De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.6:5.6 Conclusie
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.6
5.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232396:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk betoog ik dat het doel van een stichting vaak moeten worden gezien als een last. Dit is van belang omdat artikel 2:285 lid 3 BW het doen van bepaalde uitkeringen verbiedt. Als de bij dode opgerichte stichting uitdrukkelijk de verplichting wordt opgelegd bepaalde uitkeringen te doen, dan zijn deze uitkeringen te beschouwen als hetzij de nakoming van een legaat, hetzij de nakoming van een last. Van een verboden uitkering is dan geen sprake: de nakoming van een verplichting wordt niet gezien als een uitkering in de zin van artikel 2:285 lid 3 BW. Ondanks dat aan een bij dode opgerichte stichting niet uitdrukkelijk een last is opgelegd, kan toch sprake zijn van een Last. Een impiciete last. Deze impliciete last vloeit dan voort uit het bestaansdoel (‘levensopdracht’), dat de erflater aan de stichting meegeeft. Deze levensopdracht komt tot uitdrukking in de statuten, vooral in het doel, en heeft dezelfde status als een last: een door de erflater opgelegde plicht zonder dat daar een vorderingsrecht tegenover staat. Erflaters wil als wet, zo zou de korte samenvatting kunnen zijn. In deze levensopdracht schuilt een belangrijk verschil tussen een natuurlijk persoon en een stichting. Anders dan een stichting, krijgt een natuurlijk persoon bij zijn geboorte geen juridisch bindende levensopdracht mee. Omdat die last voortvloeit uit het doel van de stichting hoeft deze niet expliciet te worden opgelegd. Het uitvoering geven aan deze impliciete, uit het doel voortvloeiende, last levert geen strijd op met het zogenoemde ‘uitkeringsverbod’ uit artikel 2:286 lid 3 BW.