Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/1.3.2
1.3.2 Vormgeving en weergave van het onderzoek
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946151:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij verdient opmerking dat het begrip ‘rechtspraktijk’ in dit onderzoek een beperkte uitleg kent, waarbij het gaat om de wijze waarop de wet zijn uitwerking vindt in het rechtsgeding in de rechtszaal. In dat verband is met name onderzoek gedaan naar de richtinggevende lijn die de Hoge Raad hanteert bij (de uitleg van) diverse wettelijke onderdelen van de regeling van klachtdelicten. In paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk – dat ziet op de afbakening van het onderzoek – komt aan bod dat een verderstrekkend empirisch onderzoek naar de werking van klachtdelicten buiten het bereik van dit onderzoek valt.
Westerman & Wissink 2008.
NJV 1877, Handelingen I, p. 168.
Het wetsvoorstel ten behoeve van de vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is reeds ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 2). De momenten waarop het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer wordt behandeld en het moment waarop het nieuwe Wetboek van Strafvordering al dan niet in werking treedt, zijn ten tijde van schrijven (juni 2023) nog niet te voorzien.
Voor een goed begrip van de achtergrond en functie van de Nederlandse rechtsfiguur van het klachtdelict is kennis van de ontstaansgeschiedenis noodzakelijk. Om die reden wordt in hoofdstuk 2 eerst inzichtelijk gemaakt op welke wijze dit rechtsfenomeen onderdeel is gaan uitmaken van de Nederlandse rechtspleging en gaat aandacht uit naar latere wetswijzigingen die raken aan het fundament van de regeling van klachtdelicten.
In hoofdstuk 3 wordt op die bevindingen voortgeborduurd en zijn de materieelrechtelijke en formeelrechtelijke aspecten van de huidige wettelijke regeling van klachtdelicten meer precies in kaart gebracht. Dit hoofdstuk bevat ook het onderzoek naar de wijze waarop in de rechtspraktijk invulling wordt gegeven aan het klachtvereiste.1 De hoofdstukken 2 en 3 voorzien daarmee gezamenlijk voor een belangrijk deel in de beantwoording van de eerste twee deelvragen, doordat daarin de historische achtergrond en tegenwoordige invulling van de regeling van klachtdelicten worden geduid.
Daarmee kan echter niet worden volstaan, omdat hiervoor bleek dat bijvoorbeeld ook de verdeling van de regeling van klachtdelicten in materieel- en formeelrechtelijke aspecten vragen oproept. De beantwoording van die vragen is complex van aard. Westerman en Wissink hebben het in 2008 – in een artikel betreffende de methode van rechtswetenschap – treffend verwoord. Waar men juridische materie interpreteert en deze een plaats wenst te geven met behulp van de structuur van het rechtssysteem, is dat rechtssysteem tegelijkertijd onderdeel van het theoretisch kader en onderwerp van het onderzoek. Object en theoretisch perspectief vallen in die zin samen. Westerman en Wissink vergelijken rechtswetenschappelijk onderzoek dan ook met het leggen van een puzzel, waarbij de uiteindelijke voorstelling niet op de doos is afgebeeld en waarbij vaak zelfs onduidelijk is of er niet meerdere puzzels door elkaar zijn geraakt.2 Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de rechtsfiguur van het klachtdelict vanuit verschillende invalshoeken te onderzoeken om na te gaan of de plaats die het thans is toebedeeld in de Nederlandse strafwetgeving logisch en gerechtvaardigd is.
Dat rechtstheoretische onderzoek krijgt zijn beslag in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt de rechtsfiguur van het klachtdelict vanuit vier perspectieven benaderd die om uiteenlopende redenen meer licht kunnen doen schijnen op de functie en plaats van het klachtvereiste.
Ten eerste wordt de relatie tussen de klacht en de wederrechtelijkheid van de gedraging onderzocht. In de literatuur wordt immers verschillend gedacht over de vraag of het al dan niet indienen van een klacht invloed kan hebben op de strafwaardigheid van de strafbaar gestelde gedraging of dat de klacht slechts relevant is voor de mogelijkheid om die gedraging te vervolgen. Duidelijkheid over de rol die de klacht al dan niet speelt bij de waardering van de wederrechtelijkheid van strafbaar gestelde gedragingen is noodzakelijk voor een goed begrip van de functie van het klachtvereiste. Het raakt ook aan de vraag of en in hoeverre deze rechtsfiguur materieel- of formeelrechtelijk van aard is.
Daaropvolgend wordt de toepassing van het klachtvereiste bezien vanuit rechtsbetrekkingen. Dit rechtstheoretische concept maakt inzichtelijk hoe partijen zich juridisch tot elkaar verhouden en abstraheert van overige omstandigheden. Dit perspectief is nuttig voor het onderhavige onderzoek, omdat de toepassing van het klachtvereiste aan de rechtspositie van verschillende rechtssubjecten raakt. Daarbij springen vooral het openbaar ministerie, de verdachte en het slachtoffer direct in het oog. Een analyse van de wijze waarop het klachtvereiste de rechtsbetrekkingen tussen deze partijen beïnvloedt, biedt meer inzicht in de werking van deze rechtsfiguur.
De derde invalshoek in dit hoofdstuk betreft de wijze waarop de regeling van klachtdelicten zich verhoudt tot andere formeelrechtelijke en materieelrechtelijke vervolgingsbeletselen. Daarbij wordt nagegaan of er overeenkomsten en verschillen zijn met andere vervolgingsbeletselen en wat dit zegt over de plaats en invulling van het klachtvereiste in de Nederlandse strafwetgeving.
Tot slot wordt het klachtvereiste in hoofdstuk 4 vergeleken met het hoorrecht ex art. 167a Sv. Dat hoorrecht is bij diverse zedendelicten ingevoerd ter vervanging van het klachtvereiste. De vraag dringt zich daardoor op of beide rechtsfiguren een vergelijkbare functie vervullen, en zo ja, of voornoemd hoorrecht een alternatief is dat ook bij andere klachtdelicten de voorkeur verdient boven een klachtvereiste. Met behulp van de hiervoor omschreven vier invalshoeken wordt voorzien in een duidelijk beeld van het klachtvereiste, waardoor het mogelijk is om conclusies te trekken over de plaats die dit rechtsverschijnsel in de Nederlandse strafrechtspleging toekomt.
Hoofdstukken 2, 3 en 4 voorzien gezamenlijk in een weergave van de totstandkoming, functie en plaats van het klachtvereiste in het Nederlandse straf(proces)recht. De vergaarde kennis maakt het mogelijk om daaropvolgend in hoofdstuk 5 vanuit juridisch-dogmatisch perspectief te bezien of de rechtsfiguur van het klachtdelict conflicteert met andere uitgangspunten en grondbeginselen die aan ons strafrechtelijk systeem ten grondslag liggen. Daarbij ligt de focus op de beperkingen die de regeling van klachtdelicten met zich brengt voor de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie.
Ten eerste wordt onderzocht hoe de regeling van klachtdelicten zich verhoudt tot het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. In de rechtswetenschap wordt onderscheiden tussen privaatrecht en publiekrecht, waarbij het strafrecht tot het publiekrecht wordt gerekend. Tegen die achtergrond stelde Kist zich in zijn preadvies voorafgaand aan de NJV in 1877 op het standpunt dat het publieke belang voorop moet staan bij de vervolging van strafbare feiten. Het is zijns inziens niet in overeenstemming met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht de behartiging van dat publieke belang bij bepaalde delicten steeds afhankelijk te maken van het private belang van één persoon.3 Deze stellingname van Kist geeft aanleiding om te onderzoeken of de regeling van klachtdelicten het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht doorkruist en of dit (on)wenselijk is.
Daaropvolgend gaat aandacht uit naar de verhouding tussen het klachtvereiste en het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie. Via art. 124 Wet RO is aan het openbaar ministerie de taak toebedeeld om de rechtsorde strafrechtelijk te handhaven. Die taakstelling krijgt nader invulling in het Wetboek van Strafvordering, waarin concreet de bevoegdheid tot opsporing en vervolging van strafbare feiten aan het openbaar ministerie is toebedeeld. Bij klachtdelicten moet het initiatief om te kunnen komen tot vervolging echter steeds komen van een klachtgerechtigde. Dit geeft aanleiding om te bezien hoe het vervolgingsmonopolie zich verhoudt tot de werking van het klachtvereiste.
In hoofdstuk 5 wordt tot slot onderzocht of het klachtvereiste raakt aan het opportuniteitsbeginsel en de beslissingsruimte die dit beginsel met zich brengt voor het openbaar ministerie om al dan niet tot vervolging over te gaan. In de inleidende beschouwingen is al opgemerkt dat het in art. 167 en 242 Sv verankerde opportuniteitsbeginsel met zich brengt dat het openbaar ministerie van (verdere) vervolging kan afzien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Dit betekent dat het openbaar ministerie niet is gehouden om iedere bewijsbare zaak te vervolgen. De vraag is of en in hoeverre de vrijheid die het openbaar ministerie toekomt bij het nemen van een vervolgingsbeslissing bij klachtdelicten wordt beïnvloed door een klacht en de daaruit blijkende wens van de klachtgerechtigde dat vervolging plaatsheeft.
Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht, het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel zijn drie fundamentele aspecten van de Nederlandse strafrechtspleging op basis waarvan het openbaar ministerie een hoofdrol is toebedeeld bij de strafrechtelijke rechtshandhaving. Die centrale rol van het openbaar ministerie lijkt bij klachtdelicten te worden beperkt, doordat een klachtgerechtigde het recht heeft om vervolging te beletten door een klacht achterwege te laten. Het onderzoek in hoofdstuk 5 is er dan ook op gericht om te beoordelen of de regeling van klachtdelicten conflicteert met voornoemde drie fundamentele uitgangspunten van ons strafrechtelijke systeem en of dit gevolgen heeft voor de legitimiteit en wenselijkheid van deze rechtsfiguur in de Nederlandse strafrechtspleging.
In de inleiding van dit hoofdstuk is vastgesteld dat de regeling van klachtdelicten sinds de negentiende eeuw niet ten gronde is onderzocht, terwijl de maatschappij en de rechtspleging aanzienlijk zijn veranderd sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 met daarin de regeling van klachtdelicten. Daarbij is ter illustratie gewezen op de veranderde kijk op de positie en het belang van het slachtoffer in het straf(proces)recht. In hoofdstuk 6 gaat nader aandacht uit naar die gewijzigde rol van het slachtoffer in de strafrechtspleging. De klachtgerechtigde is immers een bijzonder soort slachtoffer en een veranderde waardering van de positie van het slachtoffer zou daarmee ook gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van de regeling van klachtdelicten. In dit verband worden tevens de gevolgen in ogenschouw genomen die het nieuwe Wetboek van Strafvordering – dat thans in voorbereiding is4 – vooralsnog lijkt te gaan hebben voor de posities van het slachtoffer en de klachtgerechtigde.
Hoofdstuk 7 vormt het sluitstuk van dit onderzoek en bevat een weergave van de zoektocht naar de plaats die de klassieke rechtsfiguur van het klachtdelict al dan niet zou moeten hebben in de moderne Nederlandse strafrechtspleging. In het licht van de veranderde rol van het slachtoffer – alsmede aan de hand van de bevindingen over de plaats en functie van de regeling van klachtdelicten uit de voorafgaande hoofdstukken – wordt een eigen visie gepresenteerd. Deze zienswijze bevat conclusies over de wenselijkheid van het behoud van de regeling van klachtdelicten. Met het oog op het behoud van klachtdelicten gaat voorts aandacht uit naar de wijze waarop deze rechtsfiguur in de wet zou moeten worden verankerd en hoe daaraan in de rechtspraktijk invulling zou moeten worden gegeven.