Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/9.2.2:9.2.2 Uitzondering: consumentenbeschermende richtlijnen
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/9.2.2
9.2.2 Uitzondering: consumentenbeschermende richtlijnen
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305873:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
300.
Tot aan de Pannon-zaak was de rechtsstrijd in consumentenzaken nog niet aan het HvJ EU voorgelegd, ook al werd naar aanleiding van eerdere arresten al wel gespeculeerd over de houdbaarheid van de rechtsstrijd van artikel 24 Rv. Dat hing samen met het feit dat het HvJ EU in elk consumentenrechtelijk arrest steeds een stapje verder ging. Om redenen vermeld in hoofdstuk zeven moet mijns inziens worden aangenomen dat de rechter artikel 24 Rv los dient te laten in consumentenzaken die vallen onder de reikwijdte van een EU-richtlijn. Na het Pannon-arrest werd betoogd dat de buitengrenzen van de verplichting tot ambtshalve toetsing in zaken die vallen onder reikwijdte van een consumentenbeschermende EU-richtlijn zouden worden gevormd door de ingediende vordering en het materiaal dat zich in het dossier bevindt.1 Of die binding aan het dossier nog immer ten volle opgaat, is na het Pénzügyi-arrest de vraag. Daarin oordeelde het HvJ EU:
“(…) [De] nationale rechter [is] verplicht (…) om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen teneinde te kunnen vaststellen of een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen exclusief territoriaal forumkeuzebeding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en zo ja, ambtshalve te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is [curs., AGFA].”2
Wat zijn maatregelen van instructie? Heeft het HvJ EU daarmee het oog op een vorm van feitengaring buiten partijen om? Waar het de verwijzende Hongaarse rechter vooral om ging, was de vraag of hij zijn lijdelijke rol ten aanzien van de bewijsgaring kon behouden, zo verduidelijken Osztovits en Nemessányi:
“Besteht die Verpflichtung des nationalen Gerichts nur dann, wenn es über die erforderlichen rechtlichen und tatsächlichen Grundlagen bereits verfügt, oder aber muss der nationale Richter von Amts wegen hinsichtlich dieser Umstände die Beweisaufnahme anordnen, obwohl nach der ungarischen Zivilprozessordnung grundsätzlich die Parteien die Beweismittel benennen müssen.”3
Deze overweging van het HvJ EU lijkt mij echter niet beperkt tot bewijsverrichtingen. In het Pénzügyi-arrest wordt in het algemeen van een instructieplicht voor de nationale rechter gesproken. Kortom, de rechter zal ambtshalve onderzoek moeten verrichten.4
301.
Om naar aanleiding van het Pénzügyi-arrest onmiddellijk de conclusie te trekken dat artikel 149 Rv buiten toepassing dient te worden gelaten in consumentenzaken die vallen onder de reikwijdte van een EU-richtlijn gaat mij te ver. Dat artikel verbiedt de rechter om partijen te passeren bij de waarheidsvinding, maar stelt niet dat de rechter partijen niet zou mogen aansporen tot onderzoek.5 In het Pénzügyi-arrest maakt het HvJ EU mijns inziens duidelijk dat de rechter niet alleen maar ‘achterover kan leunen’ en het aan partijen kan laten om met de voor de toepassing van de consumentenbeschermende bepaling noodzakelijke feiten te komen. Het deelt het civiele proces op in twee fasen en formuleert voor een van die fasen een instructieplicht. Speuren naar feiten als een ware detective staat artikel 149 Rv de rechter echter niet toe. Hij verliest dan de voor de uitspraak benodigde distantie tot het geschil en het is ook allerminst efficiënt. Naar mijn mening vereist het HvJ EU dat ook niet van de rechter. Wel wordt vereist dat hij nader onderzoek verricht. En dat kan de Nederlandse civiele rechter met de vele instructiemogelijkheden die hem ten dienste staan. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het stellen van vragen of het inschakelen van deskundigen.6 Zo bezien wordt artikel 149 Rv als hoofdregel al genuanceerd door andere artikelen uit het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.