Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.2.4
15.2.4 Dusdanig verband met een goed, dat de rechthebbende slechts belang heeft bij het recht zolang hij het goed behoudt
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298030:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer 1966, p. 25: “Een verbintenis is kwalitatief, omdat het persoonlijke in de zin van het individueel bepaalde, van de tot elkaar betrokken rechtssubjecten niet langer op de voorgrond staat, maar wordt teruggedrongen door het kwalificerende element, dat inzoverre depersonaliserend werkt.”
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 933.
Zie voor dit laatste Verstijlen, noot bij HR 13 juli 2007, NJ 2008/199 (Vakantiepark Zeebad/Bij de Vaate), onder 5.
Cahen 2004, p. 25.
Beversluis 2009, p. 74–75; Verstijlen, noot bij HR 13 juli 2007, NJ 2008/199 (Vakantiepark Zeebad/Bij de Vaate), onder 5.
Dit verschilt met bijvoorbeeld het recht om door de tuin van de buurman te lopen, omdat er maar één (of een klein aantal) huizen is dat grenst aan de tuin van de buurman, terwijl in principe ieder paard in de manege zou kunnen worden gestald.
In deze zin Verstijlen, noot bij HR 13 juli 2007, NJ 2008/199 (Vakantiepark Zeebad/Bij de Vaate), onder 5, die opmerkt dat het recht om afschriften uit de stamboekregistratie te ontvangen die op het specifieke paard betrekking hebben kwalitatief is, maar het recht op verzorging en onderdak niet.
Verstijlen, noot bij HR 13 juli 2007, NJ 2008/199 (Vakantiepark Zeebad/Bij de Vaate), onder 4.
Zoals gesteld door Beversluis 2009, p. 318, die meent dat art. 6:251 lid 4 BW ook na afloop van de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen kan worden ingeroepen om ervoor te zorgen dat het recht niet mee overgaat. Dat is onjuist; de mogelijkheid om achteraf de overgang van het recht terug te draaien heeft betrekking op 6:251 lid 3 BW. Zie de Toelichting Meijers in Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 928. Dat is in dat geval ook logisch, omdat de verkrijger van een kwalitatief recht wellicht niet geïnformeerd is over de verplichtingen die met het kwalitatieve recht samenhangen.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927.
Cahen 2004, p. 27 stelt daarom voor om te kijken naar de gebruikswaarde die beide betrokken partijen aan het recht zouden toekennen.
Asser/Sieburgh 2018, para. 545.
Cahen 2004, p. 28.
Du Perron 1996, p. 35 e.v.; du Perron 1999, p. 242; Asser/Sieburgh 2018, para. 545.
Asser/Sieburgh 2018, para. 542.
De wetgever lijkt dit althans te suggereren; zie Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 933. Zie ook Asser/Sieburgh 2018, para. 545; Beversluis, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:251 BW, aant. 4.2 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Asser/Sieburgh 2018, para. 545.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 932.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 932. Zie ook Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 49–50; Asser/Sieburgh 2018, para. 543.
Zo is het voorbeeld dat wordt gegeven door Asser/Sieburgh 2018, para. 545 over een ‘ kwalitatieve’ vordering tot levering van grondstoffen mijns inziens een misvatting; deze vordering zal normaal gesproken nog waarde vertegenwoordigen voor de overdragende partij. Zie in dezelfde zin Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 933.
693. Een recht kan alleen kwalitatief zijn als het onlosmakelijk samenhangt met de hoedanigheid van degene die het uit kan oefenen. Voor kwalitatieve rechten in de zin van art. 6:251 BW betekent dit dat een recht kwalitatief is als het samenhangt met de hoedanigheid van rechthebbende van een goed.1 Daarom stelt het artikel de eis dat degene aan wie het recht toekomt slechts belang bij het recht mag hebben zolang hij het goed behoudt. Zou zijn belang bij het goed namelijk voortduren ook nadat hij het goed niet meer heeft, dan is het recht niet (enkel) van belang voor degene die de hoe danigheid heeft van rechthebbende van het goed, maar (ook) voor degene die die hoedanigheid inmiddels is verloren.2
694. Een tweetal discussies die in dit kader spelen zijn de vraag in hoe verre het belang waar art. 6:251 BW op ziet dient te worden bepaald door te abstraheren van de situatie van de rechthebbende en, in het verlengde daarvan, de vraag in hoeverre de intenties van de rechthebbende een rol spelen bij het al dan niet aanmerken van een recht als kwalitatief. Daarbij zijn twee opvattingen te onderscheiden. De eerste is dat, om te bepalen of een recht kwalitatief is, alle omstandigheden van het geval een rol spelen. Bij het bepalen of de rechthebbende van het goed een belang bij het recht houdt na overdracht van het goed, spelen dan ook de intenties van de rechthebbende een rol, althans voor zover deze naar buiten kenbaar zijn.3 Zo wordt in de literatuur wel het voorbeeld genoemd van een ruiter die een overeenkomst heeft met een manege voor het ter beschikking stellen van verzorging en onderdak. Stopt de ruiter definitief met paardrijden, dan zal het recht op verzorging en onderdak bij overdracht van het paard als kwa litatief recht mee overgaan. Is de ruiter van plan om een ander paard te kopen (en bij dezelfde manege te stallen), dan is het recht op verzorging en onderdak niet kwalitatief (mits derden van dit voornemen op de hoogte zijn).4 Er wordt dus rekening gehouden met de toevallige situatie en de intenties van de rechthebbende. De tweede opvatting abstraheert juist van de toevallige situatie van de rechthebbende. Dit betekent dat de vraag gesteld dient te worden of in zijn algemeenheid een gemiddelde rechthebbende belang bij het recht zou verliezen door overdracht van het betref fende goed. Voor het geval van de ruiter betekent dit dat het recht op verzorging en onderdak nooit als kwalitatief zou kunnen worden aangemerkt, omdat niet in algemene zin gezegd kan worden dat iemand belang verliest bij het recht op verzorging en onderdak als hij zijn paard verkoopt.5 In principe kan de ruiter er namelijk voor kiezen om ieder ander paard in de manege te stallen.6 Aan de vraag naar persoonlijke omstandigheden en intenties van de ruiter komt men onder deze opvatting niet toe.
695. Enkel rechten die voor geen of slechts een gering aantal andere (soort gelijke) goederen kunnen worden ingeroepen dan het goed in kwestie, kunnen in de tweede opvatting kwalitatief zijn.7 Een voorbeeld is het recht om door de tuin van de buren te lopen, dat weinig andere goederen kan dienen dan de belendende stukken grond. Iets soortgelijks speelt bij een door een verkoper afgegeven reparatiegarantie bij bijvoorbeeld een hor loge. De verkoper zal weigeren een niet bij hem gekocht horloge onder de garantie te laten vallen. Het vereisen van een dermate strakke band tus sen goed en kwalitatief recht komt dicht in de buurt van het vereiste uit randnummer 577 dat rechten slechts afhankelijk kunnen zijn indien ze inherent niet van nut kunnen zijn zonder een ander recht. Dat is hier ook het geval, zij het dat het gebrek aan zelfstandig nut niet voortvloeit uit de wettelijke regeling voor het (afhankelijke) recht, maar uit de afspraken waaronder de verschaffer van het (kwalitatieve) recht dit recht verleent.
696. Wat mij betreft is deze tweede opvatting te verkiezen. De reden die voor deze opvatting in de literatuur wordt gegeven, is te voorkomen dat door een onduidelijk toepassingsgebied van art. 6:251 BW partijen vergeten zelf hun rechten over te dragen, omdat zij menen dat het artikel van toe passing is.8 De reden waarom ik me bij deze opvatting aansluit is echter een tegenovergestelde. Door de regeling te beperken tot slechts die gevallen waarin de rechthebbende die zijn goed overdraagt geen objectief belang meer bij het recht kan hebben, wordt voorkomen dat hij wordt afgeschrikt om het goed te verkopen (zie 7.5.4.2). Onder de alternatieve opvatting zijn er te veel factoren die zouden kunnen bepalen of het recht als kwalitatief wordt aangemerkt of niet. De rechthebbende kan zich daardoor veilig wanen, terwijl hij het niet is. Omdat art. 6:251 BW van rechtswege werkt, verkrijgt een nieuwe rechthebbende van het goed de kwalitatieve rechten óók als partijen daar niets over hebben afgesproken. Anders dan in de lite ratuur wel wordt gesteld, biedt art. 6:251 lid 4 BW in zo’n geval geen bescherming aan de oude rechthebbende.9 Het is daarom beter om het zekere voor het onzekere te nemen. De vraag wanneer een recht dermate op een goed is afgestemd dat het recht enkel bij behoud van het goed van belang is, betreft een grijs gebied; het is niet nodig om dat nog ingewik kelder te maken.
697. In de wetsgeschiedenis en de literatuur wordt intussen uitgegaan van een ruimere toepassing van het artikel. De wetgever gaat ervan uit dat enige redelijkheid in acht moet worden genomen bij het beoordelen van de vraag of de voorgaande rechthebbende van het goed nog belang heeft bij het recht dat met dat goed samenhangt.10 Als de vervreemder van het goed nog een gering belang bij het recht heeft, tegenover een groot belang voor de verkrijger van het goed, dan zou het recht dus toch als kwalitatief dienen te worden aangemerkt.11 Om te bepalen hoe zwaar de (relatieve) belangen van de vervreemder en de verkrijger van het goed wegen, dient dan te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval.12 Daarbij kan een rol spelen waar het verschafte recht aanspraak op geeft. Zo zal een recht op betaling van een geldsom altijd van nut zijn (ongeacht of men het goed waar het recht bij hoorde nog heeft).13 Het is daarom nooit kwalitatief. Een recht dat een garantie inhoudt voor het goed functioneren van een zaak heeft daarentegen doorgaans geen nut meer voor degene die de zaak inmiddels overgedragen heeft. Hier lijkt het daarom zinvol om de garantie als kwalitatief recht aan te duiden. In de literatuur wordt echter een uitzondering gemaakt voor het geval waarin de verkoper zelfstandig jegens de koper instaat voor het goed functioneren van de zaak; in dat geval zou hij de garantie behouden, om deze zelf in te kunnen roepen jegens zijn voorschakel.14
698. Een geval waarin het vereiste verband tussen recht en goed niet aanwezig is, doet zich voor wanneer het recht te zeer samenhangt met de gehele rechtsverhouding tussen de verschaffer van het recht en degene die een goed overdraagt waar dat recht (mede) betrekking op heeft.15 Het is niet altijd eenvoudig om een scherp onderscheid te maken. Een voorbeeld is het recht om een overeenkomst te ontbinden. Vloeit uit de overeenkomst één vordering voort, dan kan dit recht toekomen aan een opvolgend ver krijger van de vordering.16 Vloeien uit de overeenkomst meerdere vorde ringen voort, dan staat het recht om te ontbinden waarschijnlijk niet in voldoende verband met de ene specifieke vordering die is overgedragen. Of een voldoende verband aanwezig is, is dus afhankelijk van de omstandigheden van het geval.17 Een tweede reden om aan te nemen dat hier geen sprake is van een kwalitatief recht, is dat de vervreemder van de ene vor dering nog steeds belang heeft bij het recht om te ontbinden, omdat hij de andere vorderingen nog wel heeft.18
699. Aan het goed waarmee het recht in verband moet staan, worden geen strikte eisen gesteld. Zo kan een kwalitatief recht verbonden zijn aan het eigendomsrecht op een roerende zaak. Ik merk daarbij alvast op dat het daardoor mogelijk is dat – anders dan het geval is bij het hoofdrecht bij afhankelijke rechten en nevenrechten – het goed waarmee een kwalitatief recht samenhangt, teniet kan gaan door bestanddeelvorming. In de literatuur wordt dan aangenomen dat het kwalitatieve recht kan blijven bestaan (zie meer uitgebreid randnummer 703). Ook wordt het naar aanleiding van een door de wetgever gemaakte opmerking mogelijk geacht dat een kwa litatief recht niet in verband staat met een individueel goed, maar met een onderneming (die bestaat uit meerdere goederen en schulden).19 Dat lijkt mij – zeker nu de onderneming niet meer wordt gezien als een algemeenheid van goederen – grotendeels onjuist. Onderscheiden kan worden tus sen het geval waarin een onderneming wordt overgedragen met behulp van een aandelenoverdracht en het geval waarin gebruik wordt gemaakt van een activa-passivatransactie. In het eerste geval is de regeling met betrekking tot kwalitatieve rechten zonder meer niet van toepassing. Als er rechten zijn verschaft aan een onderneming, dan komen deze rechten na een aan delenoverdracht van de onderneming nog steeds toe aan de onderneming, omdat ze verleend zijn aan de onderneming zelf. De inroepbaarheid van deze rechten door de onderneming na overdracht volgt dus niet uit het vermeende kwalitatieve karakter van deze rechten, maar uit de rechtspersoonlijkheid van de onderneming. In het tweede geval, waarin een onderneming (gedeeltelijk) overgaat via een activa-passivatransactie, zal om andere redenen de regeling over kwalitatieve rechten veelal geen toepassing vinden. Zo bestaat bij huur van bedrijfsruimte een wettelijke regeling voor indeplaatsstelling (art. 7:307 BW), waardoor het niet nodig is om met de gehuurde bedrijfsruimte samenhangende rechten als kwalitatief te bestempelen. Van andere activa is het niet mogelijk om ze als kwalitatief te bestempelen, omdat ze nog waarde vertegenwoordigen voor de overdragende partij (en dus niet het vereiste verband met een goed dat wordt overgedragen hebben).20 Ook kan zich bij een activa-passivatransactie het probleem voordoen dat slechts een gedeelte van de activa wordt overgenomen en daardoor onduidelijk is of rechten die in het kader van de onderneming verleend zijn samenhangen met de activa die overgaan, of de activa die achterblijven. De koppeling van kwalitatieve rechten aan de gezamenlijke activa in een onderneming zal daarom vooral spelen in het geval een concurrentiebeding is overeengekomen en (vrijwel) alle activa worden overgedragen. Al deze problematiek zou zich moeten kunnen oplos sen door aansluiting te zoeken bij het mechanisme dat wordt besproken in hoofdstuk 17. Zo kan bijvoorbeeld worden afgesproken dat een concurrentiebeding wordt verleend aan degene die een bepaalde onderneming drijft, dan wel degene die materieel gezien in diens plaats komt.