Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.5
8.5 Uitkering door de stichting: de successierechtelijke gevolgen van het doel als last
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232310:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schuttevâer/Zwemmer 1998, nr. V.16; F. Sonneveldt, Wegwijs in de Successiewet, Den Haag: Sdu Uitgevers 2018, nr 3.3.3; J.C. van Straaten, ‘Lasten (enkele civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten)’, WPNR 2002/6502, onder verwijzing naar de noot van H. Schuttevâer onder HR 2 maart 1966, BNB 1966/106. Volgens Van Straaten moet de benoemde persoonlijke last sinds 2003 worden aangemerkt als legaat omdat daaraan een vorderingsrecht voor de begunstigde uit voortvloeit. Dit is naar mijn mening niet per se het geval. Men kan zich een benoemde persoonlijke last voorstellen zonder dat sprake is van een vorderingsrecht. Zoals Van Straaten terecht opmerkt, komt het niet op de omschrijving last of legaat aan maar op de materiële inhoud van de uiterste wilsbeschikking. Zie hierover ook Boelens 2015, nr. II.6.4.1.3 en de daar vermelde literatuur.
Schuttevâer/Zwemmer 1998, nr. V.16.
HR 2 maart 1966, BNB 1966/106, m.nt. H. Schuttevâer.
HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3825, BNB 2002/281.
Vgl. ook I.J.F.A. van Vijfeijken in haar noot onder HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3825, BNB 2002/281.
In hoofdstuk 5 is verdedigd dat het doel van een stichting vaak moet worden beschouwd als een last. Het doel als last heeft tot gevolg dat voor de stichting de verplichting bestaat de verkregen middelen aan te wenden overeenkomstig het doel en dat de aanwending van middelen niet mag worden beschouwd als een verboden uitkering (artikel 2:285 lid 3 BW). Als men met mij wil aannemen dat het doel van een stichting vaak een door het erfrecht geïnitieerde last is, heeft deze last gevolgen voor de heffing van de erfbelasting (artikel 5 Sw 1956). De vraag is dan hoe deze last fiscaal moet worden gekwalificeerd. Als deze kwalificatievraag wordt gesteld, ziet men dat twee antwoorden mogelijk zijn. Het is denkbaar dat de erflater de door hem bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting de verplichting heeft opgelegd een of meer door de erflater aangewezen personen een uitkering te doen. In dat geval zal sprake zijn van een persoonlijke last met aanwijzing.1 Als de begunstigden van de bij dode opgerichte stichting niet tot specifieke personen zijn te herleiden, is sprake van een persoonlijke last zonder aanwijzing. Dit zal, bijvoorbeeld, het geval zijn als het doel van de stichting het verstrekken van studiebeurzen aan studenten uit zekere stad betreft.
Als het een persoonlijke last met aanwijzing betreft, is het eenvoudig. De lastbevoordeelden worden zelfstandig in de heffing betrokken. Voor de stichting komt deze last in mindering op de verkrijging.2 Hoe met een persoonlijke last zonder aanwijzing moet worden omgegaan bij de heffing van erfbelasting blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 1966.3 Uit dit arrest volgt, dat zodra de stichting tot een uitkering krachtens het doel overgaat of een in rechte afdwingbare toezegging doet aan de bevoordeelde, de stichting de uitkering in mindering kan brengen op haar verkrijging krachtens erfrecht en dat de lastbevoordeelde in de heffing van erfbelasting wordt betrokken. Wat de situatie is bij een persoonlijke last zonder aanwijzing zolang de stichting niet uitkeert blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juni 2002.4 De casus is als volgt. X heeft in 1998 bij notariële akte een lijfrente geschonken aan een stichting onder de last de ontvangen termijnen binnen twee jaar uit te keren aan in de statuten van stichting aangeduide personen. In deze uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat de stichting zelf in de heffing betrokken wordt, behoudens eventuele vrijstellingen.5 Nadat de uitkering een verplichting is geworden, kan vermindering van de eventueel geheven erfbelasting worden verkregen op grond van artikel 53 lid 1 Sw 1956.