Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten
Artikel 62 Vergunningen
Geldend
Geldend vanaf 18-03-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/471 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/471)
- Inwerkingtreding
18-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/471 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/471)
- Vakgebied(en)
Agrarisch recht (V)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Stokken van wijndruivenrassen die volgens artikel 81, lid 2, zijn ingedeeld, mogen alleen geplant of opnieuw geplant worden indien onder de voorwaarden van dit hoofdstuk een vergunning is afgegeven overeenkomstig de artikelen 64, 66 en 68.
2.
De lidstaten verlenen de in lid 1 bedoelde vergunning voor een in hectaren uitgedrukte specifieke oppervlakte wanneer producenten bij hen een aanvraag indienen die voldoet aan de criteria voor een objectieve en niet-discriminerende verlening. Die vergunning wordt zonder kosten voor de producent verleend.
3.
Vergunningen die worden verleend overeenkomstig artikel 64, zijn geldig tot en met de laatste dag van het derde verkoopseizoen na het verkoopseizoen waarin zij werden verleend. Aan producenten die een overeenkomstig de artikelen 64 en 68 verleende vergunning niet gebruiken tijdens de geldigheidsduur ervan, worden de in artikel 90 bis, lid 4, bedoelde administratieve sancties opgelegd.
In afwijking van de eerste alinea van dit lid, worden aan producenten die houder zijn van een geldige vergunning die overeenkomstig de artikelen 64 en 68 vóór 1 januari 2025 is verleend, de in artikel 90 bis, lid 4, bedoelde administratieve sancties niet opgelegd als zij de bevoegde autoriteiten vóór de vervaldatum van hun vergunning en uiterlijk op 31 december 2026 ervan in kennis stellen dat ze niet voornemens zijn ervan gebruik te maken.
Wanneer een welbepaald areaal ernstige gevolgen ondervindt van één of beide gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punten a) en c), van Verordening (EU) 2021/2116, kan de betrokken lidstaat de geldigheidsduur van de overeenkomstig artikel 64 van deze verordening verleende vergunningen die moeten worden gebruikt in het betrokken areaal en die verstrijken aan het einde van het verkoopseizoen waarin één of beide gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden plaatsvinden, met maximaal twaalf maanden verlengen. Aanplantvergunningen mogen slechts één keer uit hoofde van deze alinea worden verlengd. De betrokken lidstaat informeert de houders van elke vergunning over de verlenging van de geldigheidsduur. Wanneer de houder van een aanplantvergunning, uiterlijk op 31 december van het verkoopseizoen dat volgt op het verkoopseizoen waarin één of beide gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden plaatsvonden, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kennis stelt dat hij afstand doet van de vergunning, zijn de in de eerste alinea bedoelde administratieve sancties niet van toepassing.
In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat na een gemotiveerd verzoek te hebben ontvangen van de houder van een overeenkomstig de artikelen 64 en 68 van deze verordening verleende aanplantvergunning die wordt getroffen door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2116 afzien van de in artikel 90 bis, lid 4, van deze verordening bedoelde administratieve sancties.
Vergunningen die overeenkomstig artikel 66 zijn verleend op of na 18 maart 2026 en overeenkomstig dat artikel verleende vergunningen die op die dag geldig zijn, zijn geldig tot en met de laatste dag van het achtste verkoopseizoen na het verkoopseizoen waarin ze zijn verleend. Aan producenten die een overeenkomstig artikel 66 verleende vergunning niet hebben gebruikt tijdens de geldigheidsduur ervan, worden de in artikel 90 bis, lid 4, bedoelde administratieve sancties niet opgelegd.
Vergunningen die onder de overgangsbepalingen van artikel 68 vallen, verlopen op de laatste dag van het laatste verkoopseizoen van hun geldigheidsduur.
4.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het beplanten of herbeplanten van oppervlakten voor experimentele doeleinden, voor het opzetten van verzamelingen wijnstokrassen voor de instandhouding van de genetische hulpbronnen of voor de teelt van moederplanten voor netstokken, noch op oppervlakten waarvan de opbrengst aan wijn of wijnproducten uitsluitend bestemd is voor consumptie door de wijnbouwer en zijn gezin of oppervlakten die voor het eerst zullen worden beplant, als resultaat van verplichte aankopen in het openbaar belang overeenkomstig de nationale wetgeving.
5.
Lidstaten kunnen dit hoofdstuk toepassen op oppervlakten waarop wijn wordt geproduceerd die geschikt is voor de productie van wijn-eau-de-vie met een geografische aanduiding als geregistreerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1). Voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen die oppervlakten worden behandeld als oppervlakten waar wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding kunnen worden geproduceerd.
6.
De lidstaten kunnen eisen dat verlaten wijngaarden worden gerooid om sanitaire en fytosanitaire redenen.
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).