Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.3.4.2
4.3.4.2 Bijzonderheid: oogstrecht bij te velde staande vruchten en beplantingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478048:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, 750-751.
Vgl. art. 3:9 lid 4 BW; en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 750-751.
Vgl. Rapport Landbouwkrediet 1960, p. 166-167, 173, 176, 180-181, 281, 288-290 en 295. Zie ook Stein 1963, p. 20-22.
Rapport Landbouwkrediet 1960, p. 288-290.
Zie Rapport Landbouwkrediet 1960, p. 317 (Bijlage V, 1) en de verwijzing daarnaar in MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 751. Vgl. ook Stein 1963, p. 53-56.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 820. Deze bevoegdheid kan niet worden uitgesloten bij de vestiging van het hypotheekrecht. De hypotheekhouder kan echter wel mede bij voorbaat een pandrecht laten vestigen op deze vruchten en beplantingen.
Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 750.
Het kan daarbij gaan om de eigenaar van de grond (art. 5:1 lid 3 BW), de vruchtgebruiker (art. 3:216 BW), de erfpachter (art. 5:90 lid 1 BW), de opstaller (art. 5:101 BW), maar ook de huurder (art. 7:202 BW) of de pachter (art. 7:316 BW).
Kortmann & Faber 2-III 1995, p. 83.
161. Of de vervreemder zich zal inspannen om het bij voorbaat geleverde goed daadwerkelijk te verkrijgen, is in het bijzonder een kwestie die in beginsel buiten de invloed van de verkrijger ligt. Een uitzondering hierop geldt ten aanzien van bij voorbaat geleverde te velde staande vruchten of beplantingen (toekomstige oogst). In dit agrarische geval kan de verkrijger onder bepaalde omstandigheden de inoogsting van de vruchten of de beplantingen ter hand (laten) nemen en langs deze weg de verkrijging van deze goederen realiseren.1 Immers, zolang de natuurlijke vruchten en beplantingen niet zijn afgescheiden, zijn zij nog toekomstige zaken en slechts bij voorbaat geleverd.2
De verkrijger van te velde staande vruchten en beplantingen heeft een uitzonderlijke positie, die beduidend sterker is dan die van de verkrijger-bij-voorbaat in het algemeen. De ratio van de uitzonderingspositie is de bevordering van landbouwkrediet. De regeling vindt haar oorsprong in de wensen van de Commissie Landbouwkrediet, een door de centrale landbouworganisaties en -kredietbanken ingestelde commissie over de financiering van het agrarisch bedrijfsleven. Volgens deze commissie was ter bevordering van de kredietverlening in de landbouw een pandrecht op groeiende oogst gewenst.3 De landbouwer zou de groeiende oogst zelfstandig, los van de grond waarop zij groeit, moeten kunnen verbinden voor een krediet, terwijl de pandhouder bevoegd zou moeten zijn om – bij stilzitten van de landbouwer – zelf te oogsten. De belangen van de financier zouden pas volledig zijn veiliggesteld als het eventuele faillissement van de landbouwer vóór de inoogsting de totstandkoming van het zekerheidsrecht niet zou verhinderen.4 Het rapport ging gepaard met een voorstel tot aanpassing van het Ontwerp Meijers op een aantal punten. De suggesties ten aanzien van het pandrecht op groeiende oogst zijn praktisch volledig opgevolgd door de wetgever.5
De gerechtigde tot de te velde staande oogst kan zijn aanspraak realiseren door middel van een bijzonder (conservatoir) beslag tot afgifte (art. (732 jo.) 494 Rv). De rechter kan een geschikte persoon aanstellen om voor de inoogsting zorg te dragen.6 Dit recht op inoogsting geldt ook voor degene aan wie de vruchten en beplantingen bij voorbaat zijn geleverd of verpand. Dit vindt bevestiging in de regeling van het wegnemingsrecht (ius tollendi) ten opzichte van de hypotheekhouder. Op grond van art. 3:266, tweede zin, BW is “degene die gerechtigd is tot te velde staande vruchten of beplantingen” bevoegd deze in te oogsten. Onder deze gerechtigden worden volgens de toelichting onder meer begrepen de koper aan wie de vruchten en beplantingen als toekomstige zaken bij voorbaat zijn geleverd, en de pandhouder ten behoeve van wie bij voorbaat een pandrecht is gevestigd op de vruchten en beplantingen.7 De hiervoor genoemde regeling van het beslag tot afgifte is mede in dit verband van belang.8
Voor de pandhouder die een bij voorbaat gevestigd pandrecht op toekomstige oogst heeft, is een oogstrecht geregeld in art. 3:237 lid 4 BW. Indien de pandgever in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet, kan de kantonrechter de pandhouder op verzoek machtigen om zelf de te velde staande vruchten of beplantingen in te oogsten. Op deze manier kan de pandhouder zichzelf het object van zijn zekerheidsrecht verschaffen, in gevallen waarin (de vrees bestaat dat) de pandhouder zou nalaten te oogsten en zo zou verhinderen dat het pandrecht tot stand komt. Het oogstrecht van de pandhouder geldt in alle gevallen waarin de pandgever op grond van een zakelijk of verbintenisrechtelijk genotsrecht gerechtigd zal zijn tot de vruchten of beplantingen.9
Het oogstrecht kan zelfs gedurende het faillissement van de vervreemder worden uitgeoefend met werking tegenover de boedel. Art. 35 lid 2 Fw bevat hiertoe een uitzondering op de regel dat door de schuldenaar bij voorbaat geleverde goederen in de boedel vallen, indien zij gedurende het faillissement door de schuldenaar worden verkregen. Deze regel gaat niet op indien het gaat om “nog te velde staande vruchten of beplantingen die reeds voor de faillietverklaring uit hoofde van een zakelijk recht of huur- of pachtovereenkomst aan de schuldenaar toekwamen”. Deze uitzondering sluit uitdrukkelijk aan bij en beoogt in dezelfde behoefte te voorzien als art. 3:237 lid 4 en 3:266 BW.10 De beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder ten tijde van de verkrijging van de oogst staat daarmee niet in de weg aan de automatische overdracht of verpanding aan de verkrijger.