Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.3.2:14.3.2 Het systeem van de Human Rights Act
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.3.2
14.3.2 Het systeem van de Human Rights Act
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197297:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Whitepaper, par. 2.7.
Jacobs, White & Ovey 2014, p. 105.
Whitepaper, par. 2.9.
Dickson 2013, p. 64.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In artikel 1 van de HRA zijn de bepalingen uit het EVRM opgesomd die de wet implementeert. Het gaat om artikel 1 tot en met 12 en 14 van het EVRM, artikel 1 tot en met 3 van het Eerste Protocol en artikel 1 van het Dertiende Protocol. De integrale tekst van deze artikelen is opgenomen in een bijlage bij de HRA. De kern van de HRA wordt gevormd door artikel 6, waarin een verbod voor public authorities is opgenomen om in strijd met de genoemde EVRM-rechten te handelen.1 Onder public authority moet in dit kader worden verstaan: “a court or tribunal” en “any person certain of whose functions are functions of a public nature”.2 Het is aan de rechter om te beoordelen of public authorities in strijd met het EVRM hebben gehandeld.3 Wat uitdrukkelijk niet als public authority wordt aangemerkt is het parlement.4 Door deze bepaling wordt buiten twijfel gesteld dat de parlementaire souvereiniteit niet wordt aangetast door de HRA. Het parlement blijkt dus ook na de inwerkingtreding van de HRA bevoegd om alle wetten aan te nemen die het maar wil, ook als die in strijd zijn met het EVRM. Het is de rechter dus (nog steeds) niet toegestaan om formele wetten die door het parlement zijn aangenomen wegens strijd met mensenrechten buiten toepassing te laten. Welke instrumenten staan de Britse rechter bij de uitoefening van zijn taak dan wel tot zijn beschikking? Daartoe is in de eerste plaats artikel 3 van de HRA van belang. Het uitgangspunt is dat als een burger een beroep doet op het EVRM, de rechter eerst onderzoekt of het mogelijk is om de nationale wet op een zodanige wijze uit te leggen dat geen strijd met het EVRM ontstaat (“so far as it is possible to do so, primary legislation and subordinate legislation must be read and given effect in a way which is compatible with the Convention rights”). Dit lijkt overeen te komen met de voordien al bestaande mogelijkheid om bij de uitleg van onduidelijke wetgeving rekening te houden met het EVRM. De in de HRA gecodificeerde EVRM-conforme interpretatie gaat echter verder, omdat de rechter altijd rekening zal moeten houden met het EVRM. In de Whitepaper is dit als volgt verwoord:5
“The Bill provides for legislation – both Acts of Parliament and secondary legislation – to be interpreted so far as possible so as to be compatible with the Convention. This goes far beyond the present rule which enables the courts to take the Convention into account in resolving any ambiguity in a legislative provision. The courts will be required to interpret legislation so as to uphold the Convention rights unless the legislation itself is so clearly incompatible with the Convention that it is impossible to do so.”
Als verdragsconforme interpretatie niet mogelijk is, dan kan de rechter op grond van artikel 4 van de HRA een declaration of incompatibility uitspreken.6 De rechter stelt dan vast dat de wet in strijd is met het EVRM. Een dergelijke verklaring kan, gezien het belang ervan, alleen worden uitgesproken door hogere rechters.7 De volgorde is dus dat de rechter altijd eerst zal proberen om de wet verdragsconform te interpreteren en alleen in uitzonderingssituaties zal overgaan tot het uitspreken van een declaration of incompatibility.8 Naast de hiervoor beschreven rechterlijke toetsing van het handelen van public authorities, bevat de HRA ook een procedure die moet worden gevolgd bij het aannemen van nieuwe parlementaire wetten. Artikel 19 van de HRA schrijft voor dat van ieder wetsvoorstel moet worden beoordeeld of het in overeenstemming is met de in de HRA beschermde rechten. Ingevolge die bepaling moet de bevoegde minister ieder wetsvoorstel dat aan het parlement wordt gestuurd vergezeld doen gaan van een zogenoemde statement of compatibility. Als een dergelijke verklaring niet kan worden afgegeven, betekent dat echter niet dat het wetsvoorstel niet kan worden aanvaard door het parlement. Het parlement blijft namelijk bevoegd om alle wetten aan te nemen die het maar wil, dus ook die welke (evident) in strijd zijn met door het EVRM beschermde rechten. Wel zal de minister moeten verklaren waarom een wetsvoorstel zonder statement of compatibility wordt ingediend.9 Dat deze procedure moet worden gevolgd bij het wetgevingsproces illustreert het belang dat de HRA-wetgever hecht aan grondrechten, maar het laat ook zien dat het laatste woord op wetgevingsgebied nog steeds aan het parlement is.