Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.6.3.3
5.6.3.3 De eerste stap
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS303191:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 17.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 10.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 10.
R.P.C.W.M. Brandsma, Fiscale onderkapitalisatie van vennootschappen, FM nr. 111, Deventer: Kluwer 2004, p. 54.
In deze zin ook J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 428.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 10.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 17.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 25 (Nota), p. 15.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 18.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 34 (Brief), p. 2.
In plaats van de civielrechtelijke vormgeving zijn de economische gevolgen dus maatgevend. Met deze uitbreiding wordt in elk geval niet beoogd alle in geld uitgedrukte schulden en voorzieningen onder het bereik van de regeling te brengen. Zo wordt een pensioenvoorziening niet beschouwd als een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 85.
Voor 2007 werd een financial leasecontract niet als een geldlening in de zin van de regeling tegen onderkapitalisatie beschouwd. Kamerstukken I 2003/04, 29 210, 11-517, (antwoord op vraag 132).
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3 (MvT), p. 50.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 18.
Kamerstukken I 2003/04, 29 210, C (Nota), p. 15 en Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 85.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 20.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 10.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 25 (Nota), p. 21. Verder heeft de staatssecretaris opgemerkt, dat in een systeem waarbij alleen wordt gekeken naar verbonden leningen een lagere ratio zou moeten gelden, Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 25 (Nota), p. 11.
Kamerstukken I 2003/04, 29 210, C (Nota), p. 17 en Kamerstukken I 2003/04, 11-506/507 (antwoord op vraag 27.2).
Kamerstukken I 2003/04, 29 210, C (Nota), p. 25.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 16.
a. Hoofdregel
De eerste stap is neergelegd in art. 10d, lid 1, in verbinding met lid 4. In het eerste lid is bepaald dat een gedeelte van de rente ter zake van geldleningen niet in aftrek komt voor zover bij de belastingplichtige sprake is van een teveel aan vreemd vermogen. De niet aftrekbare rente is evenredig aan de verhouding tussen het teveel aan vreemd vermogen en het gemiddelde vreemd vermogen. Op grond van het vierde lid is sprake van een teveel aan vreemd vermogen voor zover het gemiddeld vreemd vermogen van de belastingplichtige meer bedraagt dan driemaal het gemiddelde eigen vermogen en dit meerdere de € 500 000 te boven gaat.
De eerste stap is in de parlementaire stukken geïllustreerd met het volgende voorbeeld. Stel dat het fiscaal vreemd vermogen € 1 000 000 bedraagt en het fiscaal eigen vermogen € 100 000, dan is de verhouding 10:1. Het teveel aan vreemd vermogen bedraagt dan € 1 000 000 – 3 x € 100 000 = € 700 000 verminderd met de franchise van € 500 000 is € 200 000. Van de verschuldigde rente op de geldleningen komt in dat geval 200/1000 deel (20%) niet in aftrek.1
b. Vreemd vermogen
Op grond van art. 10d, lid 4 omvat de term vreemd vermogen voor de toepassing van de eerste stap slechts de geldleningen. De overige componenten van het vreemd vermogen, zoals de voorzieningen blijven buiten beschouwing.2 Bovendien wordt slechts het saldo van de verschuldigde geldleningen en de uitstaande geldleningen in aanmerking genomen. Deze saldering berust op de overweging dat grondslagverschuiving niet aan de orde is voor zover tegenover verschuldigde leningen verstrekte leningen staan.3
Brandsma werpt de vraag op waarom dan wel sprake is van grondslaguitholling als tegenover de opgenomen leningen machines, bedrijfspanden en voorraden staan. De rentelasten worden dan weliswaar niet afgezet tegen ontvangen rente maar wel tegen de opbrengsten die met deze activa zijn behaald.4 De saldering heeft daarom vermoedelijk een andere achtergrond. Zonder deze regel zouden financiële instellingen namelijk nooit een beroep op de safe harbour kunnen doen en dat was kennelijk niet de bedoeling.5
Ingevolge art. 10d, lid 7, komen alleen geldleningen in aanmerking waarvan de rente bij het bepalen van de winst in aftrek komt behoudens de toepassing van de regels tegen onderkapitalisatie. Geldleningen waarvan de rente niet in aftrek komt, blijven dus buiten beschouwing. Dat geldt ook voor renteloze leningen.6 Is om niet zakelijke redenen geen of een te lage rente overeengekomen, dan wordt de lening evenwel fiscaal behandeld alsof er wel een zakelijke rente zou zijn berekend. Uitstaande geldleningen worden voor de toepassing van de saldering alleen in aanmerking genomen als de rente wordt belast.7
Op de vraag wat voor de toepassing van art. 10d onder een geldlening wordt verstaan, heeft de staatssecretaris het weinig verhelderende antwoord gegeven dat het daarbij moet gaan om een lening van geld: ‘Hierbij wordt op basis van een overeenkomst van geldlening een geldbedrag geleend. Niet elke in geld uitgedrukte schuld is een geldlening. De nog verschuldigde belasting is bijvoorbeeld wel een in geld uitgedrukte schuld, maar geen geldlening.’8 Voorbeelden van geldleningen zijn een bankkrediet en een obligatielening o/g. Verstrekte geldleningen zijn bijvoorbeeld een bankdeposito en een obligatielening u/g. Niet als geldlening kwalificeren een kortlopend leverancierskrediet en nog te ontvangen of verschuldigde belasting. Reserves en voorzieningen vallen niet onder het begrip geldleningen, evenmin als bijvoorbeeld verplichtingen uit hoofde van verzekerings- en pensioenovereenkomsten.9 Een passiefpost wegens vooruitontvangen rente op een uitstaande geldlening is zelf geen geldlening.10
Sinds 2007 valt niet alleen een vordering of een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening maar ook een daarmee vergelijkbare overeenkomst onder het begrip ‘geldlening’. Hiermee is beoogd om vorderingen en schulden die berusten op een overeenkomst die in economische zin vergelijkbaar is met een overeenkomst van geldlening, als zodanig te behandelen.11 Daarbij is met name gedacht aan financial lease12 en aan huurkoop.13 De uitbreiding is evenwel niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan voor 1 januari 2007.
Het vreemd vermogen dat bij de bepaling van de ratio in acht wordt genomen, is het gemiddeld vreemd vermogen. In het achtste lid van art. 10d is geregeld dat dit gemiddelde wordt vastgesteld aan de hand van de stand bij het begin en het einde van het jaar.
Eigen vermogenMet eigen vermogen wordt voor de toepassing van de eerste stap het fiscaal eigen vermogen bedoeld. Het begrip eigen vermogen wordt zelfstandig bepaald en is dus niet bedoeld als het saldo van het balanstotaal en het vreemd vermogen.14 De reden hiervoor is gelegen in de enge definitie van het begrip vreemd vermogen. De fiscaal toelaatbare reserves worden ingevolge het vierde lid niet tot het eigen vermogen gerekend. Een deelnemerschapslening wordt voor de toepassing van de regeling tegen onderkapitalisatie wel als eigen vermogen aangemerkt.15 Het eigen vermogen dat bij de bepaling van de ratio in acht wordt genomen, is het gemiddelde vermogen. Dit gemiddelde wordt bepaald naar de stand bij het begin en het einde van het jaar. Het gemiddeld eigen vermogen wordt tenminste op € 1 gesteld. Hiermee wordt voorkomen dat bij een negatief eigen vermogen de niet aftrekbare rente hoger zou zijn dan de werkelijk verschuldigde rente.16
De ratio van 3 : 1De ratio van 3 : 1 tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen wordt bepaald met inachtneming van leningen van zowel verbonden lichamen als derden. De staatssecretaris heeft deze keuze gemotiveerd door erop te wijzen dat de vraag of de solvabiliteit van een vennootschap het toelaat om nog een extra lening aan te trekken, wordt bepaald aan de hand van de gehele vermogenspositie.17 De hoogte van de ratio is niet gemotiveerd. Wel is aangegeven, dat een lagere ratio negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat en de concurrentiekracht van Nederland zou kunnen hebben.18
De sanctieDe aftrekbeperking van art. 10d, lid 1, heeft betrekking op de rente ter zake van geldleningen. Dat zij kan leiden tot opmerkelijke consequenties moge blijken uit het volgende voorbeeld. Stel dat het fiscaal vreemd vermogen € 1 500 000 is en de rentedragende vorderingen € 500 000 bedragen. Voor de toepassing van lid 1 is het vreemd vermogen dan, net als in het voorbeeld dat is gegeven in subparagraaf a, € 1 000 000. Ook het fiscaal eigen vermogen is hetzelfde, dus € 100 000. Het teveel aan vreemd vermogen is dan ook hetzelfde en bedraagt € 1 000 000 – 3 × € 100 000 = € 700 000 verminderd met de franchise van € 500 000 is € 200 000. Van de verschuldigde rente komt eveneens 200/1000 deel (20%) niet in aftrek. Omdat de verschuldigde rente echter hoger is en niet mag worden gesaldeerd met de ontvangen rente is de sanctie van lid 1 nu aanzienlijk hoger. Bij een rentepercentage van bijvoorbeeld 10% is namelijk 30 rente niet aftrekbaar terwijl in het voorbeeld dat is gegeven in subparagraaf a slechts 20 rente niet in aftrek komt. Dit effect wordt niet in alle gevallen weggenomen door het derde lid dat bepaalt dat de sanctie nooit hoger kan zijn dan het saldo van de verbonden rente. Wanneer bijvoorbeeld alle leningen verbonden leningen zijn, verdwijnt de discrepantie niet.
De discrepantie zou wel verdwijnen als voor de berekening van de verhouding tussen het teveel aan vreemd vermogen en het gemiddeld vreemd vermogen, het gemiddeld vreemd vermogen zou mogen worden bepaald zonder het te salderen met de rentedragende vorderingen. In het voorbeeld zou dan 200/1500 van 150 = 20 niet in aftrek komen. Vreemd genoeg heeft de staatssecretaris in de Eerste Kamer nog eens expliciet bevestigd dat dit niet de bedoeling is, terwijl zijn opvatting toch met zich brengt dat rente die niet in aftrek komt hoger is dan de rente die betrekking heeft op het teveel aan vreemd vermogen.19
Voor de toepassing van art. 10d, lid 1, worden de kosten van geldleningen onder de rente ter zake van deze geldleningen begrepen. De aftrekbeperking heeft dus ook betrekking op dergelijke kosten. Anders dan in het oude art. 13, lid 1, en art. 10a worden in art. 10d de voordelen als gevolg van een wijziging van valutaverhoudingen niet onder de kosten begrepen. De redenering dat een discrepantie kan ontstaan tussen de fiscale behandeling van de rente enerzijds en een valutaresultaat op de lening anderzijds kan volgens de staatssecretaris niet worden doorgetrokken naar art. 10d omdat binnen de regeling tegen onderkapitalisatie rente niet individueel toerekenbaar is aan een specifieke lening.20 Kosten die zijn gemaakt om het risico van valutaveranderingen of renterisico’s af te dekken worden wel beschouwd als kosten van geldleningen.21