Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/50.4
50.4 Europese verwachtingen ten aanzien van de toepassing van guidance documenten in de nationale rechtsorde
mr. J.C.A. van Dam, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.C.A. van Dam
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een ander voorbeeld art. 16 van Verordening 1095/2010 dat ziet op richtsnoeren en aanbevelingen die zijn aangenomen door de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
Zie HvJ EU 15 september 2016, ECLI:EU:C:2016:692 (KPN v ACM), r.o. 37 en 38 waarin het HvJ EU overweegt dat uit art. 19(2) van de Kaderrichtlijn telecommunicatie volgt dat de nationale regelgevende instanties in beginsel de aanwijzingen van een op basis van dat artikel aangenomen aanbeveling van de Commissie dienen op te volgen en slechts onder motivering van hun standpunt van de aanbeveling kunnen afwijken. Het HvJ EU volgt een vergelijkbare redenering ten aanzien van conclusies van het comité waar de nationale douaneautoriteiten zoveel mogelijk rekening mee dienen te houden. Zie HvJ EU 11 mei 2006, ECLI:EU:C:2006:312 (Friesland Coberco Dairy Foods BV v Inspecteur van de Belastingdienst), par. 27, 32. Zie daarover verder J.C.A. van Dam, ‘Het Hof van Justitie spreekt zicht uit over de bindende werking van een aanbeveling van de Europese Commissie ’, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2017, p. 84-90. en Luijendijk & Senden 2011, p. 331.
Zie over de bindende werking voor de lidstaten Stefan 2013, p. 188-189.
HvJ EU, 15 oktober 1996, ECLI:EU:C:1996:383 (IJssel-Vliet v Minister van Economische Zaken), par 44. Zie daarover uitgebreid J.E. Van den Brink, De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland. Juridische knelpunten en uitdagingen, Deventer: Kluwer 2012, p. 283-286 en Stefan 2013, p. 188-189.
HvJ EU, 15 oktober 1996, ECLI:EU:C: 1996:383 (IJssel-Vliet v Minister van Economische Zaken), par 49.
Vgl. Stefan 2013, p. 190-191 en Van den Brink & Van Dam 2014, p. 11.
Andersen bespreekt de rol van niet bindende richtsnoeren als een ‘enforcement tool’: S. Andersen, The enforcement of EU law. The Role of the European Commission, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 213. Hofmann, Rowe en Türk beschouwen bestuurlijke regels als een vorm van ‘administrative supervision’, zie Hofmann, Rowe & Tu;rk 2011, p. 756.
Het risico dat bij niet toepassing van guidance een niet-nakomingsprocedure wordt geopend of de mogelijkheid dat een financiële correctie wordt opgelegd is volgens het Hof van Justitie van de EU een ‘feitelijk gevolg en geen dwingend rechtsgevolg’. Zie HvJ EU 20 mei 2010, ECLI:EU:T:2010:214 (Duitsland v Commissie),, r.o. 151 en HvJ EU 1 december 2005, ECLI:EU:C:2005:727, (Italië v Commissie) r.o. 30). Zie hierover Andersen 2012, p. 214 en Luijendijk & Senden 2011, p. 321.
Dit is bijv. het geval voor de ‘ESMA guidelines’, zie daarover M. van Rijsbergen, ‘On the Enforceability of EU Agencies' Soft Law at the National Level: The Case of the European Securities and Markets Authority’, Utrecht Law Review 2014, 10(5), p. 116-131, p. 124.
Een voorbeeld is de dikgedrukte tekst op p. 5 van het Handboek dat ziet op de aanpak van schijnhuwelijken (SWD(2014)284 final): ‘The Handbook is neither legally binding nor exhaustive. It is without prejudice to existing EU law and its future development. It is also without prejudice to the authoritative interpretation of EU law which may be given by the Court of Justice.’
Zie over de rol van de nationale rechter als ‘guardians of the European legal order’ en over het (fictieve) onderscheid tussen interpretatie en toepassing H. Van Harten, ‘(Re)search and Discover: Shared Judicial Authority in the European Union Legal Order’, Review of European Administrative Law 2014, p. 14.
HvJEU 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646 (Grimaldi).
HvJEU 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646 (Grimaldi), par. 19.
Zie bijv. Luijendijk & Senden 2011, p. 336 en ook Van den Brink & Van Dam 2014, p. 13.
Ibid.
HvJEU 18 maart 2010,ECLI:EU:C:2010:146 (Alassini e.a./SpA), r.o. 40; HvJ EG 24 april 2008, ECLI:EU:C:2008:244 (Arcor), r.o. 94; HvJ EG 11 september 2003, ECLI: EU:C:2003:451 (Altair Chimica), r.o. 41.
HvJ EU 3 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2134 (Baltlanta), r.o. 64. Barkuysen, Westendorp en Ramsanjhal achten de discussie over de toepassing van de Grimaldi rechtspraak op andere guidance documenten dan aanbevelingen beslecht. Zie Barkhuysen, Westendorp en Ramsanjhal 2017, par. 4.3.
Zie HvJ EU 15 september 2016, ECLI:EU:C:2016:692 (KPN v ACM), par. 42, 43. Zie de tweede alinea van paragraaf 3.1.
Het gaat om de Aanbeveling van de Commissie van 7 mei 2009 inzake de regelgeving voor afgiftetarieven van vaste en mobiele telefonie in de EU (PbEU 2009 L 337/37). De aanbeveling is aangenomen op grond van art. 19 lid 1 van de Kaderrichtlijn telecommunicatie (richtlijn 2002/21/EG).
Zie over de relevantie van de specifieke context in deze zaak Van Dam 2017, p. 87- 89.
Zie daarover HvJ EU 15 september 2016, ECLI:EU:C:2016:692 (KPN v ACM), par. 37.
Guidance documenten zijn, zoals gezegd, niet juridisch verbindend.1 Dit betekent dat de lidstaten in beginsel vrij zijn om guidance documenten al dan niet toe te passen bij de implementatie van het Unierecht.2 Toch is deze vrijheid relatief. Op het niveau van de Europese Unie worden verwachtingen geformuleerd ten aanzien van de wijze waarop nationale autoriteiten en/of de nationale rechter met guidance documenten moeten omgaan. Deze verwachtingen kunnen ervoor zorgen dat van guidance documenten de jure of de facto een bindende werking uitgaat.3
Een feitelijk en/of juridisch bindende werking voor nationale autoriteiten
Verwachtingen ten aanzien van de wijze waarop nationale autoriteiten met guidance documenten dienen om te gaan kunnen, in de eerste plaats, worden geformuleerd in onderliggende Unierechtelijke wetgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Zo komt het voor dat in secundaire wetgeving de bepaling wordt opgenomen dat de nationale autoriteiten (zoveel mogelijk) rekening houden met guidance documenten van de Europese Commissie. Een voorbeeld is artikel 19 van de Kaderrichtlijn telecommunicatie (richtlijn 2002/21/EG) dat bepaalt dat lidstaten bij de uitvoering van hun taken zoveel mogelijk rekening houden met aanbevelingen van de Europese Commissie.4 In dat geval lijkt het Hof van Justitie een ‘comply-or-explain’ principe te hanteren: de nationale autoriteiten kunnen slechts onder motivering van hun standpunt afwijken van de richtsnoeren van de Europese Commissie.5
De verwachtingen kunnen ook nog meer worden ‘opgeschroefd’, zoals blijkt uit de IJssel-Vliet rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit die rechtspraak volgt dat richtsnoeren van de Europese Commissie op het terrein van het staatssteunrecht een bindende werking kunnen verkrijgen voor de lidstaten.6 De bindende werking vloeit volgens het Hof van Justitie voort uit de samenwerkingsplicht neergelegd in artikel 108(1) VWEU en uit aanvaarding van de in de richtsnoeren neergelegde regels door de lidstaten.7 De lidstaat is dan volgens het Hof van Justitie ‘gehouden de richtsnoeren van de Europese Commissie toe te passen’.8 Een dergelijke bindende werking van richtsnoeren is tot nog toe alleen aangenomen op het terrein van het staatssteunrecht, en kan mogelijk worden verklaard in het licht van de exclusieve bevoegdheid van de Europese Commissie om de verenigbaarheid van staatssteunmaatregelen te beoordelen.9
In de derde plaats, en wellicht meer impliciet, kunnen verwachtingen ten aanzien van de wijze waarop nationale autoriteiten dienen om te gaan met guidance documenten worden geformuleerd door de Europese Commissie wanneer zij haar taak vervult als ‘hoedster van de Verdragen’.10 Bij de uitoefening van die taak kan de Commissie gebruik maken van guidance documenten als ‘toezichtsinstrument’.11 De documenten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen bij de beslissing tot het starten van een infractieprocedure of bij de beslissing tot het opleggen van een financiële correctie (bijvoorbeeld op het terrein van Europese subsidies).12 Ook komt het voor dat de Commissie ‘guidelines compliance tables’ bijhoudt, waarin wordt aangegeven of een lidstaat het Unierecht conform de richtsnoeren heeft geïmplementeerd.13 Van het gebruik van guidance documenten als toezichtsinstrument gaat, impliciet of expliciet, de verwachting uit dat de lidstaten in overeenstemming met guidance documenten handelen, of op zijn minst de guidance documenten in aanmerking nemen.
Uit het bovenstaande volgt dat ondanks het niet bindende karakter van guidance documenten op het niveau van de Europese Unie verwachtingen worden geformuleerd aan de wijze waarop de nationale autoriteiten omgaan met guidance documenten van de Europese Commissie. Dat zorgt er in de praktijk voor dat van guidance documenten in mindere of meerdere mate een bindende werking kan uitgaan voor de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de implementatie van het Unierecht. Die bindende werking kan een feitelijk of juridisch karakter hebben, en contrasteert met het niet bindende karakter dat vaak wordt benadrukt, soms zelfs in dik gedrukte letters, in de tekst van de guidance documenten zelf.14
Een verplicht interpretatiehulpmiddel voor de nationale rechter
Niet alleen worden verwachtingen geformuleerd ten aanzien van de wijze waarop de nationale autoriteiten met guidance documenten dienen om te gaan, ook de nationale rechter krijgt ‘instructies’ hoe met guidance documenten om te gaan bij beoordeling van geschillen waarbij het Unierecht moet worden geïnterpreteerd of toegepast.15 Die instructies werden reeds geformuleerd in het Grimaldi arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op 13 december 1989.16 In dat arrest overweegt het Hof van Justitie dat de nationale rechterlijke instanties gehouden zijn de aanbevelingen van de Europese Commissie ‘in aanmerking te nemen bij de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen, met name wanneer deze duidelijkheid kunnen verschaffen over de uitlegging van andere nationale of communautaire bepalingen’.17
In de literatuur is de Grimaldi verplichting uitgelegd als een verplicht interpretatiehulpmiddel.18 Die verplichting gaat echter niet zover als een verplichting tot conforme interpretatie: het is een inspanningsverplichting, niet een resultaatsverplichting.19 De ‘Grimaldi formule’ is in latere rechtspraak herhaald ten aanzien van andere aanbevelingen van de Europese Commissie.20 Een indicatie dat de Grimaldi formule ook van toepassing is op andere guidance documenten dan aanbevelingen, kan worden gevonden in het Baltlanta arrest. In die zaak acht het Hof van Justitie de Grimaldi rechtspraak naar analogie van toepassing op richtsnoeren (en dus niet een aanbeveling) op het terrein van structuurfondsen.21
In de hierboven aangehaalde ACM vs KPN zaak heeft het Hof van Justitie de Grimaldi formule verder aangescherpt.22 In die zaak overweegt het Hof van Justitie dat de nationale rechter slechts op specifieke gronden kan afwijken van een aanbeveling behorende bij de Kaderrichtlijn telecommunicatie.23 Deze overweging dient waarschijnlijk te worden gelezen in het licht van de specifieke juridische context.24 Het gaat namelijk om een aanbeveling die is aangenomen op basis van artikel 19 van de Kaderrichtlijn telecommunicatie en waarmee de nationale regelgevende instanties, volgens datzelfde artikel, zoveel mogelijk rekening dienen te houden.25 Het is echter niet uit te sluiten dat een vergelijkbare strikte invulling van guidance documenten zal worden aangenomen op andere, vergelijkbare rechtsterreinen.