een derde in het geding was overigens slechts een ondergeschikte rol leek te spelen. Zie voorts Pres. Rb. Utrecht 27 augustus 1982, rolnr. KG. 305/1982 (n.g.), waarover Verschoof & Van der Dussen 1986, p. 1245, waarin beide aspecten — bederfelijke waar én het belang van een derde — aan de orde waren.
Zie Pres. Rb. Almelo 27 november 1996, JOR 1997, 11, m.nt. S.C.J.J. Kortmann.
Zie Hof Arnhem 8 april 1997, JOR 1997, 61, m.nt. S.C.J.J. Kortmann.
Zie HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 896.
Zie HR 19 april 1996, NJ 1996, 727, m.nt. WMK, r.o. 3.5.2.
Zie HR 24 februari 1995, NJ 1996, 472, m.nt. WMK, r.o. 3.5. Zie over de arresten Maclou en Sigmacon II nader § 2.5.
Zie de conclusie van A-G Spier, r.o. 4.13.
Ook A-G Spier signaleert dit verschil overigens, maar meent dat niets zich ertegen verzet om de in de arresten Sigmacon II en Maclou ontwikkelde redenering te extrapoleren naar andere gevallen; zie to. 4.13, noot 24 van diens conclusie voor het arrest Van der Hel q.q./Edon.
Zie § 4.6.1.2.
Zie ook Van Zanten 2009, p. 95-96. Anders: S.C.J.J. Kortmann, die in zijn annotaties onder het vonnis van de President van de Rechtbank Almelo in JOR 1997/11, het arrest van het Hof Arnhem in JOR 1997/61 en het arrest van de Hoge Raad in JOR 1999/17, in algemene zin verdedigt dat het gebruik van het opschortingsrecht in faillissement teneinde zich een feitelijke voorrangspositie te verschaffen, strijdig is met de tussen de schuldeisers in acht te nemen redelijkheid en billijkheid en op die grond niet zou moeten worden gehonoreerd, en dat in een voorkomend geval hetzelfde zou moeten gelden voor een beroep op art. 37 Fw.
Zie § 2.2.1.5.
Zie § 2.4.
Het hof was aan deze stelling van de curator ten onrechte voorbijgegaan, zodat het arrest van het hof alsnog werd vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Hof Leeuwarden werd verwezen. Zover is het vermoedelijk echter nooit meer gekomen, nu uit het arrest blijkt dat de openstaande schuld inmiddels door de doorstarter aan Edon was betaald.
Zie nader § 7.3.3.
Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat partijen sinds het arrest Van der Hel q.q./Edon wel zo ongeveer weten wat in voorkomende gevallen hun rechtspositie is. Ook de invoering van een doorleveringsplicht in art. 37b Fw in 2005 zal hieraan vermoedelijk hebben bijgedragen. Zie echter in dit verband Vzr. Rb. Zwolle-Lelystad 7 juli 2008, JOR 2008, 316, waarover § 7.5.4.
Zie Vzr. Rb. Amsterdam 9 april 2009, LJN: BJ5559, waarover ook Van Zanten 2009, p. 97-99.
Zie over de regeling van art. 3.4.2 van het voorontwerp Insolventiewet uitgebreid § 7.6.
Naar Belgisch recht geldt dat de wederpartij tijdens faillissement de mogelijkheid behoudt zich te beroepen op de exceptio non adimpleti contractus, ook indien dit beroep ertoe strekt een op datum faillissement reeds bestaande schuld — die ingeval van gestanddoening op de voet van art. 46 Faill.W. niet tot boedelschuld promoveert — te incasseren.1 Hetzelfde geldt onder een procedure tot gerechtelijke reorganisatie in de zin van de WCO.2 Dit laatste heeft in de literatuur tot veel kritiek aanleiding gegeven. Zo stelt Dirix onder verwijzing naar het Franse recht en de in het voorontwerp Insolventiewet opgenomen doorleveringsplicht dat het Belgische recht op dit punt tekortschiet, omdat de uitoefening van opschortingsrechten door leveranciers buitengewoon hinderlijk kan zijn indien men de onderneming wil continueren.3 Zenner schrijft zelfs dat het principe van de continuïteit van het contract aldus in de praktijk een dode letter zal blijven.4
Iets anders geldt naar Amerikaans recht. § 362(a)(6) BC doorkruist in algemene zin 'any act to collect, asses or recover a claim against the debtor that arose before the commencement of the case'.5 Hiernaast bevat § 366 BC een meer uitgewerkte regeling voor overeenkomsten op basis waarvan aan de schuldenaar een utility service wordt verleend. Het gaat om nutsovereenkomsten in de ruimste zin des woords, hetgeen impliceert dat niet alleen contracten met betrekking tot de levering van gas, water of elektriciteit, maar bijvoorbeeld ook telefoniecontracten onder de reikwijdte van § 366 BC zijn begrepen. Hoewel leveranciers van de hier bedoelde goederen en diensten traditioneel een monopoliepositie innemen, is het hebben van de status van monopolist geen voorwaarde om door de werking van § 366 BC te worden getroffen.6 Dit betekent dat de regeling in deze tijden van liberalisering in belangrijke mate haar functie behoudt .7
In § 366(a) BC is bepaald dat:
`[...] a utility may not alter, refuse, or discontinue service to, or discriminate against, the trustee or the debtor solely on the basis of the commencement of a case under this title or that a debt owed by the debtor to such utility for service rendered before the order for relief was not paid when due'.
Uit deze bepaling volgt niet alleen dat op utilities die reeds bij de schuldenaar betrokken zijn een doorleveringsplicht rust, maar ook dat een niet (meer) contractueel aan de schuldenaar gebonden utility tot levering kan worden verplicht.8 De door § 366(a) BC buiten werking gestelde bevoegdheden herleven ingevolge § 366(b) BC indien de trustee niet binnen 20 dagen zorgdraagt voor adequate assurance of payment van ná de aanvang van de procedure te ontstane schulden. Een utility kan niet met een beroep op de algemene regeling van § 365 BC aan zijn verplichtingen op grond van § 366 BC ontsnappen.9
Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.10
In Nederland is het standaardarrest inzake de positie van de dwangcrediteur in faillissement het arrest van de Hoge Raad in de zaak Veluwse Nutsbedrijven/ Blokland q.q. uit 1981. In deze procedure stelde het nutsbedrijf zich op het standpunt gerechtigd te zijn de levering van gas en water te staken zolang een schuld van de afnemer ad f 543,31 die dateerde van vóór de datum waarop aan hem voorlopige surseance van betaling was verleend, zou zijn betaald. De Hoge Raad — die irrelevant achtte dat het later ingetreden faillissement was voorafgegaan door een (voorlopige) surseance en om die reden ter vereenvoudiging uitging van het geval dat de afnemer direct failliet zou zijn verklaard — stelde voorop:
`dat een recht als het onderhavige — het recht om verdere leveranties op te schorten zolang eerdere leveranties niet zijn betaald — in beginsel ook kan worden uitgeoefend in geval van faillissement van de wederpartij en met het doel om betaling te verkrijgen van een oude — dit is een voor de faillietverklaring ontstane — schuld. De curator zal dan het belang van de boedel bij voortzetting van de leveranties hebben af te wegen tegen het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers. Dit laatste belang zal er in het algemeen mee gediend zijn dat van verdere leveranties wordt afgezien, waarbij mede valt te denken aan de mogelijkheid dat de curator de desbetreffende goederen van elders betrekt.'
De hoofdregel is dus dat een crediteur bevoegd is zijn opschortingsrecht in te zetten teneinde de curator ertoe te bewegen diens openstaande faillissementsvordering te voldoen. De enigszins cryptische overweging die de Hoge Raad hierop doet volgen, houdt mijns inziens niet meer in dan dat de curator in een voorkomend geval dient te onderzoeken of de boedel per saldo bij voortzetting van de leveranties is gebaat en dat in het bevestigende geval de met de betaling van de openstaande schuld gepaard gaande doorbreking van de gelijkheid van schuldeisers — of beter: de tussen de schuldeisers geldende rangorde — gerechtvaardigd is. In een reeks van arresten heeft de Hoge Raad deze regel bevestigd en veralgemeniseerd: de curator is steeds bevoegd de rangregeling te doorbreken indien dat in het belang van de boedel c.q. de gezamenlijke schuldeisers is.11 Dat is mijns inziens terecht.12 De curator oefent diens taak in de eerste plaats uit in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Hun belang is niet zozeer gediend met de verwerkelijking van de rangregeling, als wel met de realisatie van een zo groot mogelijke uitkering.13
In het Veluwse Nutsbedrijven-arrest trok de curator uiteindelijk toch aan het langste eind. In aansluiting op de hiervoor weergegeven overwegingen oordeelde de Hoge Raad:
`Voor wat het onderhavige geval betreft, dient echter in aanmerking te worden genomen dat het hier gaat om de levering van gas en water, dus zaken die in de particuliere sfeer strekken ter voorziening in de eerste levensbehoeften, en dat de vennootschap — een openbaar nutsbedrijf— in haar distributiegebied een wettelijk beschermde monopoliepositie inneemt. Dit brengt mee dat de curator, die bij de uitoefening van zijn taak ook met de gerechtvaardigde belangen van de gefailleerde rekening heeft te houden, het in het algemeen niet zal kunnen laten aankomen op het staken van verdere leveranties, nu voor de gefailleerde geen mogelijkheid bestaat om zich tot een andere leverancier te wenden, die hij zou kunnen voldoen uit hetgeen de R-C heeft bepaald dat hij voor zijn levensonderhoud van zijn inkomsten mag behouden. Het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers zal dus in zo'n geval op een andere wijze moeten worden beschermd, en wel door een uitzondering te aanvaarden op de hiervoor bedoelde hoofdregel voor het geval dat een failliet verklaarde afnemer van het nutsbedrijf door afsluiting ter zake van wanbetaling in de voormelde eerste levensbehoeften van hem en zijn gezin zou worden getroffen. In een dergelijk geval komt het nutsbedrijf de bevoegdheid tot afsluiting wegens een onbetaald gebleven schuld van voor de faillietverklaring niet toe.'
Teneinde geen misverstanden te laten ontstaan over de reikwijdte van deze uitzondering voegde de Hoge Raad hieraan toe dat:
Idlit uitzonderingsgeval zich niet voor[doet], indien de afsluiting uitsluitend betrekking heeft op een bedrijfsgebouw, of anderszins alleen van belang is voor een eventuele voortzetting door de curator van het bedrijf van de gefailleerde. De curator is dan immers vrij om in verband met kosten als de onderhavige eventueel van een zodanige voortzetting af te zien.'
Het arrest Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q. heeft — ondanks zijn duidelijke bewoordingen — geenszins tot 'rechtsvrede' geleid. In de jaren tachtig en negentig zijn tal van kortgedingprocedures gevoerd waarin curatoren de reikwijdte van de afsluitingsbevoegdheid van de nutsleverancier vanwege het onbetaald blijven van een schuld van vóór de faillietverklaring ter discussie stelden.14 In sommige gevallen werd daarbij ook succes geboekt, bijvoorbeeld ingeval sprake was van bederfelijke waar of de positie van een derde, zoals een huurder, in het gedrang dreigde te geraken.15
Van der Hel q.q./Edon
Eind 1996 opende de curator in de zaak Van der Hel q.q./Edon frontaal de aanval op het Veluwse Nutsbedrijven-arrest, in het bijzonder op het oordeel dat géén ruimte bestaat voor een uitzondering indien de afsluiting uitsluitend betrekking heeft op een bedrijfsgebouw of anderszins alleen van belang is voor de voortzetting van onderneming. Edon dreigde de overdracht van de onderneming going concern te frustreren door de energietoevoer te staken indien geen garantie zou worden afgegeven voor de betaling van alle openstaande en nog te verschijnen nota's. De curator was echter niet in staat een dergelijke garantie af te geven; hij beschikte slechts over de middelen om de kosten voor leveranties vanaf datum faillissement te voldoen. De curator meende bovendien ook niet gehouden te zijn de faillissementsschuld te voldoen en vorderde in kort geding dat Edon zou worden veroordeeld om haar leveranties voor de duur van de afkoelingsperiode te continueren, opdat de overdracht van het bedrijf going concern kon worden geëffectueerd. Hij beriep zich daarbij op de sinds het wijzen van het Veluwse Nutsbedrijven-arrest in 1981 gewijzigde maatschappelijke opvattingen, hetgeen onder meer zou blijken uit de introductie van de afkoelingsperiode.
De President liet dit argument onbesproken, maar stelde de curator na een afweging van de in het geding zijnde belangen niettemin in het gelijk. In dat kader gaf de doorslag dat Edon ook indien zij niet zou overgaan tot onmiddellijke afsluiting, haar ijzersterke positie niet zou opgeven, doordat ook de overnemer voor energielevering op Edon zou zijn aangewezen en ter zitting was gebleken dat de kosten van een nieuwe aansluiting aanmerkelijk hoger waren dan de openstaande vordering. Hierdoor was Edon volgens de President vrijwel verzekerd van betaling van de openstaande schuld, terwijl zij evenmin schade leed doordat (ook) de betaling van nog te verrichten leveranties was gegarandeerd. In dit licht had Edon naar het oordeel van de President geen rechtens te respecteren belang bij afsluiting, reden waarom zij werd verplicht haar leveranties voor de duur van de afkoelingsperiode voort te zetten.16
Edon ging tegen het vonnis in appel. Het hof oordeelde dat de doorstart van een failliete onderneming door de overdracht going concern sinds 1981 weliswaar een veel voorkomend verschijnsel was geworden, maar dat dit op zichzelf onvoldoende grond vormde voor de aantasting van het opschortings- of ontbindingsrecht van een individuele crediteur als Edon. De curator die wil onderzoeken of een dergelijke overdracht tot de mogelijkheden behoort, dient zich volgens het hof te verzekeren van een toereikend boedelkrediet, op basis waarvan zonodig 'oude' schulden aan leveranciers kunnen worden betaald. De regel uit het arrest Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q. dat de bevoegdheid tot opschorting in faillissement kan worden benut om de curator te dwingen bestaande schulden te betalen, gold naar het oordeel van het hof nog onverkort. Door gebruikmaking van die bevoegdheid handelde Edon volgens het hof evenmin in strijd met de door haar jegens de overige schuldeisers in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. Het hof beriep zich daarbij onder meer op de regeling van art. 37 Fw, die ervan uitgaat dat de wederpartij haar eigen prestaties kan opschorten of het contract kan ontbinden indien de curator geen zekerheid stelt voor de nakoming van de gehele overeenkomst, dus inclusief de nog openstaande schuld van vóór datum faillissement. Voorts meende het hof dat Edon haar ijzersterke positie wél zou verliezen indien haar de mogelijkheid tot afsluiting zou worden ontnomen, omdat Edon vanwege haar aansluitingsplicht een nieuwe aansluiting niet zou kunnen weigeren en de overnemer daardoor niet zou kunnen dwingen tevens de bestaande schuld op zich te nemen. De curator werd dan ook alsnog in het gelijk gesteld.17
In cassatie overwoog de Hoge Raad geen aanleiding te zien terug te komen van hetgeen hij in het Veluwse Nutsbedrijven-arrest had beslist:
`De in dat arrest aanvaarde regel strekt zich ook uit tot een geval als het onderhavige, waarin de wederpartij van de gefailleerde een monopoliepositie inneemt. In dat arrest is onder ogen gezien dat de afweging die de curator zal moeten maken tussen het belang bij voortzetting van de leveranties en een gelijke behandeling van schuldeisers, ertoe kan leiden dat in feite afbreuk gedaan wordt aan die gelijke behandeling. De feitelijke voorrang die het gevolg kan zijn van de op die afweging berustende beslissing van de curator en die voortvloeit uit art. 6:262 lid 1 BW, is niet uitzonderlijk te noemen. Immers, ook op andere manieren — bijvoorbeeld door het uitoefenen van het recht van reclame en verrekening in geval van faillissement — kan een feitelijke voorrang worden bewerkstelligd.'18
Ik vind de door de Hoge Raad gebezigde argumentatie niet overtuigend. Het in art. 6:262 BW neergelegde opschortingsrecht staat in beginsel aan iedere contractpartij met een openstaande faillissementsvordering ten dienste, terwijl niet iedere contractpartij een feitelijke voorrang weet te bewerkstelligen. Ik meen dan ook dat die voorrangspositie in een voorkomend geval niet zozeer volgt uit art. 6:262 BW, als wel uit de omstandigheid dat de failliete onderneming van de prestaties van de wederpartij afhankelijk is. In de beginfase van het faillissement kan die afhankelijkheid jegens iedere wederpartij bestaan, daarna in de regel alleen nog jegens schuldeisers die een (feitelijke) monopoliepositie innemen, zoals destijds ten aanzien van Edon nog het geval was. In dit licht wordt de hoofdregel dat de bevoegdheid tot opschorting in faillissement kan worden benut om de curator te dwingen openstaande facturen van vóór datum faillissement te voldoen, in mijn ogen iets te gemakkelijk doorgetrokken naar situaties waarin de wederpartij in kwestie de status van monopolist heeft.
Er lijkt ook een zekere spanning te zitten tussen het arrest Van der Hel q.q./Edon en het ruim twee jaar eerder gewezen Maclou-arrest. In dit laatste arrest oordeelde de Hoge Raad immers nog met zoveel woorden dat aan maatschappelijke belangen onder omstandigheden voorrang kan toekomen boven het belang van een individuele schuldeiser,19 waarbij in het licht van het ruim een jaar eerder gewezen Sigmacon II-arrest in ieder geval dient te worden gedacht aan het belang van de continuïteit van de onderneming en behoud van werkgelegenheid.20 In zijn conclusie voor het arrest Van der Hel q.q./Edon stelt A-G Spier — onder verwijzing naar de arresten Maclou en Sigmacon II — het allerminst uitgesloten te achten dat de hier bedoelde maatschappelijke belangen:
‘[…] in een concreet geval zo zwaar wegen dat zij, afgewogen tegen het belang van de leverancier van openbare nutsvoorzieningen, het laatste het onderspit doen delven. Zulks in dier voege dat het door Edon gehanteerde wapen niet mag worden gehanteerd. De curator doet evenwel op deze jurisprudentie geen beroep; evenmin op zodanige omstandigheden.'21
Het is dus, althans in de visie van A-G Spier, niet ondenkbaar dat het oordeel van de Hoge Raad inzake Van der Hel q.q./Edon anders zou hebben geluid indien de curator de in het geding zijnde maatschappelijke belangen en de arresten Sigmacon II en Maclou in cassatie nadrukkelijk ten tonele had gevoerd. Men realisere zich echter dat de curator zowel in de zaak Sigmacon II als in de zaak Maclou het feitelijk in zijn macht had de (separatisten)positie van de betreffende schuldeiser te frustreren en alleen nog de vraag aan de orde was wat dit voor diens (persoonlijke) aansprakelijkheid betekende. Dit is mijns inziens een wezenlijk andere vraag dan de vraag of de in het geding zijnde maatschappelijke belangen kunnen meebrengen dat een individuele bevoegdheid niet in faillissement kan worden uitgeoefend.22
Hoe dit ook zij, de vraag of een beroep op een opschortingsrecht ongeoorloofd moet worden geacht indien de continuïteit van de onderneming op het spel staat, bevat een belangrijke rechtspolitieke component en dient naar mijn mening om die reden in de eerste plaats door de wetgever te worden beantwoord. Dit geldt in het bijzonder omdat — zoals het Hof Arnhem in de zaak Van der Hel q.q./Edon terecht opmerkt — ook de regeling van art. 37 Fw ervan uitgaat dat de curator ten aanzien van overeenkomsten die van beide zijden nog niet geheel zijn nagekomen, slechts de keuze heeft tussen niet-nakoming en (algehele) nakoming.
Om dezelfde reden meen ik dat de Hoge Raad in de zaak Van der Hel q.q./Edon terecht vasthoudt aan de in het Veluwse Nutsbedrijven-arrest geformuleerde hoofdregel dat het opschortingsrecht tijdens faillissement kan worden ingezet zolang de van vóór het faillissement daterende schulden niet worden betaald. Zou een partij bij een met de schuldenaar gesloten duurovereenkomst in het algemeen de mogelijkheid worden ontnomen zich te beroepen op een opschortingsrecht in verband met een tekortkoming die dateert van vóór de intrede van het faillissement, dan zou die wederpartij tegelijkertijd een beroep op art. 37 Fw moeten worden ontzegd, althans zouden de consequenties van een bereidverklaring van de curator zich niet langer mede over de periode vóór faillissement moeten uitstrekken. In de zaak Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q. stuurde de curator daar ook uitdrukkelijk op aan door te verklaren dat hij bereid was de overeenkomst voor de toekomst gestand te doen. Een dergelijke fundamentele koerswijziging — waarvan ik een voorstander ben23 — dient naar mijn mening niet door de Hoge Raad, maar door de wetgever te worden ingezet.24
Het feit dat de Hoge Raad in het arrest Van der Hel q.q./Edon geen aanleiding ziet terug te komen van de met het Veluwse Nutsbedrijven-arrest ingezette koers, laat naar zijn oordeel evenwel onverlet:
`dat [...] het in de omstandigheden van het geval jegens de boedel en/of de andere schuldeisers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen zijn dat het energiebedrijf de energietoevoer zou beëindigen.'
De wederpartij dient dus niet alleen rekening te houden met de belangen van de schuldenaar, maar ook met het belang van de boedel en/of de andere schuldeisers, waarbij van belang is zich te realiseren dat het belang van de boedel en dat van de andere — zuiverder: gezamenlijke — schuldeisers steeds parallel loopt.25 Ook dit oordeel lijkt mij juist. Schuldeisers zijn tijdens het faillissement van hun schuldenaar gehouden zich jegens elkaar conform de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen,26 hetgeen eveneens opgaat indien de uitoefening van een bevoegdheid tot opschorting in het geding is.27
Uit het arrest Van der Hel q.q./Edon kan worden opgemaakt dat de Hoge Raad een beroep op een opschortingsrecht jegens de boedel c.q. de gezamenlijke schuldeisers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht, indien de wederpartij zonder dat beroep haar ijzersterke onderhandelingspositie niet zou prijsgeven. Dit leek het geval te zijn, doordat de kosten van een nieuwe aansluiting volgens de curator de omvang van de oude schuld aanmerkelijk overtroffen, zodat ervan kon worden uitgegaan dat de doorstarter niet zou opteren voor een nieuwe aansluiting, maar voor continuering van de bestaande aansluiting tegen betaling van de uitstaande schuld.28 In § 7.3.3 onderzoek ik of er ook andere omstandigheden zijn die de uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting in verband met het onbetaald blijven van op datum faillissement bestaande schulden mogelijk ongeoorloofd maken.
De vraag rijst of de tussen de schuldeisers in acht te nemen redelijkheid en billijkheid in een voorkomend geval ook kan worden ingezet om het ontbindingsrecht van de wederpartij te doorkruisen. Op basis van de tekst van de hiervoor weergegeven passage zou kunnen worden betoogd dat dit inderdaad het geval is, nu de Hoge Raad immers spreekt over het 'beëindigen' van de energietoevoer, hetgeen ook in geval van een ontbinding van het contract de uitkomst zal zijn. In het geval dat de Hoge Raad op het oog lijkt te hebben is dat ook niet zo verwonderlijk, omdat dit zich daardoor kenmerkt dat de openstaande schuld zal worden betaald, zodat er dan niet alleen geen grond voor opschorting bestaat, maar evenmin een grond voor ontbinding. Blijft de openstaande schuld evenwel onbetaald, dan lijkt een doorkruising van het ontbindingsrecht niet aan de orde, terwijl dit onder omstandigheden ten aanzien van het opschortingsrecht mogelijk wél het geval is.29
Molhuysen q.q./SaaSplaza
Sinds het verschijnen van het arrest Van der Hel q.q./Edon is de stroom van jurisprudentie omtrent de positie van de dwangcrediteur aanzienlijk afgenomen.30 Recentelijk werd evenwel weer eens een typische `dwangcasus' aan de rechter voorgelegd.31 In de surseance van Oilily weigerde leverancier en beheerder van de IT-infrastructuur SaaSplaza haar werkzaamheden voort te zetten zolang haar openstaande vordering van circa € 230.000 niet integraal zou zijn betaald. Oilily en haar bewindvoerder verzetten zich hiertegen en vorderden in kort geding dat SaaSplaza zou worden veroordeeld haar diensten te continueren. Het belang van SaaSplaza bij het verkrijgen van een betere verhaalspositie was naar hun oordeel te verwaarlozen indien het zou worden afgezet tegen het belang van Oilily bij het openhouden van de mogelijkheid van een doorstart. Werd in de zaak Van der Hel q.q./Edon nog een beroep gedaan op gewijzigde maatschappelijke opvattingen om de rechter van de met het Veluwse Nutsbedrijven-arrest ingezette koers te doen afwijken, ditmaal werd gepoogd om de rechter er met een beroep op 'rechtsontwikkelingen' van te overtuigen dat een ruimhartige interpretatie van art. 237b Fw — waarin de door-leveringsplicht voor nutsleveranciers in surseance is neergelegd — in de rede lag. Hoewel uit het vonnis niet blijkt welke rechtsontwikkelingen hier worden bedoeld, ligt voor de hand dat Oilily en haar bewindvoerder het oog hadden op art. 3.4.2 van het eind 2007 verschenen voorontwerp Insolventiewet, op grond waarvan nagenoeg alle leveranciers van goederen of diensten tijdelijk tot doorlevering kunnen worden verplicht zonder dat eerst hun openstaande `insolventievordering' dient te worden betaald.32
Zonder aan dit argument uitdrukkelijk aandacht te besteden, overwoog de voorzieningenrechter als volgt:
`Onderzocht dient te worden of de gegeven omstandigheden eraan in de weg staan dat SaaSplaza haar opschortingsrechten uitoefent. Dit zou het geval kunnen zijn indien het gaat om het staken van voor de bedrijfsvoering van de Oilily Groep zo noodzakelijke diensten, dat zonder die dienstverlening Oilily haar bedrijfsvoering niet op een aanvaardbare wijze kan voortzetten en zonder dat Oilily voldoende gelegenheid is geboden te voorzien in een andere oplossing.'
De Voorzieningenrechter wijkt aldus evident af van de hoofdregel uit het arrest Van der Hel q.q./Edon. Het opschortingsrecht mag hier immers niet worden benut om de schuldenaar en haar bewindvoerder te dwingen de openstaande schuld te voldoen; hun moet de gelegenheid worden geboden in een andere oplossing te voorzien. Dit lot trof uiteindelijk ook SaaSplaza, die werd veroordeeld om gedurende een periode van tien dagen haar diensten te continueren, terwijl van de zijde van Oilily zodanige zekerheid moest worden gesteld dat (slechts) de na datum surseance verrichte prestaties daaruit konden worden betaald. Of de lagere rechtspraak hiermee een meer `reorganisatievriendelijke' richting is ingeslagen, zal de tijd moeten uitwijzen.