Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.3.3:5.3.3 Horen en verslaglegging
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.3.3
5.3.3 Horen en verslaglegging
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460898:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Bosch 6 juni 2003, 01/0166, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0900.
CRvB 22 december 1998, nrs. 97/3682-3683 ABW (Bröring, p. 158).
Kamerstukken II, vergaderjaar 1913-1914, 286, nr. 3, p. 117, artikelsgewijze toelichting bij art. 268.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bestuursrechtelijke zienswijzeprocedure lijkt betrekkelijk weinig waarborgen te bieden voor een zorgvuldig hoorgesprek en een juiste en volledige vastlegging daarvan. Het fiscale bestuurlijke boeterecht kent geen regels voor de inspecteur om de belastingplichtige daadwerkelijk in persoon te horen. Soms kan zelfs worden volstaan met een telefonische hoorsessie.1 In het kader van een zorgvuldige voorbereiding kan ik me echter indenken dat de inspecteur een zekere inspanningsverplichting heeft om de belastingplichtige ‘face to face’ te spreken, met name daar waar het hoge vergrijpboeten betreft ten aanzien van opzettelijk begane beboetbare feiten.
In het BBBB zijn wel procedurevoorschriften opgenomen voor de verslaglegging van het verhoor ex artikel 5:10a Awb (zie paragraaf 14 BBBB), maar deze gelden niet voor een verslag van een hoorsessie tijdens de zienswijzeprocedure.
Bröring noemt de afwezigheid van een verplichtend voorschrift in de Awb met betrekking tot de verslaglegging van het hoorgesprek ‘opvallend’, en verwijst naar de volgende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep:
“Voorts is de Raad van oordeel dat het in de rede ligt om, indien een betrokkene wordt geconfronteerd met de resultaten van verrichte observaties en andere hem belastende feiten en omstandigheden en naar aanleiding daarvan een verklaring aflegt, bedoelde verklaring zo letterlijk mogelijk weer te gevenen door de betrokkene te doen ondertekenen. Aldus wordt immers voorkomen dat twijfel ontstaat over de juistheid van de weergave van de verrichte observaties en van de afgelegde verklaringen.”2
Volgens Bröring heeft het bovenstaande ook te gelden voor de zienswijzeprocedure. Dat lijkt mij gezien de bewoordingen die de Raad hanteert een juiste constatering.
Het Wetboek van Strafrecht bevat de nodige rechtsnormen ten aanzien van het (in persoon) horen. Zo kan de strafrechter – indien hij dit wenselijk acht – afdwingen dat de verdachte in persoon bij de behandeling aanwezig is (artikel 278, lid 2 Sv). Volgens de wetgever biedt dit de meeste waarborgen ‘voor eene juiste beoordeeling en beslissing der zaak’. Hiermee wordt het onderzoeksbelang van het verschijnen van de verdachte onderstreept. De wetgever gaf daarbij ook aan dat de betreffende bepaling van groot belang kan zijn voor de straftoemeting:
“Het onderzoek heeft ten doel de materieele waarheid te vinden en hiervoor is eene persoonlijke kennismaking met den verdachte in den regel zeer gewenscht. Van niet minder gewicht is zij met het oog op de bepaling der straf.”3
Ook de verslaglegging rondom het horen is in het strafrecht met aanzienlijk meer waarborgen omgeven. Een van die waarborgen betreft de bijzondere positie van de griffier. Deze functionaris is namelijk verantwoordelijk voor de verslaglegging van het onderzoek ter terechtzitting (artikel 326 Sv). Hij verbaliseert onder andere ‘al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt’ (lid 1). De OvJ of de verdachte kan bewerkstelligen dat de verklaring van een getuige, een deskundige of van de verdachte zelf, woordelijk wordt opgenomen (lid 2). De rechter kan de griffier opdragen om aantekening te maken van een relevante (strafbeïnvloedende) omstandigheid (artikel 326, lid 3 en 4 Sv). Ook de OvJ of de verdachte kan hierom verzoeken (lid 4).
Het voorgaande beschouwend lijkt mij nadere regelgeving voor de zienswijzeprocedure op zijn plaats. De zienswijzeprocedure is een te belangrijke schakel om tot een juiste bestraffing te kunnen komen, om relatief ongenormeerd te laten. Zo zou in wet of beleid kunnen worden opgenomen dat bij het opleggen van vergrijpboeten bij de zienswijzeprocedure 1) de inspecteur een inspanningsverplichting heeft om de belastingplichtige in levenden lijve te horen (door bijvoorbeeld een bepaald uitnodigingsbeleid te voeren), 2) het horen geschiedt door een onbevangen voorzitter, 3) de verslaglegging van het hoorgesprek plaatsvindt door een – eveneens onbevangen – notulist, die 4) op aangeven van de controlerend ambtenaar of de belastingplichtige (of diens gemachtigde) aantekening maakt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, waaronder eventuele strafbeïnvloedende omstandigheden.