Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.5.2.4:4.5.2.4 Handhaving
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.5.2.4
4.5.2.4 Handhaving
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
TK 29658 nr. 3tweede herdruk, p. 48.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De handhaving van de Wta en het Bta is primair vormgegeven door middel van bestuurlijk toezicht op de accountants en hun organisaties. Dit toezicht wordt uitgeoefend door de AFM. De minst verstrekkende toezichtsbevoegdheid is de aanwijzingsbevoegdheid uit art. 52 Wta. Deze bevoegdheid geldt ten aanzien van alle vergunninghoudende accountants(organisaties) die niet voldoen aan hetgeen bij of krachtens de Wta is bepaald. De accountantsorganisaties zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen. Wanneer de overtreding een in art. 53 opgesomd artikel uit de Wta betreft, kan de AFM een last onder dwangsom opleggen en wanneer de accountants(organisatie) een in art. 54 Wta genoemde regeling betreft, kan de AFM een bestuurlijke boete tot maximaal E 4.000.000,-(per afzonderlijke overtreding) opleggen (art. 55 Wta).
Art. 64 e.v. Wta verlenen de AFM voorts de bevoegdheid bepaalde feiten openbaar te maken. Opmerkelijk is dat deze bepaling in de Memorie van Toelichting nadrukkelijk wordt gepresenteerd als een handhavingsinstrument. Volgens de minister van Financiën zal "de openbaarmaking van de overtreding [...] de goede naam van de betrokken externe accountant schaden, terwijl een goede naam voor externe accountants juist van het grootste belang is." De bedoeling van deze bepaling is dus niet gelegen in het waarschuwen van (potentiële) cliënten van de betreffende accountantsorganisatie, maar in het aan de schandpaal nagelen daarvan.
De zwaarste bevoegdheid die de AFM heeft, is het intrekken van de vergunning voor het uitvoeren van wettelijke controles. De intrekking van een vergunning kan geschieden om redenen genoemd in art. 10 Wta. De bepalingen in art. 10 onder b en onder f Wta zijn in het kader van dit onderzoek het meest relevant. Deze bepalingen maken het mogelijk de vergunning in te trekken, indien de vergunninghouder niet (langer) voldoet aan de bij de Wta of krachtens de Wta (dat wil zeggen de in het Bta) gestelde regels. Alle hiervoor genoemde toezichtsmechanismen hebben betrekking op specifieke gevallen van accountantscontrole. Wat de mogelijkheid de vergunning in te trekken zo zwaar maakt, is dat zij de bevoegdheid van de betreffende accountant of accountantsorganisatie om wettelijke controles uit te voeren in het algemeen raakt. Met andere woorden: het opleggen van een bestuurlijke boete ten aanzien van één uitgevoerde controle heeft geen directe effecten voor andere door dezelfde accountant of accountantsorganisatie uitgevoerde controles, terwijl bij intrekking van de vergunning alle controlewerkzaamheden stil komen te liggen. Om deze reden ziet de minister van Financiën deze intrekkingsbevoegdheid als ultimum remedium. Alleen bij hoge uitzondering zou direct van deze bevoegdheid gebruik kunnen worden gemaakt. Normaliter — zo stelt de minister — moeten eerst de overige handhavingsmethoden worden beproefd.1