Zie nieuwsbericht openbaar ministerie d.d. 5 maart 2024, www.om.nl/actueel/nieuws/2024/03/05/stand-van-zaken-onderzoek-naar-verstervingszaak-zorgcentrum-sittard.
HR, 17-09-2024, nr. 24/00694 Bv
ECLI:NL:HR:2024:1170
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-09-2024
- Zaaknummer
24/00694 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1170, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑09‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:673
ECLI:NL:PHR:2024:673, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1170
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑04‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0203
GZR-Updates.nl 2024-0232
GJ 2024/121
NTS 2024/42
GZR-Updates.nl 2024-0189
Uitspraak 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Verstervingszaak Sittard. Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beschikking Rb over toelaatbaarheid van uitlevering van medisch en verpleegkundig dossier van patiënte i.v.m. verschoningsrecht van klager (arts van patiënte), na tegen klager gerezen verdenking van ernstig strafbaar feit i.v.m. dood van patiënte. Is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van medisch verschoningsrecht rechtvaardigen? HR herhaalt relevante overwegingen uit eerdere rechtspraak (o.a. HR:2011:BP6141 en HR:2017:1205) m.b.t. zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin belang dat waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven verschoningsrecht. Gelet hierop en in licht van door Rb vastgestelde f&o getuigt oordeel Rb dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat verschoningsrecht van klager moet wijken voor zwaarwegend maatschappelijk belang dat waarheid aan het licht komt, niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00694 Bv
Datum 17 september 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 14 februari 2024, nummers RK 23/024490 en RK 23/028248, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering , ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de klager hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat in dit geval zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van waarheidsvinding.
2.2
De conclusie van de advocaat-generaal houdt over de achtergrond van deze zaak in:
“1.3 De beklagprocedure heeft betrekking op een strafrechtelijk onderzoek dat door het openbaar ministerie is gestart naar aanleiding van het overlijden van een 87-jarige vrouw die was opgenomen in zorgcentrum Lemborgh, onderdeel van het Zuyderland Medisch Centrum, in de media bekend geworden als de “verstervingszaak zorgcentrum Sittard”. De klager was de behandelend arts van de vrouw en is in dat strafrechtelijk onderzoek aangemerkt als verdachte van een opzettelijk gepleegd levensdelict.
2. Het beslag
2.1
Op 10 juli 2023 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris aan Zuyderland Medisch Centrum, waarvan zorgcentrum Lemborgh onderdeel is, de uitlevering zal bevelen van een tweetal dossiers, te weten:
- het medisch patiëntendossier van [slachtoffer] over de periode van 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023;
- het volledig verpleegkundig-zorgdossier, waarin onder andere zijn opgenomen de rapportages van het zorgdossier, 24-uurs rapportages, MDO (multi disciplinair overleg)-verslagen, incidenten en maatregelen, medicatielijsten/aftekenlijsten, voedingspatroon en ontlastingspatroon van [slachtoffer] over de periode vanaf 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023.
2.2
Bij beschikking van 20 juli 2023 heeft de rechter-commissaris de vordering toegewezen en het bevel tot uitlevering van voormelde dossiers gegeven. Stichting Zuyderland Zorg heeft zich bij monde van haar raadsvrouw verzet tegen de bevolen uitlevering en zich beroepen op een afgeleid verschoningsrecht.
2.3
Op 15 september 2023 zijn de voorwerpen waarvan de uitlevering was bevolen door een medewerker van Zuyderland in een afgesloten enveloppe verstrekt aan het kabinet van de rechter-commissaris.
3. Het bezwaar ex art. 98 lid 2 Sv en de beschikking van de rechter-commissaris 3.1 Eveneens op 15 september 2023 heeft mr. De Leon-van den Berg namens de klager ex art. 98 lid 2 Sv bezwaar gemaakt tegen de door de rechter-commissaris gevorderde en bevolen uitlevering en het doorbreken van zijn verschoningsrecht.
3.2
De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 31 oktober 2023 zowel het bezwaar van de klager als van Zuyderland beoordeeld en beide bezwaren ongegrond verklaard.
(...)
4. De beklagprocedure en de beschikking van de rechtbank
4.1
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is door de klager op 13 november 2023 een klaagschrift ingediend.”
2.3
De rechtbank heeft het beklag van de klager tegen de door de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gegeven beschikking ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich – kort gezegd – op het standpunt:
(...)
- in dit geval zijn er bijzondere omstandigheden, die de doorbreking van het beroepsgeheim c.q. verschoningsrecht rechtvaardigen, zodat de klacht tegen de beslissing van de rechter-commissaris ongegrond moet worden verklaard.
Bij de beantwoording van de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waardoor het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het verbod op een inbreuk op het verschoningsrecht moet acht worden geslagen op:
- de vraag of het gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;
- de aard en zwaarte van de delicten;
- de aard en omvang van de gegevens;
- de vraag in hoeverre de relevante gegeven op andere wijze kunnen worden verkregen.
De officier van justitie verwijst in dit kader (onder andere) naar HR 9 mei 2006, NJ 2006/622.
De officier van justitie merkt op dat de behandelend arts van [slachtoffer] als verdachte is gehoord. De verdenking is dus (mede) gericht tegen de verschoningsgerechtigde, die bezwaar maakt tegen de inbeslagneming. De verdenking betreft een opzettelijk gepleegd levensdelict. De inbeslagneming heeft weliswaar betrekking op (gevoelige) medische documenten, maar het betreft documenten die alleen de periode van 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023 beslaan, aangezien dat de voor het onderzoek relevante periode betreft. Deze gegevens kunnen niet op andere wijze verkregen worden. De enige andere wijze om inzage te krijgen in medische gegevens is door middel van tussenkomst van de forensisch arts in het schouwverslag, welke mogelijkheid werd benut, maar dat leverde slechts spaarzame informatie op. De conclusie in het definitieve sectierapport betreffende het pathologieonderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijk overlijden heeft de verdenking (en de noodzaak tot inzage in de medische stukken) eerder versterkt, dan deze doen afnemen. In aanvulling op het toetsingskader van de Hoge Raad brengt de officier van justitie nog naar voren dat uit artikel 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) de positieve verplichting voortvloeit om in geval van een verdenking dat een levensdelict is gepleegd, effectief en onafhankelijk onderzoek te doen naar de oorzaak van het overlijden. Daarnaast mag de toestemming van [slachtoffer] tot verstrekking en inzage van de medische stukken worden verondersteld te zijn gegeven, immers valt niet in te zien waarom zij in dit onderzoek geweigerd zou hebben inzage te geven in de haar betreffende medische documenten.
Beoordeling
(...)
Beroep op het verschoningsrecht
De rechtbank ziet bij de verdere beoordeling van het klaagschrift zich voor de vraag gesteld of de rechter-commissaris, op basis van het aan de wet en aan de rechtspraak van de Hoge Raad ontleend toetsingskader, in samenhang met het hem ter beschikking staande dossier terecht gekomen is tot de beslissing van 31 oktober 2023, dat het bezwaar van de (thans) klager tegen de inbeslagneming van het medische dossier en het verpleegdossier van [slachtoffer] ongegrond is en dat hij zijn verschoningsrecht niet jegens de officier van justitie kan inroepen. Met verwijzing naar de later aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 19 september 2023, leest de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris zo dat deze luidt dat de inbeslagname van het medische dossier en het verpleegdossier van [slachtoffer] is toegestaan.
De klager is van beroep arts-specialist ouderengeneeskunde. Uit hoofde daarvan is hij tot geheimhouding verplicht en komt hem een beroep toe op het verschoningsrecht, zoals dat is geregeld in artikel 218 Sv.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht van onder meer de arts is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat het belang van de patiënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de arts geheimhoudt hetgeen zij hem hebben toevertrouwd, moet wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt laat zich echter niet in het algemeen beantwoorden.
Bij de beantwoording van die vraag zal in een geval als het onderhavige moeten worden gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend en de mate waarin de betrokken belangen van de patiënt worden geschaad indien het verschoningsrecht wordt doorbroken (vgl. HR 27 mei 2008, LJN BC1370, NJ 2008/407 en HR 21 oktober 2008, LJN BD7817, NJ 2008/630).
In eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is voorts geoordeeld dat van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn in het geval dat de verdenking zich richt tegen de arts zelf. Meer in het bijzonder zal, indien de arts wordt verdacht van een jegens zijn patiënt gepleegd delict, onder omstandigheden aanleiding kunnen bestaan om het met het verschoningsrecht gemoeide algemene belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het aan hem toevertrouwde tot een arts moet kunnen wenden, te relativeren. Dan zal zwaarder kunnen wegen dat het verschoningsrecht niet ertoe mag dienen om de waarheid te bemantelen in een tegen de verschoningsgerechtigde arts zelf ingestelde strafvervolging en dat – indien het gaat om verdenking van een jegens een patiënt gepleegd delict – patiënten in het algemeen erop moeten kunnen vertrouwen dat bij een ernstig vermoeden van verwijtbaar ondeskundig handelen van een arts de gegevens die – veelal verplicht – met betrekking tot de medische behandeling in het medisch dossier zijn vastgelegd, voor onderzoek door de justitiële autoriteiten beschikbaar zijn (vgl. HR 26 mei 2009, LJN BG5979, NJ 2009/263).
Bij de beantwoording van de vraag of in een zodanig geval de gevraagde gegevens, met inbreuk op het verschoningsrecht, aan de justitiële autoriteiten moeten worden afgegeven, kan van betekenis zijn of de direct betrokkene in verstrekking van die gegevens heeft toegestemd (vgl. HR 21 oktober 2008, LJN BD7817, NJ 2008/630). Met een dergelijke afgifte is immers ook het belang van de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer gemoeid.
Die regel en de toepassing ervan moeten in een geval als het onderhavige waarin sprake is van het overlijden van een patiënt en de verdenking ter zake van een strafbaar feit is gerezen in verband met diens medische of verpleegkundige behandeling, mede worden bezien tegen de achtergrond van de uit artikel 2 EVRM – waarin het recht op leven is gewaarborgd – voortvloeiende verplichting van de Staat tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek (vgl. EHRM 17 januari 2002, no. 32967/96, Calvelli en Ciglio tegen Italië, EHRC 2002/22 en EHRM 9 april 2009, no. 71463/01, Silih tegen Slovenië).
Ter beantwoording van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden dient allereerst te worden vastgesteld of er een redelijk vermoeden van schuld is aan het begaan van een ernstig strafbaar feit. Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of deze verdenking van dien aard is dat er kan worden gesproken van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht dient te wijken voor het belang van waarheidsvinding.
Beide vragen beantwoordt de rechtbank bevestigend en zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken die aan de rechtbank ter beschikking zijn gesteld blijkt dat op donderdag 1 juni 2023, omstreeks 17:20 uur, [slachtoffer], die op dat moment bij Zuyderland was opgenomen, is overleden. De forensisch arts dr. S.L. de Kunder heeft diezelfde dag nog, omstreeks 20:30 uur, een schouw verricht aan het lichaam van de overleden [slachtoffer]. Bij de schouw heeft de forensisch arts samen met de specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 1], het medisch en verpleegkundig zorgdossier van de overledene over de periode vanaf 15 mei 2023 kunnen inzien. De conclusie van de forensisch arts, die mede steunt op de kennelijk in de medische dossiers aangetroffen tegenstrijdigheden in het beeld van eten en drinken door de overledene, was dat men mogelijk nalatig is geweest in het aanbieden van voedsel of drank en in het toedienen van medicatie.
De officier van justitie heeft daarop het lichaam van de overleden [slachtoffer] in beslag genomen, waarna op 3 juni 2023 een gerechtelijke sectie daarop is verricht. De voorlopige conclusie van de sectie was dat er geen ziekelijke afwijkingen zijn geconstateerd, die de dood zouden kunnen verklaren. Verder staat vast dat op 31 mei 2023 bij het Openbaar Ministerie een melding binnen is gekomen van een vertrouwensarts van Veilig Thuis, waarin in verband met de verpleging en verzorging van [slachtoffer] het vermoeden is geuit van ouderenmishandeling (door het onthouden van vocht en voeding).
Uit de beschikbare documenten komt verder naar voren dat [slachtoffer], 87 jaren oud, (waarschijnlijk) dementerend was, in de laatste fase van haar leven was en dat zij wisselend verklaarde over haar doodswens. Zij was niet terminaal en kwam niet in aanmerking voor euthanasie. Duidelijk is ook dat de familie van de overleden [slachtoffer], en in de eerste plaats haar dochter, betrokken is geweest bij en geïnformeerd is over de behandeling en de verpleging op de verpleegafdeling van Zuyderland. Op welke wijze blijkt uit het medisch en verpleegkundig dossier.
Als hoofdbehandelaar en direct betrokkene van [slachtoffer] is de klager als verdachte door de politie gehoord. In het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier is geen proces-verbaal van dat verhoor opgenomen.
In het dossier is een verklaring van [betrokkene 2] gevoegd, die op 10 oktober 2023 als getuige door de politie is gehoord. [betrokkene 2] is een inmiddels op staande voet ontslagen medewerker van Zuyderland, die daadwerkelijk bij de verpleging en verzorging van [slachtoffer] was betrokken. Uit die verklaring van [betrokkene 2] komt naar voren dat hij vraagtekens plaatst bij de wens van [slachtoffer] om niet meer te leven en verder verklaart hij over een meerdere keren bijgesteld plan om vocht en voeding aan [slachtoffer] te onthouden. Ook heeft de getuige het erover dat, in zijn eigen woorden, er qua tijden aanpassingen zijn gedaan aan het medisch dossier.
Tot slot beschikt de rechtbank over het definitieve sectierapport van 21 november 2023 betreffende het pathologieonderzoek naar aanleiding van het mogelijk niet-natuurlijk overlijden van [slachtoffer]. De senior-forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] goed kan worden verklaard door een biochemische verstoring van het lichaam (ketoacidose) door ondervoeding of uithongering. Volgens dat rapport is van een andere oorzaak voor het ontstaan van de vastgestelde ketoacidose of een andere oorzaak van overlijden niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is overwogen kan worden geconcludeerd dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan het begaan van een zeer ernstig strafbaar feit, nu hij betrokken was bij en verantwoordelijk was voor de bepaling van de behandeling van [slachtoffer]. De rechtbank tekent daarbij aan dat het onderzoek in raadkamer summier van aard is, ook als het gaat om de beoordeling van de verdenking jegens klager, nu het dossier immers nog niet compleet is. De vraag is dan of het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt in dit geval zo veel gewicht in de schaal legt dat het gewicht van het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van de klager daar niet tegen opweegt.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het belang van waarheidsvinding een zodanig zeer zwaarwegend maatschappelijk belang is, dat daarvoor het verschoningsrecht van de klager moet wijken. Het strafrechtelijk onderzoek is erop gericht zoveel mogelijk feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer] te achterhalen. Zoals gezegd, bij de definitieve sectie op haar lichaam is geconcludeerd dat haar overlijden goed kan worden verklaard door ondervoeding of uithongering. De vraag is dan hoe het – ondanks dat onvoldoende vaststaat dat zij een duidelijke en ondubbelzinnige doodswens had, dat euthanasie niet aan de orde was, dat zij niet terminaal was en dat zij in een verplegende, medische omgeving verbleef – zover heeft kunnen komen. De bevindingen van de forensisch-patholoog staan overigens niet op zichzelf en vinden steun in een melding van een vertrouwensarts van Veilig Thuis van 31 mei 2023, over de zeer ernstige zorgen over de behandeling van [slachtoffer]. De getuige [betrokkene 2] lijkt evenmin overtuigd van een natuurlijke dood, gelet op de inhoud van de tegenover ambtenaren van de politie afgelegde verklaring.
Anders dan de klager stelt, gaat het hier dus niet om een ‘fishing expedition’ van de officier van justitie, maar om voldoende concrete aanwijzingen voor de verdenking van schuld aan het begaan van een ernstig strafbaar feit. Het verschoningsrecht dient niet ertoe (eigen) strafbare feiten of misstanden te maskeren. Het medisch en verpleegkundig dossier kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. Dit belang van onderzoek naar mogelijke strafbare feiten bij de behandeling en verpleging in de laatste fase van het leven van [slachtoffer] betreft een zwaarwegend maatschappelijk belang dat in het gedrang komt als dat andere, eveneens zwaarwegende belang, namelijk het belang bij geheimhouding van het medische en het verpleegkundig zorgdossier, prevaleert.
Naar het oordeel van de rechtbank moet in verband met de vraag of het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht, ook worden stilgestaan bij de vraag of de met behulp van de doorbreking van het verschoningsrecht te verkrijgen gegevens niet op andere of minder bezwarende wijze kunnen worden verkregen. In deze strafzaak gaat het er (ook) om dat de officier van justitie, gegeven de verdenking zoals deze er nu ligt, zich een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kan vormen over de afspraken die door de behandelaars met [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of met haar naasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepast en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij Zuyderland. Ook is van belang of een afgesproken beleid voldoet aan de richtlijnen en professionele standaarden die in dergelijke gevallen gelden en of een afgesproken beleid getoetst is en als dat heeft geleid tot aanpassingen van het beleid, of aan die aanpassingen gevolg gegeven is en die aanpassingen niet door acties onmogelijk geworden zijn. Andere mogelijkheden die vragen beantwoord te krijgen zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht zijn de rechtbank niet gebleken. Van de zijde van de klager is aangegeven dat het horen van getuigen een minder ingrijpende mogelijkheid is. Die mogelijkheid weegt echter niet op tegen het integraal onderzoek van de meergenoemde documenten en biedt ook niet hetzelfde inzicht. Ook de periode waarover de documenten gevorderd zijn acht de rechtbank juist, omdat een beperking tot een periode van 15 mei tot en met 1 juni onvoldoende geacht wordt om een juist inzicht te krijgen.
Na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen komt de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De rechtbank kan zich daarom verenigen met de beslissing van de rechter-commissaris. Na de in het geding zijnde beschikking van de rechter-commissaris zijn nog documenten aan het dossier toegevoegd, waarvan de inhoud niet noopt tot het nemen van een andersluidende beslissing.
In zoverre wordt geklaagd over de beslissing van de rechter-commissaris van 31 oktober 2023 dat ondanks de bezwaren tegen het toestaan van de inbeslagname van het medisch patiëntendossier en het volledig verpleegkundig zorgdossier op grond van het verschoningsrecht van de klager, moet het bezwaarschrift op grond van de voorgaande overwegingen ongegrond worden verklaard.”
2.4.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.Het verschoningsrecht van onder meer de arts is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat het belang van de patiënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de arts geheimhoudt wat zij hem hebben toevertrouwd, moet wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen.Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de patiënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.(Vgl. HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386, HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205.)
2.4.2
In eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is verder geoordeeld dat van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden ook sprake kan zijn als de verdenking zich richt tegen de arts zelf. Meer in het bijzonder kan, als de arts wordt verdacht van een ten aanzien van zijn patiënt gepleegd delict, onder omstandigheden aanleiding bestaan om het met het verschoningsrecht gemoeide algemene belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het aan hem toevertrouwde tot een arts moet kunnen wenden, te relativeren. Dan zal zwaarder kunnen wegen dat het verschoningsrecht niet ertoe mag dienen om de waarheid te verhullen in een tegen de verschoningsgerechtigde arts zelf ingestelde strafvervolging en dat – als het gaat om verdenking van een ten aanzien van een patiënt gepleegd delict – patiënten in het algemeen erop moeten kunnen vertrouwen dat bij een ernstig vermoeden van verwijtbaar ondeskundig handelen van een arts de gegevens die – vaak verplicht – met betrekking tot de medische behandeling in het medisch dossier zijn vastgelegd, voor onderzoek door de justitiële autoriteiten beschikbaar zijn.Bij de beantwoording van de vraag of in zo’n geval de gevraagde gegevens, met inbreuk op het verschoningsrecht, aan de justitiële autoriteiten moeten worden afgegeven, kan van betekenis zijn of de direct betrokkene in verstrekking van die gegevens heeft toegestemd. Met zo’n afgifte is immers ook het belang van de bescherming van zijn of haar persoonlijke levenssfeer gemoeid. (Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141.)
2.4.3
In een geval als dit, waarin sprake is van het overlijden van een patiënt en de verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit is gerezen in verband met zijn of haar medische of verpleegkundige behandeling, moet de afweging van de in aanmerking komende factoren worden gemaakt tegen de achtergrond van de uit artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeiende verplichting van de Staat tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141).
2.4.4
Als moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren, mag die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit (vgl. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070).
2.5.1
De rechtbank heeft het volgende vastgesteld. [slachtoffer] was 87 jaar, (waarschijnlijk) dementerend en in de laatste fase van haar leven. Zij verklaarde wisselend over haar doodswens, was niet terminaal ziek, kwam niet in aanmerking voor euthanasie en verbleef in een verplegende, medische omgeving. Een vertrouwensarts van Veilig Thuis heeft bij het openbaar ministerie het vermoeden gemeld dat bij de verpleging en verzorging van [slachtoffer] sprake was van ouderenmishandeling door het onthouden van vocht en voeding. Nadat [slachtoffer] op 1 juni 2023 was overleden, is op diezelfde dag door een forensisch arts een schouw verricht aan haar lichaam. De forensisch arts heeft, kennelijk mede op grond van in de medische dossiers aangetroffen tegenstrijdigheden in het beeld van eten en drinken van [slachtoffer], geconcludeerd dat men mogelijk nalatig is geweest in het aanbieden van voedsel of drank en in het toedienen van medicatie. De voorlopige conclusie van een vervolgens op 3 juni 2023 verrichte gerechtelijke sectie was dat er geen ziekelijke afwijkingen zijn geconstateerd die de dood van [slachtoffer] zouden kunnen verklaren. Een verzorgende, [betrokkene 2], heeft bij de politie verklaard over een meerdere keren bijgesteld plan om vocht en voeding aan [slachtoffer] te onthouden, over een mogelijk niet-natuurlijke dood en over aanpassingen die zouden zijn gedaan aan het medische dossier. In het definitieve sectierapport is geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] goed kan worden verklaard door ondervoeding of uithongering. De klager was als arts-specialist ouderengeneeskunde betrokken bij en verantwoordelijk voor de bepaling van de behandeling van [slachtoffer].
2.5.2
De rechtbank heeft onderzocht of er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld onder 2.4. Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank van belang geacht dat (i) op grond van de onder 2.5.1 genoemde onderzoeksbevindingen een verdenking is gerezen van een zeer ernstig strafbaar feit dat heeft geleid tot de dood van een patiënt van de klager en ten aanzien van de klager een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan aan het begaan van dit strafbare feit, en (ii) het medisch dossier en het verpleegkundig dossier een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de waarheidsvinding. De rechtbank heeft op grond hiervan overwogen dat in dit geval het belang van waarheidsvinding een zo zwaarwegend maatschappelijk belang is, dat daarvoor het verschoningsrecht van de klager moet wijken. Daarbij heeft de rechtbank verder in haar oordeel betrokken dat (iii) de te verkrijgen gegevens uit het medisch en het verpleegkundig dossier niet op een andere, minder bezwarende en even volledige wijze – zoals door het horen van getuigen – kunnen worden verkregen en (iv) de periode waarover de documenten zijn gevorderd is beperkt tot de voor het onderzoek relevante periode.
2.5.3
Gelet hierop en in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, getuigt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag. Inbeslagneming van medisch patiëntendossier en verpleegkundig-zorgdossier van in zorgcentrum opgenomen en overleden patiënt. Beroep op het verschoningsrecht door arts die wordt verdacht van het plegen van een levensdelict jegens patiënt. Middel over oordeel van de rechtbank dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Heeft de rechtbank kunnen oordelen dat sprake is van een verdenking ter zake van een ernstig strafbaar feit? Gaat de inbreuk niet verder dan strikt noodzakelijk voor het aan het licht brengen van de waarheid? De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.Conclusie AG. Beklag, beslag. Inbeslagneming van medisch patiëntendossier en verpleegkundig-zorgdossier van in zorgcentrum opgenomen en overleden patiënt. Beroep op het verschoningsrecht door arts die wordt verdacht van het plegen van een levensdelict jegens patiënt. Middel over oordeel van de rechtbank dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Heeft de rechtbank kunnen oordelen dat sprake is van een verdenking ter zake van een ernstig strafbaar feit? Gaat de inbreuk niet verder dan strikt noodzakelijk voor het aan het licht brengen van de waarheid? De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00694 Bv
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 14 februari 2024 het beklag van klager ex art. 98 lid 4 jo. art. 552a Sv tegen de beschikking van de rechter-commissaris gericht tegen de inbeslagneming van een medisch patiëntendossier en een verpleegkundig-zorgdossier ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van de klager rechtvaardigen.
1.3
De beklagprocedure heeft betrekking op een strafrechtelijk onderzoek dat door het openbaar ministerie is gestart naar aanleiding van het overlijden van een 87-jarige vrouw die was opgenomen in zorgcentrum [A] , onderdeel van het [B] Medisch Centrum, in de media bekend geworden als de “verstervingszaak zorgcentrum Sittard”.1.De klager was de behandelend arts van de vrouw en is in dat strafrechtelijk onderzoek aangemerkt als verdachte van een opzettelijk gepleegd levensdelict.
2. Het beslag
2.1
Op 10 juli 2023 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris aan [B] Medisch Centrum, waarvan zorgcentrum [A] onderdeel is, de uitlevering zal bevelen van een tweetal dossiers, te weten:
- het medisch patiëntendossier van [slachtoffer] over de periode van 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023;
- het volledig verpleegkundig-zorgdossier, waarin onder andere zijn opgenomen de rapportages van het zorgdossier, 24-uurs rapportages, MDO (multi disciplinair overleg)-verslagen, incidenten en maatregelen, medicatielijsten/ aftekenlijsten, voedingspatroon en ontlastingspatroon van [slachtoffer] over de periode vanaf 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023.
2.2
Bij beschikking van 20 juli 2023 heeft de rechter-commissaris de vordering toegewezen en het bevel tot uitlevering van voormelde dossiers gegeven. Stichting [B] Zorg heeft zich bij monde van haar raadsvrouw verzet tegen de bevolen uitlevering en zich beroepen op een afgeleid verschoningsrecht.
2.3
Op 15 september 2023 zijn de voorwerpen waarvan de uitlevering was bevolen door een medewerker van [B] in een afgesloten enveloppe verstrekt aan het kabinet van de rechter-commissaris.
3. Het bezwaar ex art. 98 lid 2 Sv en de beschikking van de rechter-commissaris
3.1
Eveneens op 15 september 2023 heeft mr. De Leon-van den Berg namens de klager ex art. 98 lid 2 Sv bezwaar gemaakt tegen de door de rechter-commissaris gevorderde en bevolen uitlevering en het doorbreken van zijn verschoningsrecht.
3.2
De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 31 oktober 2023 zowel het bezwaar van de klager als van [B] beoordeeld en beide bezwaren ongegrond verklaard.
3.3
Hierna zullen slechts de relevante delen van de beschikking van de rechter-commissaris ten aanzien van de klager met betrekking tot diens beroep op zijn verschoningsrecht worden weergegeven.
3.4
In de beschikking is als standpunt van de officier van justitie opgenomen:
“2.3.3 De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verschoningsrecht in dit geval dient te wijken voor het belang van de de waarheidsvinding. De verdenking is volgens de officier van justitie toegespitst op mogelijke (ouderen)mishandeling en opzettelijke benadeling van de gezondheid van hulpbehoevenden, waarbij de dood als gevolg een strafverzwarende omstandigheid oplevert. Opmerking hierbij verdient volgens de officier van justitie wel dat de exacte duiding van de strafbare feiten nog niet mogelijk is, onder andere omdat onvoldoende duidelijk is of het overlijden van [slachtoffer] (mede) het gevolg is van het in strijd handelen met het beleid door de dochter van deze [slachtoffer] of dat er bij het afgesproken beleid zelf vraagtekens moeten worden gezet. Indien uit de in beslag genomen medische informatie zou blijken van onjuist beleid in de behandeling van [slachtoffer] dan zou dat volgens de officier van justitie kunnen betekenen dat sprake is van strafbaar handelen van de behandelend arts en/of de zorginstelling. Een beroep op het verschoningsrecht mag niet ertoe dienen de eventueel strafrechtelijke betrokkenheid van een arts of zorginstelling te bemantelen. De officier van justitie heeft daaraan toegevoegd dat er geen alternatieve en minder ingrijpende middelen beschikbaar zijn om over de gevorderde en voor het strafrechtelijk onderzoek van groot belang zijnde gegevens te kunnen beschikken. Dat alles maakt de inbreuk op het medisch beroepsgeheim noodzakelijk. Die inbreuk is overigens minimaal vanwege de reeds uit het schouwverslag en het sectierapport blijkende medische gegevens. Bovendien hebben de gevraagde gegevens betrekking op een veeleer beperkte periode ”
3.5
Het standpunt van de klager is in de beschikking van de rechter-commissaris als volgt weergegeven, waarbij opvalt dat de klager door de rechter-commissaris wordt aangeduid met ‘verdachte’:
“2.3.1. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet is gekend in het gegeven bevel tot uitlevering dat daarom onrechtmatig is. Het oordeel omtrent de vraag of gegevens, die behoren tot medische dossiers, object van de (afgeleide) bevoegdheid tot verschoning uitmaken, komt immers in beginsel toe aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid. De bevolen uitlevering van de gevorderde gegevens acht hij in strijd met zijn plicht tot geheimhouding als arts. Zeer uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk hierop rechtvaardigen zijn er niet. Het enkele belang dat de waarheid aan het licht komt, is hiervoor onvoldoende. Er zijn ook onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat het medisch dossier enige bijdrage kan leveren aan de waarheidsvinding. Daarmee heeft het gevorderde bevel de schijn een ‘fishing expedition’ te zijn om een strafrechtelijke vervolging handen en voeten te geven. Tot slot voert de verdachte aan dat de officier van justitie ook de mogelijkheid heeft om ander en minder ingrijpend onderzoek te doen om de waarheid op tafel te krijgen.”
3.6
Na weergave van het te hanteren beoordelingskader overweegt de rechter-commissaris als volgt:
“2.7. Toepassing gevend aan dat toetsingskader gaat de rechter-commissaris van de volgende feiten en omstandigheden uit.
2.7.1.
Uit de stukken waarover de rechter-commissaris beschikt, blijkt dat op donderdag 1 juni 2023, omstreeks 17:20 uur, [slachtoffer] , die op dat moment in [B] , zorgcentrum [A] was opgenomen, is overleden. Vervolgens heeft de forensisch arts dr. S.L. de Kunder diezelfde dag nog, omstreeks 20:30 uur, een schouw verricht aan het lichaam van de overleden [slachtoffer] . Bij de schouw heeft de forensisch arts samen met de specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 1] , het medisch en verpleegkundig zorgdossier van de overledene over de periode vanaf 15 mei 2023 kunnen inzien. De conclusie van de forensisch arts, die mede steunt op de kennelijk in de medische dossiers aangetroffen tegenstrijdigheden in het beeld van eten en drinken door de overledene, was dat er mogelijk sprake was van nalatigheid in het toedienen van voedsel, drank en/of medicatie. Daarop heeft de officier van justitie het lichaam van de overleden [slachtoffer] in beslag genomen, waarna op 3 juni 2023 gerechtelijke sectie is verricht. De voorlopige conclusie van de sectie was dat er geen ziekelijke afwijkingen zijn geconstateerd die de dood zouden kunnen verklaren. Verder staat vast dat op 31 mei 2023 bij het Openbaar Ministerie een melding binnen is gekomen van een vertrouwensarts van Veilig Thuis waarin in verband met de verpleging en verzorging van [slachtoffer] het vermoeden is geuit van ouderenmishandeling (door het onthouden van vocht en voeding).
2.7.2.
Uit de beschikbare stukken komt verder naar voren dat [slachtoffer] met haar 87 jaren een oudere en (waarschijnlijk) dementerende vrouw was, die in de laatste fase van haar leven wisselend verklaarde over haar doodswens. Zij was echter niet terminaal en kwam ook niet (meer) in aanmerking voor euthanasie. Duidelijk is ook dat de familie van de overleden [slachtoffer] , en in de eerste plaats haar dochter, betrokken is geweest bij en geïnformeerd is over de behandeling en de verpleging op de verpleegafdeling van [B] , zorgcentrum [A] , waar [slachtoffer] verbleef. Op welke wijze blijkt uit het medisch en verpleegkundig dossier.
2.7.3.
Als hoofdbehandelaar van de overleden [slachtoffer] is ook verdachte op eng moment door de politie gehoord. Over die verklaring beschikt de rechter-commissaris echter niet.
2.7.4.
Tot slot is er dan nog de verklaring van [betrokkene 2] , die op 10 oktober 2023 in deze strafzaak als getuige door de politie is gehoord. De getuige is een inmiddels op staande voet ontslagen medewerker van [B] die daadwerkelijk bij de verpleging en verzorging van de overleden [slachtoffer] was betrokken. Uit die verklaring van de getuige bij de politie komt naar voren dat hij vraagtekens plaatst bij de wens van [slachtoffer] niet meer te willen leven en verder verklaart hij over een meerdere keren bijgesteld plan vocht en voeding aan [slachtoffer] te onthouden. Ook heeft de getuige het erover dat, in zijn eigen woorden, er qua tijden aanpassingen zijn gedaan aan het medisch dossier.
2.8.
Dat de officier van justitie tegen deze achtergrond de beschikking wenst te hebben over het volledige medische en verpleegkundig zorgdossier in de laatste fase van het leven van [slachtoffer] (vanaf 1 maart 2023 tot aan het overlijden) is vanuit het belang van het opsporingsonderzoek goed te begrijpen. De bevindingen tot dusver sluiten een ernstig strafbaar feit immers bepaald niet uit. De vraag is dan of het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, hier zo zwaar moet wegen dat het maatschappelijk belang dat de verdachte en [B] erbij hebben vast te blijven houden aan het verschoningsrecht daarvoor moet wijken.
2.9.
De rechter-commissaris meent van wel. Ook het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, is een zwaarwegend maatschappelijk belang. Het strafrechtelijk onderzoek is erop gericht zoveel mogelijk te achterhalen op welke wijze de overleden [slachtoffer] aan haar einde is gekomen, nu bij de sectie op haar lichaam geen ziekelijke afwijkingen zijn geconstateerd die haar overlijden kunnen verklaren terwijl de bevindingen van de forensisch arts, die mede heeft kunnen putten uit het hem ter inzage toediening van voeding, drank en/of medicatie. Die bevindingen staan overigens niet op zichzelf maar vinden steun in een melding van een vertrouwensarts van Veilig Thuis van 31 mei 2023, die niet overtuigd is van een natuurlijke dood. De getuige [betrokkene 2] lijkt daarvan evenmin overtuigd, gelet op de door hem bij de politie afgelegde verklaring.
2.10.
Anders dan de verdachte wil doen voorkomen, gaat het hier dus niet zo maar om een ‘fishing expedition’ maar om voldoende concrete aanwijzingen voor de verdenking van het gepleegd hebben van een ernstig strafbaar feit. Het verschoningsrecht dient niet ertoe strafbare feiten of misstanden te maskeren. Het medisch en verpleegkundig dossier waarvan de uitlevering is bevolen, kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het op tafel krijgen van wat anders verborgen zou blijven. Dan is het belang van de waarheidsvinding en het aan de kaak kunnen stellen van mogelijke misstanden of zelfs strafbare feiten bij de behandeling en verpleging in de laatste fase van het leven van [slachtoffer] wat de rechter-commissaris betreft een zwaarwegend maatschappelijk belang dat in het gedrang komt als dat andere zwaarwegende belang, namelijk het belang bij geheimhouding van het medische en het verpleegkundig zorgdossier, prevaleert.
2.11.
Van betekenis acht de rechter-commissaris hierbij ook nog het volgende. In zaken als de onderhavige staat het de rechter-commissaris vrij kennis te nemen van de onder het verschoningsrecht vallende stukken. Hij hoeft dat niet te doen maar hier heeft de rechter-commissaris dat wel gedaan, zowel van de stukken die volgens de verdachte en [B] onder het verschoningsrecht vallen als van (delen van) het medisch en het verpleegkundig zorgdossier zoals die zijn aangetroffen op de telefoon die onder de getuige [betrokkene 2] in beslag is genomen. Bij een snelle vergelijking tussen beide medische dossiers springen weliswaar geen wezenlijke verschillen in het oog maar de kennisneming roept zo a prima vista wel vragen op. Zo is het de rechter-commissaris opgevallen dat op 31 mei 2023 om 17:08 uur door de verdachte is gerapporteerd over de bespreking die met medewerkers van Veilig Thuis heeft plaatsgevonden en dat die rapportage op 1 juni 2023 om 12:26 uur voor een laatste keer is bewerkt. Zo’n lange periode tussen het tijdstip van rapporteren en het tijdstip van bewerken, is de rechter-commissaris verder in het medisch dossier niet opgevallen. Dat vraagt om uitleg, mede in het licht van de verklaring van de getuige [betrokkene 2] die stelt te kunnen bewijzen dat er aanpassingen in het medisch dossier hebben plaatsgevonden.
2.12.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris moet in verband met de vraag of het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht ook worden stilgestaan bij de vraag of de met behulp van de doorbreking van het verschoningsrecht te verkrijgen gegevens niet op andere of minder bezwarende wijze kunnen worden verkregen. In deze strafzaak gaat het (ook) erom dat de officier van justitie, gegeven de verdenking die er nu ligt, zich een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kan vormen over de afspraken die door de behandelaar(s) met [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of haar naasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende de protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepast en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij [B] , zorgcentrum [A] . Andere mogelijkheden die vragen beantwoord te krijgen zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht zijn de rechter-commissaris niet gebleken. De verdachte stelt dat weliswaar maar welke andere mogelijkheden er dan zijn, benoemt ook hij niet.
2.13.
Tot slot is er nog het belang van het recht op bescherming van de privacy dat elke patiënt heeft. De gegevens waarvan de uitlevering is bevolen zijn medische en verpleegkundige gegevens en daarmee bij uitstek privacygevoelig. De rechter-commissaris beseft dat en daarom heeft hij bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het verschoningsrecht is toegestaan ook stilgestaan bij de veronderstelde wil van de overleden [slachtoffer] en het belang van de bescherming van haar persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de rechter-commissaris blijkt uit de medische en verpleegkundige gegevens waarvan hij heeft kennisgenomen niet onomstotelijk dat [slachtoffer] een consequente en duurzame doodswens had. Gelet daarop maar ook acht slaand op de verklaring van de getuige [betrokkene 2] moet de rechter-commissaris aannemen dat de overleden [slachtoffer] ook zelf zou hebben gewild, en dus ook erop mocht rekenen, dat na haar overlijden een objectief en zo volledig mogelijk onderzoek wordt ingesteld naar het medisch en verpleegkundig handelen in de laatste fase van haar leven. Van die veronderstelde wil ging aanvankelijk ook de verdachte als hoofdbehandelaar klaarblijkelijk uit, nu hij, geplaatst voor de vraag of het medisch dossier met of zonder vordering moest worden verstrekt, op 2 juni 2023 in het medisch dossier liet optekenen dat hij als hoofdbehandelaar veronderstelt dat de overledene geen bezwaar zou hebben gemaakt tegen een vrijwillige verstrekking van het medisch en verpleegkundig zorgdossier. Het voorgaande brengt mee dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer voor relativering in aanmerking komt en bij de beantwoording van de vraag of het verschoningsrecht moet prevaleren boven belang dat de waarheid aan het licht komt, in het geheel van de in de afweging te betrekken belangen, als zelfstandig argument sterk aan gewicht inboet. Dat geldt te meer als hierbij in ogenschouw wordt genomen dat de uitlevering is bevolen van stukken over de betrekkelijk korte periode 1 maart 2023 tot aan de datum van het overlijden.
2.14.
De conclusie
2.14.1.
De vraag of zich hier zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat doorbreking van het verschoningsrecht aan geboden is, vergt een afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen. Wanneer de rechter-commissaris die belangen in de onderhavige zaak op een rijtje zet en tegen elkaar afweegt, komt hij tot de conclusie dat in het bijzonder de optelsom van:
- de aard en de ernst van de verdenking van het misdrijf dat mogelijk is gepleegd;
- het feit dat er twijfels zijn, onder andere bij Veilig Thuis, over een natuurlijke dood van [slachtoffer] ;
- het belang van de gegevens waarvan de uitlevering is bevolen, voor de voortgang én de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek naar dat overlijden;
- de omstandigheid dat de gegevens waarvan de uitlevering is bevolen betrekking hebben op een betrekkelijk korte periode;
- de omstandigheid dat niet op een andere of minder bezwarende wijze over de gegevens kan worden beschikt;
- de mate waarin de betrokken (privacy)belangen van de overleden [slachtoffer] worden geschaad bij doorbreking van het verschoningsrecht;
- de verplichting van de staat een zo effectief en onafhankelijk mogelijk onderzoek te doen, meebrengt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die in deze zaak rechtvaardigen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
2.14.2.
Dat betekent dat de verdachte zijn verschoningsrecht niet jegens de officier van justitie kan inroepen en dat zijn bezwaar ongegrond is.
2.14.3.
Nu de verdachte het verschoningsrecht in dezen niet kan inroepen, geldt dat ook voor [B] als afgeleid verschoningsgerechtigde. Ook het bezwaar van [B] moet dus als ongegrond worden verworpen. Een en ander betekent ook dat de officier van justitie kennis mag nemen van de usb-stick met daarop het door de getuige aangeleverde medische en verpleegkundig zorgdossier2..
3. De beslissing
De rechter-commissaris:
(…)
- verklaart het bezwaar van de verdachte ongegrond en bepaalt dat hij zijn verschoningsrecht niet jegens de officier van justitie kan inroepen;
- verklaart het bezwaar van [B] ongegrond en bepaalt dat zij het afgeleid verschoningsrecht niet jegens de officier van justitie kan inroepen;
- bepaalt dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat in deze zaak onherroepelijk is beslist.”
4. De beklagprocedure en de beschikking van de rechtbank
4.1
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is door de klager op 13 november 2023 een klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift is door de rechtbank op 16 januari 2024 in een openbare raadkamerzitting behandeld, gelijktijdig met een door [B] tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingediend klaagschrift.3.De beschikking van de rechtbank die in onderhavige cassatieprocedure voorligt, ziet slechts op het beklag van de klager.
4.2
Blijkens het proces-verbaal van de zitting is door de officier van justitie ten aanzien van de bestaande verdenking(en) in het strafrechtelijk onderzoek het volgende opgemerkt:
“Inmiddels zijn processen-verbaal van verdenking opgemaakt jegens twee natuurlijke personen. Dat betreffen de dochter van [slachtoffer] en [verdachte] , de behandelend arts. De verdenking is dus (mede) gericht tegen de (primair) verschoningsgerechtigde, de klager. Ik beschik niet over die processen-verbaal. Op dit moment bestaat er geen verdenking jegens Stichting [B] Zorg. (…) De verdenking betreft een opzettelijk gepleegd levensdelict. (…) De verdenkingen zijn voldoende duidelijk en de verdenkingen zijn zwaarder geworden na de conclusie in het definitieve sectierapport.”
4.3
De rechtbank heeft op 14 februari 2024 op het beklag van de klager beslist. Van deze beschikking zijn de navolgende passages voor de beoordeling van het cassatieberoep van belang.4.
“Beoordeling
(…)
Beroep op het verschoningsrecht
(…)
Ter beantwoording van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden dient allereerst te worden vastgesteld of er een redelijk vermoeden van schuld is aan het begaan van een ernstig strafbaar feit. Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of deze verdenking van dien aard is dat er kan worden gesproken van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht dient te wijken voor het belang van waarheidsvinding.
Beide vragen beantwoordt de rechtbank bevestigend en zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken die aan de rechtbank ter beschikking zijn gesteld blijkt dat op donderdag 1 juni 2023, omstreeks 17:20 uur, [slachtoffer] , die op dat moment bij [B] was opgenomen, is overleden. De forensisch arts dr. S.L. de Kunder heeft diezelfde dag nog, omstreeks 20:30 uur, een schouw verricht aan het lichaam van de overleden [slachtoffer] . Bij de schouw heeft de forensisch arts samen met de specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 1] , het medisch en verpleegkundig zorgdossier van de overledene over de periode vanaf 15 mei 2023 kunnen inzien. De conclusie van de forensisch arts, die mede steunt op de kennelijk in de medische dossiers aangetroffen tegenstrijdigheden in het beeld van eten en drinken door de overledene, was dat mogelijk men nalatig is geweest in het aanbieden van voedsel of drank en in het toedienen van medicatie.
De officier van justitie heeft daarop het lichaam van de overleden [slachtoffer] in beslag genomen, waarna op 3 juni 2023 een gerechtelijke sectie daarop is verricht. De voorlopige conclusie van de sectie was dat er geen ziekelijke afwijkingen zijn geconstateerd, die de dood zouden kunnen verklaren. Verder staat vast dat op 31 mei 2023 bij het Openbaar Ministerie een melding binnen is gekomen van een vertrouwensarts van Veilig Thuis, waarin in verband met de verpleging en verzorging van [slachtoffer] het vermoeden is geuit van ouderenmishandeling (door het onthouden van vocht en voeding).
Uit de beschikbare documenten komt verder naar voren dat [slachtoffer] , 87 jaren oud, (waarschijnlijk) dementerend was, in de laatste fase van haar leven was en dat zij wisselend verklaarde over haar doodswens. Zij was niet terminaal en kwam niet in aanmerking voor euthanasie. Duidelijk is ook dat de familie van de overleden [slachtoffer] , en in de eerste plaats haar dochter, betrokken is geweest bij en geïnformeerd is over de behandeling en de verpleging op de verpleegafdeling van [B] . Op welke wijze blijkt uit het medisch en verpleegkundig dossier.
Als hoofdbehandelaar en direct betrokkene van [slachtoffer] is de klager als verdachte door de politie gehoord. In het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier is geen proces-verbaal van dat verhoor opgenomen. In het dossier is een verklaring van [betrokkene 2] gevoegd, die op 10 oktober 2023 als getuige door de politie is gehoord. [betrokkene 2] is een inmiddels op staande voet ontslagen medewerker van [B] , die daadwerkelijk bij de verpleging en verzorging van de [slachtoffer] was betrokken. Uit die verklaring van [betrokkene 2] komt naar voren dat hij vraagtekens plaatst bij de wens van [slachtoffer] om niet meer te leven en verder verklaart hij over een meerdere keren bijgesteld plan om vocht en voeding aan [slachtoffer] te onthouden. Ook heeft de getuige het erover dat, in zijn eigen woorden, er qua tijden aanpassingen zijn gedaan aan het medisch dossier.
Tot slot beschikt de rechtbank over het definitieve sectierapport van 21 november 2023 betreffende het pathologieonderzoek naar aanleiding van het mogelijk niet-natuurlijk overlijden van [slachtoffer] . De senior-forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] goed kan worden verklaard door een biochemische verstoring van het lichaam (ketoacidose) door ondervoeding of uithongering. Volgens dat rapport is van een andere oorzaak voor het ontstaan van de vastgestelde ketoacidose of een andere oorzaak van overlijden niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is overwogen kan worden geconcludeerd dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan het begaan van een zeer ernstig strafbaar feit, nu hij betrokken was bij en verantwoordelijk was voor de bepaling van de behandeling van [slachtoffer] . De rechtbank tekent daarbij aan dat het onderzoek in raadkamer summier van aard is, ook als het gaat om de beoordeling van de verdenking jegens klager, nu het dossier immers nog niet compleet is. De vraag is dan of het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt in dit geval zo veel gewicht in de schaal legt dat het gewicht van het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van de klager daar niet tegen opweegt.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het belang van waarheidsvinding een zodanig zeer zwaarwegend maatschappelijk belang is, dat daarvoor het verschoningsrecht van de klager moet wijken. Het strafrechtelijk onderzoek is erop gericht zoveel mogelijk feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer] te achterhalen. Zoals gezegd, bij de definitieve sectie op haar lichaam is geconcludeerd dat haar overlijden goed kan worden verklaard door ondervoeding of uithongering. De vraag is dan hoe het - ondanks dat onvoldoende vaststaat dat zij een duidelijke en ondubbelzinnige doodswens had, dat euthanasie niet aan de orde was, dat zij niet terminaal was en dat zij in een verplegende, medische omgeving verbleef - zover heeft kunnen komen. De bevindingen van de forensisch-patholoog staan overigens niet op zichzelf en vinden steun in een melding van een vertrouwensarts van Veilig Thuis van 31 mei 2023, over de zeer ernstige zorgen over de behandeling van [slachtoffer] . De getuige [betrokkene 2] lijkt evenmin overtuigd van een natuurlijke dood, gelet op de inhoud van de tegenover ambtenaren van de politie afgelegde verklaring.
Anders dan de klager stelt, gaat het hier dus niet om een ‘fishing expedition’ van de officier van justitie, maar om voldoende concrete aanwijzingen voor de verdenking van schuld aan het begaan Van een ernstig strafbaar feit. Het verschoningsrecht dient niet ertoe (eigen) strafbare feiten of misstanden te maskeren. Het medisch en verpleegkundig dossier kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. Dit belang van onderzoek naar mogelijke strafbare feiten bij de behandeling en verpleging in de laatste fase van het leven van [slachtoffer] betreft een zwaarwegend maatschappelijk belang dat in het gedrang komt als dat andere, eveneens zwaarwegende belang, namelijk het belang bij geheimhouding van het medische en hét verpleegkundig zorgdossier, prevaleert.
Naar het oordeel van de rechtbank moet in verband met de vraag of het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht, ook worden stilgestaan bij de vraag of de met behulp van de doorbreking van het verschoningsrecht te verkrijgen gegevens niet op andere of minder bezwarende wijze kunnen worden verkregen. In deze strafzaak gaat het er (ook) om dat de officier van justitie, gegeven de verdenking zoals deze er nu ligt, zich een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kan vormen over de afspraken die door de behandelaars met [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of met haar naasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepast en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij [B] . Ook is van belang of een afgesproken beleid voldoet aan de richtlijnen en professionele standaarden die in dergelijke gevallen gelden en of een afgesproken beleid getoetst is en als dat heeft geleid tot aanpassingen van het beleid, of aan die aanpassingen gevolg gegeven is en die aanpassingen niet door acties onmogelijk geworden zijn. Andere mogelijkheden die vragen beantwoord te krijgen zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht zijn de rechtbank niet gebleken. Van de zijde van de klager is aangegeven dat het horen van getuigen een minder ingrijpende mogelijkheid is. Die mogelijkheid weegt echter niet op tegen het integraal onderzoek van de meergenoemde documenten en biedt ook niet hetzelfde inzicht. Ook de periode waarover de documenten gevorderd zijn acht de rechtbank juist, omdat een beperking tot een periode van 15 mei tot en met 1 juni onvoldoende geacht wordt om een juist inzicht te krijgen.
Na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen komt de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De rechtbank kan zich daarom verenigen met de beslissing van de rechter-commissaris. Na de in het geding zijnde beschikking van de rechter-commissaris zijn nog documenten aan het dossier toegevoegd, waarvan de inhoud niet noopt tot het nemen van een andersluidende beslissing. In zoverre wordt geklaagd over de beslissing van de rechter-commissaris van 31 oktober 2023 dat ondanks de bezwaren tegen het toestaan van de inbeslagname van het medisch patiëntendossier en het volledig verpleegkundig zorgdossier op grond van het verschoningsrecht van de klager, moet het bezwaarschrift op grond van de voorgaande overwegingen ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
(…)
- verklaart ongegrond het bezwaar van de klager tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 31 oktober 2023 dat inbeslagneming van het medische dossier en het verpleegdossier van [slachtoffer] is toegestaan.”
5. Het middel
5.1
Het middel richt zich met twee deelklachten, die volgens de steller van het middel in onderlinge samenhang moeten worden bezien, tegen het oordeel van de rechtbank dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht van de klager.
In deelklacht (a) wordt gesteld dat de overwegingen van de rechtbank dit oordeel niet kunnen dragen nu (i) de verdenking onvoldoende is gespecificeerd; (ii) het algemeen belang op onbegrijpelijke wijze is gerelativeerd; (iii) de aard en de omvang van de gegevens door de rechtbank onvoldoende zijn geduid en (iv) de rechtbank geen vaststellingen heeft gedaan over de wil van de patiënt ten aanzien van de openbaring van de gevorderde gegevens.
In deelklacht (b) wordt erover geklaagd dat de rechtbank er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de doorbreking van het verschoningsrecht “strikt noodzakelijk/nodig” is, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
Het juridische kader van het verschoningsrecht
5.2
Wat het verschoningsrecht van een arts aangaat kan meer in het algemeen het volgende worden vooropgesteld. Een arts is verplicht om ten aanzien van al hetgeen hem bij de uitoefening van zijn beroep vertrouwelijk ter kennis is gekomen, geheimhouding te betrachten.5.Indien, zoals in onderhavige zaak het geval is, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de uitlevering van gegevens wordt bevolen ter inbeslagneming en die gegevens onder de geheimhoudingsplicht van de arts vallen, kan de arts op grond van het hem toekomende verschoningsrecht ex art. 218 Sv weigeren daaraan medewerking te verlenen.6.Aan andere instanties of personen die over de gevorderde gegevens beschikken, bijvoorbeeld medisch personeel, een door de arts ingeschakelde deskundige, of de zorginstelling waar de arts werkzaam is, komt een van de arts afgeleid verschoningsrecht toe.7.De ratio van de geheimhoudingsplicht en het daaraan verbonden verschoningsrecht van de arts is dat een ieder die zich tot een arts wendt voor geneeskundige hulp zich verzekerd weet dat al hetgeen hij aan de arts toevertrouwt, geheim blijft en niet zonder zijn instemming naar buiten mag worden gebracht. De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht waarborgen niet alleen het individuele belang van de patiënt, maar ook het algemene belang dat de medische zorg toegankelijk moet zijn voor iedereen. Daarom geldt in beginsel steeds dat het verschoningsrecht prevaleert boven de waarheidsvinding.8.
5.3
Maar het verschoningsrecht is niet absoluut. Er kunnen zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan de rechter het verschoningsrecht, in het belang van de waarheidsvinding, kan doorbreken.9.Voor een dergelijke doorbreking gelden zware motiveringseisen, waarbij beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit moeten worden betrokken. Het moet gaan om een ernstig delict waarbij de gegevens niet op een andere minder ingrijpende wijze kunnen worden verkregen. De inbreuk op het verschoningsrecht mag bovendien niet verder gaan dan strikt nodig is voor de opheldering van het vermoedelijke strafbare feit.
5.4
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn als de de verdenking zich richt tegen de arts zelf10., meer in het bijzonder wanneer de arts wordt verdacht van een jegens zijn patiënt gepleegd delict.11.Het verschoningsrecht dient er immers niet toe de waarheid te bemantelen in een tegen de verschoningsgerechtigde zelf ingesteld strafrechtelijk onderzoek.12.Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat bij een ernstig vermoeden van ondeskundig handelen door een arts, de gegevens die met betrekking tot de medische behandelingen in het dossier zijn vastgelegd, voor onderzoek door de justitiële autoriteiten beschikbaar zijn. Daarbij speelt ook de verplichting die voor de Staat voortvloeit uit art. 2 EVRM tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek ingeval een patiënt is overleden en daarbij de verdenking van een levensdelict is gerezen.13.
Klacht (a) zeer uitzonderlijke omstandigheden?
5.5
Ter onderbouwing van de deelklacht dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank de verdenking onvoldoende heeft gespecificeerd.
5.6
De rechtbank heeft inderdaad niet nader geconcretiseerd om welk opzettelijk gepleegd levensdelict het zou gaan. De rechtbank heeft in haar beschikking wel feiten vastgesteld die er, kort gezegd, op neerkomen dat [slachtoffer] mogelijk is komen te overlijden als gevolg van ondervoeding of uithongering, terwijl onvoldoende vaststaat dat zij een duidelijke en ondubbelzinnige doodswens had, dat euthanasie niet aan de orde was, zij niet terminaal was en zij in een verplegende, medische omgeving verbleef. Op grond daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat jegens de verdachte, de hoofdbehandelaar van [slachtoffer] , een redelijk vermoeden van schuld bestaat van een (zeer) ernstig strafbaar feit.
5.7
Daaraan doet niet af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, onder een ‘opzettelijk gepleegd levensdelict’ strafbare feiten van uiteenlopende aard kunnen worden begrepen. Een nadere concretisering hoeft in deze omstandigheden niet van de beklagrechter te worden gevergd. De beklagprocedure biedt immers slechts ruimte voor een summiere toetsing van de verdenking.14.
5.8
Voor een meer diepgaande toetsing zie ik ook geen aanknopingspunten in de rechtspraak van de Hoge Raad.15.In de onderhavige zaak is het bestaan van een verdenking ter zake van een opzettelijk gepleegd levensdelict, in het licht van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden, voldoende concreet. De beschikking van de rechtbank biedt tevens voldoende aanknopingspunten voor toetsing van het oordeel van de rechtbank in cassatie.
5.9
In dit kader merk ik nog op dat in de vordering bevel tot uitlevering van de officier van justitie en het door de rechter-commissaris gegeven bevel concrete strafbare feiten worden vermeld, te weten art. 289 Sr (moord), art. 300 lid 3 Sr (mishandeling met de dood tot gevolg) en art. 255 jo. 257 Sr (het in hulpeloze toestand brengen of laten van een hulpbehoevende, met de dood tot gevolg). Van een verdenking van art. 294 Sr (hulp bij zelfdoding)– waarvan in de schriftuur wordt betoogd dat de ernst van dit delict in de samenleving uiteenlopend wordt beoordeeld – geven de stukken geen blijk.
5.10
De overige onder deelklacht (a) naar voren gebrachte argumenten16.zal ik slechts kort bespreken.
Ik lees uit de uiteenzettingen van de rechtbank over het algemene juridische kader op p. 4 en 5 van de beschikking, waarnaar de steller van het middel verwijst, niet dat de rechtbank het algemeen belang dat gemoeid is met het verschoningsrecht te beperkt of onjuist heeft opgevat.17.
Dat de rechtbank de aard en de omvang van de gegevens onvoldoende heeft geduid mist in de eerste plaats feitelijke grondslag. Bovendien spelen deze vooral een rol bij de beantwoording van de vraag of de inbreuk op het verschoningsrecht beperkt blijft tot de gegevens voor zover deze strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. Hierop kom ik bij de bespreking van deelklacht (b) hieronder terug.
Tot slot heeft de rechtbank geen vaststellingen kunnen doen over de wil van de patiënt over de openbaring van de gevorderde gegevens. Haar overlijden is immers de aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier te vinden dat de overledene dit “’a fortiori” niet zou willen als het zou gaan om wederrechtelijke hulp bij zelfdoding, zoals de steller van het middel betoogt. Gelet op de vaststellingen die de rechtbank in dit kader wél heeft gedaan over de wil van de patiënt, namelijk dat onvoldoende vaststaat dat zij een duidelijke en ondubbelzinnige doodswens had en dat euthanasie niet aan de orde was, is het eerder aannemelijk dat de overledene wel zou hebben gewild dat er onderzoek wordt gedaan naar de doodsoorzaak en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van de gegevens uit het patiëntendossier en het verpleegkundig-zorgdossier.
5.11
Al met al acht ik het oordeel van de rechtbank dat in casu sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven tot het doorbreken van het verschoningsrecht van de klager met betrekking tot het medisch patiëntendossier en het verpleegkundig-zorgdossier van [slachtoffer] , niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Klacht b doorbreking verschoningsrecht verder dan strikt noodzakelijk?
5.12
In deelklacht (b) wordt aangevoerd dat de rechtbank niet (begrijpelijk) heeft vastgesteld dat doorbreking van het verschoningsrecht niet verder zal gaan dan strikt noodzakelijk. Ook deze deelklacht slaagt niet.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat indien wordt geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het feit waarop het strafrechtelijk onderzoek zich richt.18.Wanneer voor de waarheidsvinding kan worden volstaan met kennisneming van bijvoorbeeld een deel van de informatie of met geanonimiseerde informatie, dient de kennisneming daartoe te worden beperkt. Voorkomen moet worden dat personen onnodig worden geschaad in hun belangen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan cliëntengegevens die voorkomen in dossiers van een advocaat en niet relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek.19.De inbreuk kan ook worden beperkt door een geclausuleerde kennisneming van de gegevens.20.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank overwogen dat het medisch dossier en het verpleegkundig dossier een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de waarheidsvinding. Uit het gebruik van het woord “kunnen” kan niet – zoals de steller van het middel aanvoert – worden afgeleid dat de rechtbank voornoemde uitgangspunten heeft miskend.
5.13
De rechtbank heeft vastgesteld welke informatie voor het onderzoek van de officier van justitie van belang is en acht doorbreking van het verschoningsrecht ten aanzien van de in beslag genomen dossiers aangewezen. Mogelijkheden om deze informatie “zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht” te verkrijgen zijn de rechtbank niet gebleken. Daarin heeft de rechtbank ook de mogelijkheid tot het horen van getuigen betrokken.
Tot slot is van belang dat de dossiers waarvan kennisneming wordt toegestaan zien op een beperkte periode, namelijk de periode die relevant is voor het onderzoek.
5.14
Het oordeel van de rechtbank getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
6. Conclusie
6.1
Het middel faalt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
Blijkens de beschikking van de rechter-commissaris (rov. 1.3) zijn, door een andere rechter-commissaris, bij een voormalig medewerker van [B] (getuige [betrokkene 2] ) stukken in beslag genomen die naar verwachting onder het verschoningsrecht van [B] zouden vallen. Deze stukken zijn in de handen gesteld van de rechter-commissaris in onderhavige beklagprocedure teneinde deze mee te nemen in en te betrekken bij de beoordeling van het door [B] gedane beroep op het (afgeleid) verschoningsrecht. Uit de beschikking van de rechter-commissaris (rov. 2.11) volgt dat de stukken (delen van) het medisch dossier en het verpleegkundig zorgdossier betreffen.
Proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 16 januari 2024, p. 1.
Een aantal passages in de beschikking van de rechtbank zijn – nagenoeg – gelijk aan de feitenvaststellingen zoals die zijn gedaan in de beschikking van de rechter-commissaris. Het gaat om randnrs. 2.7.1 – 2.7.4.
Zie artikel 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG). Zie voor de plicht tot geheimhouding binnen het bestek van de (civiele) overeenkomst inzake geneeskundige behandeling: Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, Titel 7, Afdeling 5, waarvan in het bijzonder artikel 457. De daarin omschreven geheimhoudingsplicht wordt (in civilibus) opgeheven door de toestemming van de patiënt en vindt uitzondering in wettelijke informatieverplichtingen..
Art. 96a lid 3 onder b Sv. Zie onder meer HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141, NJ 2011/416 m. nt. J.L. Legemaate (Zweedse fixeerband) (bevel tot uitlevering ex art. 105 Sv) en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m. nt. Vellinga-Schootstra (vordering ex art. 125nf Sv).
Zie onder meer HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, NJ 2018/435 m. nt. P.A.M. Mevis; HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324.
Zie onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m. nt. Knigge; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141, NJ 2011/416 m. nt. J.L. Legemaate (Zweedse fixeerband).
Zie onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m. nt. Knigge; HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263 m. nt. J.L. Legemaate (LUMC); HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m. nt. Vellinga-Schootstra; HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324.
Zie bijv. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369, NJ 2008/407 m. nt. J.L. Legemaate (Apotheker).
Zie onder meer HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7817, NJ 2008/630 m. nt. J.L. Legemaate (Erasmus MC) en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141, NJ 2011/416 m. nt. J.L. Legemaate (Zweedse fixeerband). In laatstgenoemde zaak bestond een concrete verdenking (dood door schuld), maar was deze nog niet specifiek gericht tegen een van de betrokken verschoningsgerechtigden. Doorbreking van het verschoningsrecht is bovendien niet beperkt tot gevallen waarin de verschoningsgerechtigde als verdachte is aangemerkt. Zie bijv. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6088, NJ 2012/537 m. nt. J.L. Legemaate (HAP Utrecht). Voor een overzicht van jurisprudentie over het doorbreken van het medisch verschoningsrecht, zie paragraaf 5.6 in M. Sombroek-van Doorn, Medisch beroepsgeheim en de zorgplicht van de arts bij kindermishandeling in de rechtsverhouding tussen arts, kind en ouder, Den Haag: Boom Juridisch 2019 (diss.).
HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263 m. nt. J.L. Legemaate (LUMC); HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141, NJ 2011/416 m. nt. J.L. Legemaate (Zweedse fixeerband).
HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141, NJ 2011/416 m. nt. J.L. Legemaate (Zweedse fixeerband); HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m. nt. Vellinga-Schootstra.
Zie onder meer HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, NJ 2014/93 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 4.3 en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, rov. 3.5.
HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5614 en ECLI:NL:HR:2007:BA5611, NJ 2008/115 m. nt. Schalken.
Zie hiervoor onder 5.1 weergegeven.
De rechtbank stelt hierbij immers voorop: “Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.”
Zie onder meer HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324, rov. 2.4.
HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5614, rov. 4.3; HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418.
HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386. Zie ook HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369, NJ 2008/407 m. nt. J.L. Legemaate (Apotheker) voor een voorbeeld van het anonimiseren van gegevens (patiëntgegevens op recepten).
Beroepschrift 04‑04‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van: mrs. N. van Schaik & H. Brentjes
inzake:
de heer [klager], geboren d.d. [geboortedatum] 1961, requirant van cassatie van de door de rechtbank Limburg, op 14 februari 2024, onder parketnummer 03/168295-23 respectievelijk RK-nummers 23-024490 en 23-028248, gegeven beschikking.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikelen 98, 105 en 552a Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat de rechtbank het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris houdende (kort gezegd) de inbeslagneming van het medisch dossier en het verpleegdossier van de overledene ongegrond heeft verklaard,
a)
terwijl dit oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de overwegingen van de rechtbank niet het oordeel kunnen dragen dat hier sprake is van zeeruitzonderlijke omstandighedendie doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen,
en/of
b)
terwijl dit oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtbank er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de doorbreking van het verschoningsrechtstrikt noodzakelijk/nodigis, althans — voor zover de resultaten van dat onderzoek geacht moet worden besloten te liggen in de overwegingen van de rechtbank — het oordeel dat doorbreking van het verschoningsrechtstrikt noodzakelijk/nodigis, onbegrijpelijk is.
De bestreden beslissing kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Het gaat in deze zaak om het volgende. Op donderdag 1 juni 2023 is mevrouw [slachtoffer], die op dat moment bij Zuyderland Medisch Centrum (hierna: Zuyderland) was opgenomen, overleden. De forensisch arts dr. S.L. de Kunder heeft diezelfde dag een schouw verricht aan het lichaam van de overleden mevrouw [slachtoffer]. De conclusie van de forensisch arts was dat men mogelijk nalatig is geweest in het aanbieden van voedsel of drank en in het toedienen van medicatie.
2.
Als hoofdbehandelaar en direct betrokkene van [slachtoffer], is requirant door de politie gehoord als verdachte. De officier van justitie heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen requirant gevorderd dat de rechter-commissaris Zuyderland zal bevelen het medisch patiëntendossier [slachtoffer], alsmede het volledig verpleegkundig zorgdossier (e.e.a. over de periode vanaf 1 maart 2023 tot en met 1 juni 2023), ter inbeslagneming uit te leveren. De rechter-commissaris heeft die vordering toegewezen. De stukken zijn op 15 september 2023 in een afgesloten envelop overhandigd aan de rechter-commissaris.
3.
Door en namens requirant is bezwaar gemaakt tegen de door de rechter-commissaris bevolen uitlevering ter inbeslagneming van het medisch dossier en het verpleegkundig zorgdossier, omdat daarmee het beroepsgeheim van requirant — die specialist ouderengeneeskunde is en aan wie als geheimhouder een verschoningsrecht toekomt — wordt doorbroken. De rechter-commissaris heeft het beroep requirant op het verschoningsrecht echter afgewezen. Tegen (onder meer) deze beslissing is door en namens requirant een klaagschrift ingediend, dat heeft geleid tot de beschikking waarvan cassatieberoep.
4.
In deze beschikking is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat zich in casu ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ voordoen, die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 31 oktober 2023 waarmee inbeslagneming van het medische dossier en het verpleegdossier van [slachtoffer] is toegestaan, is aldus ongegrond verklaard. In het navolgende zal met twee deelklachten worden opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift van requirant ongegrond is.
Deelklacht a)
5.
Bij de bespreking van de eerste deelklacht stellen wij het volgende voorop. Het verschoningsrecht van geheimhouders — in casu een arts — is niet absoluut, in die zin dat zich ‘zeer uitzonderlijk omstandigheden’ laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert boven het verschoningsrecht. Factoren die kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn — bijvoorbeeld — de omstandigheid dat het gaat om de verdenking van een ernstig strafbaar feit en de omstandigheid dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen (vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205). Ook kan van belang zijn of de direct betrokkene toestemming heeft verleend voor de informatieverstrekking door de behandelend arts (HR 21 oktober 2008, NJ 2008/630).
6.
Voorts kan het door geheimhouding gediende belang gerelativeerd worden indien de arts zelf wordt verdacht van een jegens zijn patiënt gepleegd delict. Dit omdat ‘patiënten in het algemeen erop moeten kunnen vertrouwen dat bij een ernstig vermoeden van verwijtbaar ondeskundig handelen van een arts de gegevens die — veelal verplicht — met betrekking tot de medische behandeling in het medisch dossier zijn vastgelegd, voor onderzoek door de justitiële autoriteiten beschikbaar zijn’ (HR 26 mei 2009, NJ 2009/263, onderstreping onzerzijds, NvS & HB).
7.
De onderhavige deelklacht brengt een verzameling van aspecten uit de bestreden beschikking onder het voetlicht die — zo niet op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien — het overkoepelende oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, doen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk maakt. Wij verzoeken Uw Raad deze deelklacht dan ook holistisch te beschouwen in plaats van als opsomming van losse ‘sub-klachten.’1. Deze deelklacht moet eveneens in onderlinge samenhang met de tweede deelklacht begrepen worden.
Onvoldoende specificering verdenking
8.
In de eerste plaats is onbegrijpelijk dat de rechtbank niet heeft overwogen wat de verdenking tegen requirant precies inhoudt, althans dat zij dit niet preciezer heeft gedaan.2. De rechtbank overweegt slechts dat er sprake is van verdenking van een ‘opzettelijk gepleegd levensdelict.’3. Onder deze categorie zijn vrij veel delicten van uiteenlopende ernst te scharen: van artikel 294 Sr, het aanzetten tot zelfdoding waarop zelfdoding feitelijk volgt (hetgeen wordt bestraft met maximaal drie jaren gevangenisstraf), tot artikel 289 Sr, moord (dat met een levenslange gevangenisstraf wordt bedreigd). Geen van beide uitersten is op voorhand uitgesloten, gelet op de (voorlopige) vaststellingen in de raadkamerprocedure, waardoor de ernst van de verdenking onvoldoende is bepaald.
9.
Hiermee wil niet gezegd zijn dat het in artikel 294 Sr strafbaar gestelde nooit als ‘ernstig’ feit geboekstaafd zou kunnen worden. Niettemin kunnen de ogen niet gesloten worden voor het feit dat de ernst van hulp bij zelfdoding in de samenleving bepaaldelijk uiteenlopend beoordeeld wordt. Vergelijk in dat kader de aan Uw arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418 (Heringa 1) voorafgaande (contraire) conclusie van A-G Spronken, onder 4. Niet zelden eindigen vervolgingen wegens hulp bij zelfdoding in een schuldigverklaring zonder strafoplegging.4. Wij merken in dat verband op dat Uw Raad bij de beoordeling in HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324 in aanmerking nam dat het ging om een verdenking van een ernstig strafbaar feit ten aanzien van een zeer jong kind. Daaruit leiden wij af dat het type delict en de levensfase van het slachtoffer communicerende vaten kunnen zijn, althans dat de ernst van het delict door de levensfase van het slachtoffer wordt ingekleurd. Zeker wanneer de verdenking hulp bij zelfdoding betreft. Moord, daarentegen, is een evident niet alleen een wederrechtelijke doch ook een altijd kwaadaardige handeling die het waardevolste rechtsgoed van een mens opzettelijk tegen diens wil ontneemt. Het is in dit soort zaken daarom zonder meer van belang om (nader) vast te stellen om welke verdenking het precies gaat. Alleen dan kan immers worden beoordeeld wat daarvan de ernst is.
10.
Het (voorlopig) door de rechtbank vastgestelde feitenverloop staat wat dat betreft ook in schril contrast met de vaststellingen en specificaties die de rechtbanken deden in de beschikkingen voorafgaand aan HR 30 november 1999, NJ 2002/438 m.nt. Y. Buruma; HR 27 mei 2008, NJ 2008/407, m.nt. J. Legemaate; HR 21 oktober 2008, NJ 2008/630 m.nt. J. Legemaate; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141 en HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324. Daarin was steeds zonneklaar welke verdenking er aan de orde was — deelneming aan een criminele organisatie; dood door schuld; poging doodslag/zware mishandeling — en dus lieten de aangenomen uitzonderlijke omstandigheden zich, anders dan hier, in cassatie goed toetsen.
11.
Requirant kan in dit verband overigens niet worden tegengeworpen dat het mogelijk noodzakelijk is om kennis te nemen van de stukken alvorens de juiste verdenking tegen hem geformuleerd kan worden. Immers moet éérst worden vastgesteld dat van zodanige uitzonderlijke omstandigheden sprake is dat de doorbreking van het verschoningsrecht te rechtvaardigen valt. Anders dreigt immers het gevaar dat in retrospectief nooit zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan hebben.5. Die aldus vereiste omstandigheden dienen zonder kennis van de geheimhoudersstukken te kunnen worden vastgesteld.
12.
Een daarmee samenhangend punt adstrueert het belang van het preciezer vaststellen van een verdenking. We citeren eerst een deel van de beslissing van de rechtbank:
‘In deze strafzaak gaat het er (ook) om dat de officier van justitie, gegeven de verdenking zoals deze er nu ligt, zich een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kan vormen over de afspraken die door de behandelaars met mevrouw [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of met haar naasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepost en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij Zuyderland. Ook is van belang of een afgesproken beleid voldoet aan de richtlijnen en professionele standaarden die in dergelijke gevallen gelden en of een afgesproken beleid getoetst is en als dat heeft geleid tot aanpassingen van het beleid, of aan die aanpassingen gevolg gegeven is en die aanpassingen niet door acties onmogelijk geworden zijn.’6.
13.
Deze overwegingen zien — zo komt ons voor — evident niet op een verdenking van moord. De nadruk ligt immers op de naleving van protocollen en gemaakte afspraken. De overwegingen kunnen echter ook niet zien op dood door schuld — of daarmee verwante, meer specifiek in de medische wereld van toepassing zijnde culpoze delicten — want de rechtbank overweegt dat er sprake is van een verdenking van een opzettelijk levensdelict. Het is dus in het geheel niet denkbeeldig dat het er in casu inderdaad om spant of sprake is van (een verdenking van) hulp bij zelfdoding of het verlaten van hulpbehoevenden tot wiens onderhoud de verdachte verplicht is, de dood ten gevolge hebbende. Gelet op de kennelijk wisselende verklaringen die door [slachtoffer] afgelegd zijn over haar doodswens, worden nadere overwegingen over de (precieze) aard van de verdenking aldus ten node gemist.7.
Onbegrijpelijke relativering algemeen belang
14.
We verplaatsen de aandacht naar een ander aspect. De rechtbank heeft in haar vooropstellingen de jurisprudentie van Uw Raad aangehaald en overwogen dat bij een verdenking van een jegens de patiënt gepleegd delict, het algemene belang dat gediend wordt door het verschoningsrecht enigszins gerelativeerd kan worden.8. De rechtbank heeft daar in de concrete beoordeling in het onderhavige geval niet op teruggegrepen, maar het komt ons voor dat dit wel mee heeft gewogen in de beoordeling door de rechtbank.
15.
Het is echter niet zonder meer helder dat een dergelijke relativering c.q. redenering in deze situatie opgeld doet. Immers ziet die jurisprudence relativering erop toe dat bij ondeskundig (culpoos) handelen van de arts gegevens boven water komen die veelal verplicht in het medisch dossier zijn opgenomen.9. In casu gaat het echter (beweerdelijk) om opzettelijk handelen, zodat niet zonder meer duidelijk is dat en waarom deze relativering hier toepassing vindt. Het volgende punt adstrueert dit punt nader.
Onvoldoende duiding aard en omvang gegevens
16.
Verondersteld moet worden dat het oordeel of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarvoor het verschoningsrecht gerechtvaardigd voor doorbroken kan worden, afhangt van de vraag óf er in de stukken die het Openbaar Ministerie wil raadplegen redelijkerwijs iets te vinden zal zijn dat licht schijnt op het misdrijf in kwestie.
17.
De rechtbank had het oordeel op dit punt nader moeten motiveren (reeds om niet toetsing in cassatie te kunnen ontlopen). Indien het hier immers tóch om moord of doodslag gaat, valt niet in te zien waarom relevant zou zijn wat voor afspraken de overledene met haar naasten heeft gemaakt. Evenmin is denkbaar dat in het medisch dossier opmerkingen zijn gemaakt die duiden op (andere) delicten die tot de dood leiden. In ieder geval heeft de aard van de verdenking en mitsdien de aard van de benodigde informatie zonder meer betekenis voor de vraag of — de zware ernst van het feit aannemende — het verschoningsrecht gerechtvaardigd doorbroken kan worden.
18.
Over de inhoud van de stukken zelf wordt door de rechtbank echter in alle talen gezwegen. Zij noemt de ‘aard en omvang’ van de gevorderde gegevens wel als factor die het Openbaar Ministerie relevant acht, maar komt daar in de beschikking zelf niet op terug. Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank niet de aard en omvang10. van de gegevens betrekt bij de beoordeling op dit punt. Namens requirant is immers wel naar voren gebracht dat ‘niet in te zien valt’ waarom het volledige medische dossier en het verpleegkundig dossier — zij het temporeel beperkt — geraadpleegd moet worden voor de waarheidsvinding.11. Eveneens is er namens requirant op gewezen dat de aard en omvang van de gevorderde gegevens getoetst dienen te worden in het licht van de gezochte waarheid.12. Een nadere motivering wordt ook op dit punt aldus ten node gemist.
Geen vaststellingen over wil patiënt
19.
In het verlengde hiervan verdient nog opmerking dat de rechtbank geen vaststellingen heeft gedaan — speculatief noch onderbouwd — over de wil van de overledene in deze zaak. De reden dat de wil van de betrokkene relevant geacht kan worden, is natuurlijk dat openbaring van gegevens op verzoek van de betrokkene in kwestie, bezwaarlijk in de weg zal staan aan het algemeen belang dat men zich tot medici durft te wenden — en vice versa. Indien het om hulp bij zelfdoding gaat, moet bovendien verondersteld worden dat degene die een arts vraagt om (wederrechtelijke) hulp bij zelfdoding juist níet wil dat de arts daarvoor gestraft wordt en, a fortiori, niet wil dat haar medisch dossier ingezien wordt.
20.
De rechtbank lijkt in dit kader ook te miskennen wat bedoeld wordt met het ‘maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsrechte moet kunnen wenden.’ Ze overweegt immers:
‘Anders dan de klager stelt, gaat het hier dus niet om een ‘fishing expedition’ van de officier van justitie, maar om voldoende concrete aanwijzingen voor de verdenking van schuld aan het begaan van een ernstig strafbaar feit. Het verschoningsrecht dient niet ertoe (eigen) strafbare feiten of misstanden te maskeren. Het medisch en verpleegkundig dossier kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. Dit belang van onderzoek naar mogelijke strafbare feiten bij de behandeling en verpleging in de laatste fase van het leven van mevrouw [slachtoffer] betreft een zwaarwegend maatschappelijk belang dat in het gedrang komt als dat andere, eveneens zwaarwegende belang, namelijk het belang bij geheimhouding van het medische en het verpleegkundig zorgdossier, prevaleert.’
21.
De rechtbank noemt het zwaarwegende belang dat afgewogen wordt tegen het belang van waarheidsvinding, ‘het belang bij geheimhouding van het medische en het verpleegkundig zorgdossier.’ Eerder spreekt de rechtbank over ‘het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van de klager’ Het belang is echter niet de geheimhouding van dit dossier zelf, maar het belang dat men in het algemeen erop kan vertrouwen dat hetgeen zij een arts toevertrouwen bij die arts blijft.
Slotsom
22.
In het licht van de voorgaande aspecten is het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Dat is temeer het geval als deze aspecten worden beschouwd in samenhang met de hierna te bespreken ‘deelklacht b’.
Deelklacht b)
23.
Bij de bespreking van deze deelklacht stellen wij het volgende voorop. Indien er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden — hetgeen bestreden wordt in de eerste deelklacht van dit middel — die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, mag deze inbreuk op het verschoningsrecht niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.13.
24.
In dit cassatiemiddel worden ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ en ‘strikt noodzakelijk/nodig’ opgesplitst in twee deelklachten. In HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070 oordeelde Uw Raad immers dat ‘daarbij [voorts geldt] dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.’ Ook in haar conclusie vóór HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324, randnummer 4.5, splitst advocaat-generaal Spronken deze twee elementen, in die zin dat eerst geoordeeld wordt over de vraag of er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en daarna pas over de vraag of de inbreuk (niet) verder gaat dan strikt nodig. Deze splitsing wordt in conclusies voorafgaand aan arresten van Uw Raad over deze materie over het algemeen op deze wijze herhaald.14.
25.
Wij menen evenwel dat deze twee aspecten niet volkomen los van elkaar bestaan. Immers, indien het belang van de waarheidsvinding in een concreet geval prevaleert, is daarmee niet gezegd dat doorbreking steeds toelaatbaar is. Indien alle mogelijke informatie die door doorbreking van het verschoningsrecht verkregen zou kunnen worden, óók op andere wijze kan worden verkregen (waarbij aan enige speculatie niet zal kunnen worden ontkomen), zal kennisname van de stukken waarop het verschoningsrecht ziet, alsnog ontoelaatbaar zijn. ‘Zeer uitzonderlijke omstandigheden’ ten spijt.
26.
Omgekeerd is het feit dat bepaalde — voor de beoordeling van het (strafbare) feit nodige — informatie slechts verkrijgbaar is door middel van doorbreking van het verschoningsrecht, een omstandigheid die verweven is met de vraag óf er sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden.’
27.
Voor die laatste stelling vinden wij steun in HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324. Uw Raad betrekt in dat arrest (expliciet) de (feitelijke) oordelen van de rechtbank in kwestie, dat de onder verschoningsrecht vallende gegevens ‘nodig’ waren voor de forensisch arts om ‘gedegen’ forensisch onderzoek te kunnen doen, terwijl de cassatieklacht — zoals Uw Raad het samenvatte — slechts klaagde over het oordeel dat sprake was van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.’
28.
Vanwege deze samenhang moet de eerste deelklacht mede in het licht van hetgeen in deze deelklacht wordt betoogd over — kort gezegd — de subsidiariteit van de doorbreking van het verschoningsrecht, begrepen worden. Niettemin bespreken wij deze deelklacht als afzonderlijke deelklacht, omdat deze klacht ook een afzonderlijk bestaan leidt. Hij is in ieder geval los bespreekbaar.
29.
De gemachtigden van requirant hebben tijdens de raadkamerzitting het woord gevoerd overeenkomstig de door hen aan de rechtbank overgelegde pleitnotities. Over de noodzakelijkheid van het kennisnemen van de gegevens waarop het verschoningsrecht rust, hebben zij blijkens die pleitnotities het volgende naar voren gebracht:
‘Op basis van het definitief sectierapport staat niet vast dat er sprake is geweest van een niet natuurlijk overlijden van patiënte.
Voorbeelden van afspraken die in de optiek van de rechter-commissaris een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kunnen vormen over de afspraken die door de behandelaar(s) met mevrouw [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of haar haasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepast en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij Zuyderland, zorgcentrum Lemborgh? Er zijn in de optiek van cliënt minder vergaande mogelijkheden om deze vragen beantwoord te krijgen, dan door schending van het verschoningsrecht. Zo zouden de naasten van mevrouw [slachtoffer] en de betrokken artsen en verplegend/verzorgend personeel gehoord kunnen worden, gelijk kennelijk [betrokkene 2], die op 10 oktober 2023 nog is gehoord.
De toets die een rechtbank in dit verband van het al of niet aanwezig zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden doet, is een strenge toéts namelijk of de gevorderde gegevens ‘naar hun aard en omvang bekeken strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid.’ Cliënt is van oordeel dat de door het OM bij Zuyderland gevorderde gegevens niet strikt noodzakelijk zijn om de waarheid in casu aan het licht te brengen.
De Hoge Raad wijst er nog op dat de inbreuk op het verschoningsrecht (omdat het een uitzondering op de hoofdregel betreft) niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit (vgl. HR 29 juni 2004. NJ 2005, 273) en dat voor de uitzondering zware motiveringseisen gelden (vgl. HR 9 mei 2006, NJ 2006, 622).
Een exacte duiding van de strafbare feiten is nog niet mogelijk volgens de officier van justitie, zo volgt uit 2.3.3. van de beslissing d.d. 31 oktober 2023 van de rechter-commissaris, onder andere ‘omdat onvoldoende duidelijk is of het overlijden van mevrouw [slachtoffer] (mede) het gevolg is van het in strijd handelen met het beleid door de dochter van deze mevrouw [slachtoffer] of dat er bij het afgesproken beleid zelf vraagtekens moeten worden gezet.’
Nu de exacte duiding van de strafbare feiten nog niet mogelijk is, aldus het OM, voldoet de vordering ex artikel 105 Sv niet aan de wettelijke voorschriften. Immers, niet alleen de vermelding van het strafbare feit, maar ook een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de feiten en omstandigheden waaruit de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld, ontbreken. Reeds hieruit volgt dat er sprake is van een ‘fishing expedition’.’15.
30.
De rechtbank heeft dit verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk (mede) in de sleutel geplaatst van — kort gezegd — de subsidiariteit van de (wijze en mate van) doorbreking van het verschoningsrecht. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
‘De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het belang van waarheidsvinding een zodanig zeer zwaarwegend maatschappelijk belang is, dat daarvoor het verschoningsrecht van de klager moét wijken. Het strafrechtelijk onderzoek is erop gericht zoveel mogelijk feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot het overlijden van mevrouw [slachtoffer] te achterhalen. Zoals gezegd, bij de definitieve sectie op haar lichaam is geconcludeerd dat haar overlijden goed kan worden verklaard door ondervoeding of uithongering. De vraag is dan hoe het — ondanks dat onvoldoende vaststaat dat zij een duidelijke en ondubbelzinnige doodswens had, dat euthanasie niet aan de orde was, dat zij niet terminaal was en dat zij in een verplegende, medische omgeving verbleef — zover heeft kunnen komen. De bevindingen van de forensisch-patholoog staan overigens niet op zichzelf en vinden steun in een melding van een vertrouwensarts van Veilig Thuis van 31 mei 2023, over de zeer ernstige zorgen over de behandeling van [slachtoffer]. De getuige [betrokkene 2] lijkt evenmin overtuigd van een natuurlijke dood, gelet op de inhoud van de tegenover ambtenaren van de politie afgelegde verklaring.
Anders dan de klager stelt, gaat het hier dus niet om een ‘fishing expedition’ van de officier van justitie, maar om voldoende concrete aanwijzingen voor de verdenking van schuld aan het begaan van een ernstig strafbaar feit. Het verschoningsrecht dient niet ertoe (eigen) strafbare feiten of misstanden te maskeren. Het medisch en verpleegkundig dossier kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. Dit belang van onderzoek naar mogelijke strafbare feiten bij de behandeling en verpleging in de laatste fase van het leven van mevrouw [slachtoffer] betreft een zwaarwegend maatschappelijk belang dat in het gedrang komt als dat andere, eveneens zwaarwegende belang, namelijk het belang bij geheimhouding van het medische en het verpleegkundig zorgdossier, prevaleert.
Naar het oordeel van de rechtbank moet in verband met de vraag of het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht, ook worden stilgestaan bij de vraag of de met behulp van de doorbreking van het verschoningsrecht te verkrijgen gegevens niet op andere of minder bezwarende wijze kunnen worden verkregen. In deze strafzaak gaat het er (ook) om dat de officier van justitie, gegeven de verdenking zoals deze er nu ligt, zich een zo objectief en zo volledig mogelijk beeld kan vormen over de afspraken die door de behandelaars met mevrouw [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven met haar en/of met haar naasten zijn gemaakt, of die afspraken overeenkomstig de daarvoor geldende protocollen zijn vastgelegd en zo ja, hoe en op welke wijze die afspraken werden toegepast en getoetst door de artsen en het verzorgend personeel werkzaam bij Zuyderland. Ook is van belang of een afgesproken beleid voldoet aan de richtlijnen en professionele standaarden die in dergelijke gevallen gelden en of een afgesproken beleid getoetst is en als dat heeft geleid tot aanpassingen van het beleid, of aan die aanpassingen gevolg gegeven is en die aanpassingen niet door acties onmogelijk geworden zijn. Andere mogelijkheden die vragen beantwoord te krijgen zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht zijn de rechtbank niet gebleken. Van de zijde van de klager is aangegeven dat het horen van getuigen een minder ingrijpende mogelijkheid is. Die mogelijkheid weegt echter niet op tegen het integraal onderzoek van de meergenoemde documenten en biedt ook niet hetzelfde inzicht. Ook de periode waarover de documenten gevorderd zijn acht de rechtbank juist, omdat een beperking tot een periode van 15 mei tot en met 1 juni onvoldoende geacht wordt om een juist inzicht te krijgen.’16.
31.
De rechtbank ‘staat stil’ bij de vraag of niet op andere of minder bezwarende wijze kan worden verkregen. De rechtbank komt tot de slotsom dat haar geen minder verregaande mogelijkheden zijn gebleken om de informatie die zij nodig acht — wat daar verder van zij gelet op deelklacht a) — te verkrijgen. Dit rigide oordeel wordt echter genuanceerd door de daaropvolgende overwegingen met betrekking tot het horen van getuigen. Dan overweegt de rechtbank immers dat die mogelijk niet ‘opweegt’ tegen hetgeen integrale kennisname van de ‘meergenoemde documenten’ en niet ‘hetzelfde inzicht’ biedt.
32.
Aldus is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zij had moeten toetsen of kennisname van de ‘meergenoemde documenten’ strikt nodig/noodzakelijk was. Dat heeft zij niet kenbaar gedaan. Indien die maatstaf geacht moet worden besloten te liggen in de overwegingen van de rechtbank, is de toepassing van die maatstaf onbegrijpelijk. Immers heeft zij — zo komt ons voor — beoordeeld of dezelfde informatie die met raadpleging van de ‘meergenoemde documenten’ verkregen kon worden, ook met het raadplegen van getuigen verkregen kon worden. Wat zij had moeten beoordelen was of de méérwaarde van het raadplegen van de ‘meergenoemde documenten’ die raadpleging strikt nodig/noodzakelijk maakte. In het oordeel dat de informatie die door getuigen te horen te verkrijgen is ‘niet opweegt’ tegen — en niet ‘hetzelfde inzicht’ biedt als — kennisname van de documenten, ligt nog niet besloten dat de informatie die daar wél door kan worden verkregen onvoldoende is om het verschoningsrecht van requirant te respecteren.
33.
De weerlegging van dit laatste kan niet worden gevonden in het oordeel dat de rechtbank minder vergaande opties niet gebleken is. Immers adstrueert zij dat oordeel aan de hand van het door haar vastgestelde verschil tussen het horen van getuigen en het kennisnemen van de stukken.
34.
Deze lezing van de beschikking wordt verder bevestigd door de volgende overweging van de rechtbank: ‘Het medisch en verpleegkundig dossierkaneen wezenlijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding, (eigen nadruk, NvS & HB)’17. Mede in het licht van het bezigen van woorden als ‘kan’ en ‘mogelijk’, is — gelet op het vereiste van strikte noodzaak voor de inbreuk op het verschoningsrecht — onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het subsidiariteitsvereiste niet in de weg staat aan ongegrondverklaring van het klaagschrift.18.
35.
Voorts is het oordeel dat het horen van getuigen niet afdoende zou zijn ook in zichzelf onbegrijpelijk. Immers overweegt de rechtbank dat ‘[de] dochter [van overledene], betrokken is geweest en geïnformeerd is over de behandeling en de verpleging op de verpleegafdeling van Zuyderland.’19. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom niet (eerst) middels het horen van de (medeverdachte)20. dochter van [slachtoffer] — en dus zonder of met een minder vergaande schending van het verschoningsrecht — de bestaande vragen beantwoord gekregen kunnen worden.
36.
De slotsom van deze (sub)deelklacht is dat ook het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat er sprake is van strikte noodzaak om de beklaagde stukken te raadplegen, onbegrijpelijk is.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. N. van Schaik & H. Brentjes, advocaten te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 4 april 2024
N. van Schaik
H. Brentjes
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑04‑2024
Een reden om de klachten holistisch te beschouwen, is te vinden in de woorden van Schalken in zijn annotatie bij HR 30 oktober 2007, NJ 2008/115. Hij schrijft: ‘in de flexibiliteit van die uitzondering ligt wel een risico besloten. Op belangafweging gebaseerde uitzonderingen hebben de neiging zich te verbreden, al naargelang het gewicht dat in een bepaalde periode en onder maatschappelijke druk aan het ene dan wel het andere belang — beide van gelijke maatschappelijke importantie — wordt toegekend.’ Door de flexibiliteit van de uitzondering, in de vorm van een belangenafweging, is niet — misschien wel bijna nooit — (slechts) één rechtsregel geschonden, of (slechts) één rechtsregel op onbegrijpelijke wijze toegepast. Het gaat om een opeenstapeling van afwegingen van factoren, waarvan de uitkomst bestreden wordt. In cassatie zijn oordelen van feitelijke aard natuurlijk slechts terughoudend op begrijpelijkheid toetsbaar, maar daar staat tegenover dat de lat van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ wel weer hoog ligt. Uw Raad zal sneller kunnen ingrijpen bij dit met feitelijke waarderingen verweven oordeel dan bij de meeste andere vormen van met feitelijke waarderingen verweven oordelen.
Beslissing rechtbank, p. 3.
Zie recent nog Hof Den Bosch, 4 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1414.
Wij merken op dat er een verschil zit tussen de situatie waarin reeds ernstige bezwaren jegens een arts gerezen zijn, met betrekking tot artikel 289 Sr, en kennisname van de stukken die verdenking wegneemt enerzijds; en de situatie waarin onduidelijk is ten aanzien van welk delict eigenlijk een verdenking bestaat, terwijl achteraf blijkt dat ‘slechts’ een verdenking van een (relatief) licht culpoos delict overblijft anderzijds. In de eerste situatie is immers — ook in retrospectief — sprake geweest van zeer uitzonderlijke omstandigheden, althans, in ieder geval van de verdenking van een ernstig delict. In de tweede situatie verschiet de verdenking achteraf van kleur naar een verdenking van een feit dat niet de ernst heeft om de conclusie ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ te dragen.
Beslissing rechtbank, p. 7.
Beslissing rechtbank, p. 6.
Beslissing rechtbank, p. 4–5.
HR 26 mei 2009, NJ 2009/263
Op vaststelling van de periode waarover stukken gevraagd worden na.
Pleitnotities rechtbank, p. 4.
Pleitnotities rechtbank, p. 6. Een dergelijke toetsing ligt ook in de rede: vide Rb. Den Haag 25 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14545, Rb. Midden-Nederland 17 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1566, Rb. Rotterdam 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9213.
Vgl. recentelijk, en aldaar genoemde jurisprudentie: HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324, r.o. 2.4.
Bijv. CAG 28 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6088, 5.3.1; CAG 5 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP6138, 4.1.6.
Pleitnotities rechtbank, p. 6–7.
Beslissing rechtbank, p. 6–7.
Beslissing rechtbank, p. 7.
Vgl. Rb. Noord-Nederland 15 november 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4184, waar in het kader van de strikte noodzaak veel waarde gehecht wordt aan het woord ‘mogelijk’ in het rapport van een forensisch patholoog. Vgl., in datzelfde kader, zeer recent: Rb. Noord-Nederland 29 februari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:686. In Rb. Noord-Nederland 26 april 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013LZ9199 overweegt de rechtbank dat nog niet uitgesloten is dat de relevante informatie boven water komt zonder doorbreking van het verschoningsrecht.
Beslissing rechtbank, p. 6.
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden raadkamerzitting van 16 januari 2024, p. 2. Het ligt uiteraard in de rede dat een medeverdachte over relevante informatie beschikt. Er kan zonder motivering niet vooruitgelopen worden op de vraag of de medeverdachte van plan is zich op haar zwijg- c.q. verschoningsrecht in de zin van 6 EVRM te beroepen.