Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.2.3
5.2.3 Het legaliteitsbeginsel en de strafrechtelijke ruimte voor uitzonderingen
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS358288:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.5.
‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.’
Dat mag ook een lager wettelijk voorschrift zijn (Kelk/De Jong 2013, p. 95; De Hullu 2015, p. 85; vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3328).
Van Dorst 1978, p. 170, 171; Kelk/De Jong 2013, p. 98, 99, 106, 147; De Hullu 2015, p. 86, 89, 112; de oorsprong van het beginsel in de Déclaration des droits de l’homme et du citoy- en uit 1789 (Pompe 1959, p. 49; Kristen 2010, p. 641; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 27; Kelk/ De Jong 2013, p. 100. Art. 8 van de Déclaration luidde: ‘La Loi ne doit établir que des peines strictement et évidemment nécessaires, et nul ne peut être puni qu’en vertu d’une Loi établie et promulguée antérieurement au délit, et légalement appliquée’); de huidige plaats van art. 16 Gw in het hoofdstuk Grondrechten; de plaats van het beginsel in de mensenrechtenverdragen; het verbod van terugwerkende kracht dat wordt afgeleid uit het beginsel (daarover later meer); en art. 1 lid 2 Sr, dat een uitzondering bij het verbod van terugwerkende kracht toestaat als latere wetgeving voor de verdachte voordeliger is (Kelk/De Jong 2013, p. 136).
Kelk/De Jong 2013, p. 106, 128; De Hullu 2015, p. 86, 112; Altena-Davidsen 2016, p. 40, 41.
Bijv. De Hullu 2015, p. 85-87, 94.
Van Dorst 1978, p. 177; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 50; Kelk/De Jong 2013, p. 98; De Hullu 2015, p. 86.
Van Dorst 1978, p. 172; Kristen 2010, p. 641; Rozemond 2011, p. 21-27; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 27; Kelk/De Jong 2013, p. 101; Altena-Davidsen 2016, p. 41.
Rozemond 1999, p. 119; Kelk/De Jong 2013, p. 95; Altena-Davidsen 2016, p. 34.
Groenhuijsen 1987, p. 26; De Hullu 2015, p. 86.
De Hullu 2015, p. 87.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 47; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 7. Volkenrechtelijk gewoonterecht ook niet (HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002/559, m.nt. J.M. Reijntjes (Bouterse)).
Het lex certa-gebod of het Bestimmtheitsgebot (Rozemond 2011, p. 21; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 47; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 7; De Hullu 2015, p. 94, 95). Een bepaling moet ‘voldoende concreet duidelijk’ maken welke gedragingen strafbaar zijn opdat de verdachte zijn gedrag daarop kan afstemmen (HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1490). Strafbepalingen moeten in het Nederlands zijn (De Hullu 2015, p. 85, onder verwijzing naar HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0773, NJ 1998/70, m.nt. A.C. ‘t Hart).
Deze mogen wetgever én rechter niet verlenen (Pompe 1959, p. 57; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 47; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 7; De Hullu 2015, p. 88). Is latere wetgeving voor de verdachte voordeliger dan de oude, dan moet de rechter de latere toepassen (art. 1 lid 2 Sr, het lex mitior-beginsel).
Van Veen 1978, p. 509; Van Veen 1980, p. 9: ‘Art. 1 Sr staat […] niet [in de weg] aan buitenwettelijke inkrimping van strafbaarheid’; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 9: ‘Uit het [legaliteits]beginsel vloeien geen beperkingen voort wat betreft het toepassen van strafuitsluitingsgronden’, zo leidt zij af uit Melk en water; De Hullu 2015, p. 89.
Van Veen 1978, p. 509; Van Eikema Hommes 1980, p. 163; Van Veen 1980, p. 9; Fokkens, in: Noyon, Langemeijer & Remmelink 1990, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2016), aant. 5; Rozemond 2011, p. 29; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 47, 122; Kelk/De Jong 2013, p. 122; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 7.
Uitzonderingen: Van Veen 1978, p. 509; Van Veen 1980, p. 9: ‘Art. 1 Sr staat […] niet [in de weg] aan buitenwettelijke inkrimping van strafbaarheid’; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 9: ‘Uit het [legaliteits]beginsel vloeien geen beperkingen voort wat betreft het toepassen van strafuitsluitingsgronden’, zo leidt zij af uit Melk en water; De Hullu 2015, p. 89. Van Eikema Hommes 1980, p. 163; annotatie M.J. Borgers bij HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 231; Kelk/De Jong 2013, p. 114, 128. Vgl. Van Dorst 1978, p. 185: bij niet-strafbaarheid ‘naar de bewoordingen van de wet’, eigent de strafrechter die toch strafbaarheid aanneemt door anticiperende interpretatie zich de bevoegdheid van de wetgever toe. Analogie: Pompe 1959, p. 54; Knoops 1998, p. 9; Kelk & De Jong 2013, p. 128, 129; Fokkens, in: Noyon, Langemeijer & Remmelink 1990, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2016), aant. 5.
De Hullu 2015, p. 100, 107, 112, onder verwijzing naar EHRM 22 november 1995, ECLI: NL:XX:1995:AD2430, NJ 1997/1, m.nt. G. Knigge (C.R. t. Verenigd Koninkrijk). Hieruit kan worden afgeleid dat volgens het legaliteitsbeginsel in art. 7 EVRM een interpretatie ten nadele van de verdachte voor hem voorzienbaar moet zijn: het beginsel behelst ‘the principle that the criminal law must not be extensively construed to an accused’s detriment, for instance by analogy’ (r.o. 33); en ‘Article 7 of the Convention cannot be read as outlawing the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonable be foreseen’ (r.o. 34). Interpretatie komt nader aan de orde in par. 5.5.
Ook in die zin Van Veen 1980, p. 9; Nieboer 1991, p. 240; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 13, 122; Kelk/De Jong 2013, p. 114, 128; De Hullu 2015, p. 89. Later in dit hoofdstuk komt een voorbeeld ter sprake (HR 30 oktober 1933, NJ 1933, p. 1692, m.nt. W.P.J. Pompe, par. 5.5).
Par. 5.5.
‘Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van iemand, die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend’.
Tweede rapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet 1969, p. 81, 82; Kamerstukken II 1970/71, 11051, 3, p. 20; Kamerstukken II 1975/76, 13872, 3, p. 51. Hierover ook HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002/559, m.nt. J.M. Reijntjes (Bouterse) r.o. 4.3, en annotatie H. Van der Wilt bij dit arrest, Militair Rechtelijk Tijdschrift 2002, p. 49.
Ook niet met het oog op de genoemde Wet Oorlogsstrafrecht, die later in dit hoofdstuk ter sprake komt.
Tweede rapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet 1969, p. 81, 82. Ook in die zin Kamerstukken II 1970/71, 11051, 3, p. 20. De regering merkte op dat ingevolge art. 15 EVRM ‘ook onder omstandigheden van nood geen afwijking van het nulla poena-beginsel, zoals in artikel 7 omschreven, toelaatbaar is’ (p. 82).
Wet van 22 december 1943, Stb. 1943, D 61, aangevuld in 1947 met art. 27a; Van Dorst 1978, p. 181; Groenhuijsen 2000; Kelk & De Jong 2013, p. 130; De Hullu 2015, p. 93.
Groenhuijsen 2000, par. 6.
Groenhuijsen 2000, par. 3, onder verwijzing naar o.a. BRvC 5 december 1945, NOR 1946/150; De Hullu 2015, p. 93, onder verwijzing naar BRvC 12 januari 1949, NJ 1949/ 87, m.nt. B.V.A. Röling (Rauter). Volgens de Raad in die laatste uitspraak heeft het beginsel ‘geen absoluut karakter’, en kan zijn werking worden ‘doorkruist’ door ‘die van andere beginselen bij welker erkenning evenzeer gewichtige belangen der rechtsorde zijn betrokken’. Die werking verdroeg niet ‘dat hoogst ernstige inbreuken op de algemeen aanvaarde beginselen van het Volkenrecht, waarvan het misdadig en strafwaardig karakter reeds ten tijde van het plegen van het plegen dier feiten buiten twijfel stond, als niet strafbaar zouden moeten worden aangemerkt op de enkele grond van het ontbreken van een tevoren vastgestelde wettelijke strafbedreiging’. (BRvC 12 januari 1949, NJ 1949/87, m.nt. B.V.A. Röling (Rauter)). In een eerdere uitspraak overwoog de Bijzondere Raad van Cassatie dat sprake was van ‘door de gewone wetgever niet voorzienbare gebeurtenissen en gedragingen’, en ‘bij de bevolking gewekte verbittering’, waardoor bestraffing ‘in het belang der openbare orde, rust en veiligheid’ was. Het legaliteitsbeginsel was ‘wel een belangrijk maar niet een onder alle omstandigheden onaantastbaar beginsel’. Het ging hier om ‘het in abnormale tijden plegen van handelingen, die ieder normaal burger kan begrijpen als ongeoorloofd en misdadig, daar zij de veiligheid, zelfs het bestaan van de Staat aantasten, of het recht, de veiligheid, zelfs het leven van medeburgers in gevaar brengen’ (BRvC 5 december 1945, NOR 1946/150).
Par. 5.3.
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002/559, m.nt. J.M. Reijntjes.
Conclusie waarnemend A-G Th. B. Ten Kate, ECLI:NL:PHR:2001:AB1471.
Ook art. 7 lid 2 EVRM was dus volgens de Hoge Raad geen grondslag voor een uitzondering op het legaliteitsbeginsel.
Par. 5.5.
De Jong 1985, p. 9; Groenhuijsen 1987, p. 30, 53; Foqué & ‘t Hart 1990; Rozemond 1999, p. 123; Kelk/De Jong 2013, p. 147; De Hullu 2015, p. 112, 113; Van Kempen 2016.
De Hullu 2015, p. 112.
Groenhuijsen 1987, p. 49.
Bijv. Rozemond 1999, p. 124, 129, die stelt dat het legaliteitsbeginsel ook strekt ter bescherming van (mogelijke) slachtoffers, aangezien voorzienbaarheid van straffen de effectiviteit van strafbepalingen bevordert, en meent dat in ‘de conceptie van legaliteit’ een evenwicht moet worden gevonden tussen ‘waarborgen tegen willekeur en bescherming van slachtoffers’; Kelk/De Jong 2013, p. 101-104, die onder de ‘constitutionele dimensie’ van het legaliteitsbeginsel verstaan ‘de verlening van bevoegdheden aan overheidsinstanties én de clausulering van die bevoegdheden’, waarbij straffen middelen zijn om burgers tegen criminaliteit te beschermen, en waar daarnaast de ‘generaal-preventieve dimensie’ van het legaliteitsbeginsel wordt onderscheiden, die ervan uit gaat dat de strafwet chaos in de maatschappij voorkomt.
Daarover als gezegd ook par. 5.5.
Par. 5.3.4.
Par. 5.2.2, c.
De Hullu 2015, p. 113: er is weliswaar ‘enige ruimte gekomen voor een afweging tussen het legaliteitsbeginsel in klassieke zin en andere belangen’, maar ‘de rechtszekerheid voor de verdachte, gelet op de grondslag van het legaliteitsbeginsel in het materiële strafrecht, [moet] wel een prominente positie […] behouden’. Vgl. annotatie A.C. ‘t Hart bij HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1030, NJ 1998/782: ‘er dient door de extensieve teleologische interpretatie geen verdachte te worden veroordeeld die met enige aannemelijkheid zou kunnen zeggen: als het duidelijk was geweest dat dit de strekking van de strafwet is, dan had ik het plegen van dit feit wel nagelaten’; Kelk/De Jong 2013, p. 152, die het eens is met de geciteerde overweging van De Hullu.
Par. 5.5.
Een formele wetsbepaling is vereist (Kristen 2010, p. 643; Kelk/De Jong 2013, p. 95; Corstens/Borgers 2014, p. 20; De Hullu 2015, p. 85). Volgens sommigen is delegatie toegestaan (Corstens/Borgers 2014, p. 21, onder verwijzing naar HR 18 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD6586, NJ 1984/97, m.nt. Th.W. van Veen); volgens anderen niet (Cleiren 2000, in: Wetboek van Strafvordering, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juni 2000), aant. 7, die het genoemde arrest anders uitlegt).
Simmelink 1987, p. 31, onder verwijzing naar HR 12 april 1897, W 1897, afl. 6954, p. 1; Corstens/Borgers 2014, p. 19, 23, 26.
Cleiren, in: T&C Sv 2015, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 11 december 2016), aant. 1a. Beperkingsclausules zijn bijvoorbeeld art. 9 lid 2 Gw, dat onder voorwaarden een inbreuk op het recht tot vergadering en betoging toestaat: ‘De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’, en art. 8 lid 2 EVRM: ‘Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van [het recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie], dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’.
Simmelink 1987, p. 40, 41; Reijntjes 1989, p. 8, 9; Cleiren 2000, in: Wetboek van Strafvordering, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juni 2000), aant. 2; Corstens/ Borgers 2014, p. 19; ook dit beginsel vindt zijn oorsprong in de Déclaration des droits de l’homme et du Citoyen (Reijntjes 1989, p. 8. Art. 7Déclaration, eerste zin daarvan: ‘Nul homme ne peut être accusé, arrêté et détenu que dan les cas determinés par la loi et selon les forms qu’elle a prescrites’); het is ook neergelegd in de beperkingsclausules bij grondrechten; uit het beginsel wordt tevens afgeleid dat er weinig ruimte is voor extensieve interpretatie van bevoegdheden die inbreuk maken op rechten en vrijheden van burgers (Corstens/Borgers 2014, p. 29, 30, onder verwijzing naar HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9629, NJ 2012/345, m.nt. M.J. Borgers, waarin de Hoge Raad spreekt over de ‘in het licht van de ingevolge art. 1 Sv geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen als de onderhavige’).
Bijv. Simmelink 1987, p. 31; Reijntjes 1989, p. 3; Cleiren 2000, in: Wetboek van Strafvordering, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juni 2000), aant. 2.
Bijv. Kristen 2010, p. 641; Corstens/Borgers 2014, p. 19.
Bijv. Kelk/De Jong 2013, p. 95; Corstens/Borgers 2014, p. 19.
Kamerstukken II 1913/14, 286, 3 (MvT Sv), p. 51, 55.
Kamerstukken II 1913/14, 286, 3 (MvT Sv), p. 51, 55. Over de twee functies van het strafprocesrecht ook Simmelink 1987, p. 8 e.v.; Cleiren 2000, in: Wetboek van Strafvordering, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juni 2000), aant. 1; Corstens/Borgers 2014, p. 8, 9.
Simmelink 1987, p. 67.
Reijntjes 1989, p. 9; annotatie J.M. Reijntjes bij HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:543, NJ 2015/213, par. 8.
Subpar. a.
Kamerstukken II 1913/14, 286, 3 (MvT Sv), p. 55. Hierover ook Cleiren 2000, in: Wetboek van Strafvordering, art. 1 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juni 2000), aant. 1; Corstens/Borgers 2014, p. 8, 9, die vanwege deze twee functies spreken over ‘de ambivalentie van het strafprocesrecht’.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562, AA 2015/485, p. 485-489, m.nt. R.J.B. Schutgens & T.M.A. Arts (IMSI-catcher). Ook in die zin o.a. HR 11 november 1947, NJ 1948/126, m.nt. W.P.J. Pompe (hoewel de Hoge Raad daar niet uitdrukkelijk grondrechten als argument noemt); HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249, m.nt. T.M. Schalken (Zwolsman), r.o. 6.4.5; HR 30 juni 1998, NJ 1998/799 m.nt. T. Schalken; HR 10 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0970, NJ 2001/424; HR 20 januari 2009, ECLI: NL:HR:2009:BF5603, NJ 2009/225, m.nt. M.J. Borgers; HR 20 december 2011, ECLI:NL: HR: 2011:BP0070, NJ 2012/159, m.nt. T.M. Schalken; HR 20 december 2011, ECLI:NL: HR:2011:BS1742, NJ 2012/160, m.nt. T.M. Schalken; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR: 2014:42; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:477; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017: 592.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562, AA 2015/485, p. 485-489, m.nt. R.J.B. Schutgens & T.M.A. Arts (IMSI-catcher).
HR 18 februari 1986, NJ 1986/695. Corstens/Borgers 2014, p. 29: ‘Op de keper beschouwd trad de Hoge Raad hiermee buiten de bewoordingen van de wet’.
Het ad informandum-voegen van zaken: HR 13 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC 2866, NJ 1979/243, m.nt. Th.W. van Veen; HR 13 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC 2934, NJ 1979/269, m.nt. Th.W. van Veen.
Subpar. a.
Over uitzonderingen daarop gaat par. 5.3.6, d.
Het legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sr beperkt de ruimte voor billijkheidsuitzonderingen in het materiële strafrecht. Uitzonderingen ten nadele van de verdachte die voor hem niet voorzienbaar zijn staan op gespannen voet met het beginsel, waardoor de ruimte ervoor zeer beperkt is (subpar. a). Elders wordt uitgelegd dat dit legaliteitsbeginsel ook in de weg kan staan aan corrigerende interpretaties.1 In het formele strafrecht geldt het legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sv, dat de ruimte voor uitzonderingen minder verkleint (subpar. b).
a. Het materiële legaliteitsbeginsel en consequenties voor uitzonderingen
Het materiële legaliteitsbeginsel is van fundamenteel belang in het strafrecht. Dat blijkt door zijn prominente plaats als eerste bepaling van het Wetboek van Strafrecht (art. 1 lid 1) en zijn codificatie in de Grondwet (art. 162) en het EVRM (art. 7 lid 1). Artikel 1 lid 1 Sr bepaalt dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke3 strafbepaling.
De reden voor het fundamentele karakter van het materiële legaliteitsbeginsel ligt in zijn oorspronkelijke functie: de bescherming van de burger als (mogelijke) verdachte.4 Het beginsel biedt hem rechtszekerheid: de burger moet kunnen voorzien welk gedrag strafbaar is en welke consequenties de overheid daaraan kan verbinden.5 Deze beschermingsfunctie is van waarde vanwege de ingrijpendheid van strafrechtelijke veroordelingen, in het bijzonder tot vrijheidsbeneming.6 Andere argumenten zijn de rechtsstaatgedachte,7 de machtenscheiding en het primaat van de wetgever,8 de democratiegedachte9 en het beginsel dat iemand mag alleen worden gestraft als hij kon weten dat zijn gedraging verboden was.10 De ‘andere kant van de medaille’ van het beginsel is dat een strafbepaling de overheid een rechtsgrond verleent voor bestraffing van degenen die de bepaling overtreden.11 De verdachte wordt verondersteld de wet te kennen en zijn gedrag erop af te stemmen, en riskeert anders bestraffing.
Het materiële legaliteitsbeginsel heeft door zijn achtergrond verschillende consequenties. De gewoonte is geen bron van strafbaarheid.12 Strafbepalingen moeten duidelijk zijn geformuleerd13 en mogen geen terugwerkende kracht hebben ten nadele van verdachten.14 De consequenties voor de rechtsvinding zijn in dit onderzoek het belangrijkst. Op gespannen voet met het beginsel staan billijkheidsuitzonderingen ten nadele van de verdachte die hij niet kan voorzien (dus op ongeschreven of onvoldoende specifieke wettelijke gronden) – als toepassing van wetgeving de verdachte meer bescherming biedt dan een uitzondering.15 Ook onvoorzienbare redeneringen naar analogie ten nadele beperken het beginsel.16 Het beginsel raakt niet uitzonderingen en analogie ten voordele.17 Ook onvoorzienbare interpretaties ten nadele staan op gespannen voet met het beginsel;18 interpretaties ten voordele niet.19 Interpretatie komt later uitgebreider ter sprake.20
Ook in de grondwetsgeschiedenis wordt het fundamentele karakter van het materiële legaliteitsbeginsel benadrukt. Het nationaalrechtelijke beginsel biedt de verdachte meer bescherming dan artikel 7 EVRM: artikel 16 Gw mist de beperkingsclausule van artikel 7 lid 2 EVRM.21 Dat is blijkens de grondwetsgeschiedenis bewust gedaan.22 Volgens de grondwetgever is er zelfs geen ruimte voor een uitzondering op het materiële legaliteitsbeginsel als iemand ‘schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend’. Hij vond het opnemen van een dergelijke uitzonderingsmogelijkheid ‘niet nodig’.23 De Staatscommissie vond dit ook ‘niet noodzakelijk’, en wilde aan ‘de in de Grondwet op te nemen waarborg een verdere strekking [verlenen] dan die in het verdrag’.24
Aangezien de wetgever deze uitdrukkelijke bedoeling van de grondwetgever niet zomaar ter zijde mag en zal stellen, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat hij opnieuw een uitzondering op het legaliteitsbeginsel zal maken zoals hij naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog deed, toen artikel 16 Gw nog niet bestond. Toen stelde de regering in Londen het Besluit Buitengewoon Strafrecht vast (dat rechtskracht had van een formele wet), met de strafbaarstelling van oorlogshandelingen met terugwerkende kracht, waardoor het lex certa-gebod werd overschreden en analogie in bepaalde gevallen werd toegestaan.25 Argument was dat daders van oorlogshandelingen vanwege de ernst ervan strafbaarheid konden voorzien.26 De Bijzondere Raad van Cassatie, toepasser van het Besluit, accepteerde dit.27
De genoemde consequenties van het beginsel en het fundamentele karakter ervan blijken ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Die accepteert niet alleen geen materieelrechtelijke uitzonderingen ten nadele, zoals bij de bespreking van uitzonderingen in het strafrecht wordt getoond,28 maar ook wees hij eens het buiten toepassing laten van het materiële legaliteitsbeginsel in algemene zin af. Zelfs op grond van ongeschreven volkenrecht mocht geen uitzondering op het beginsel worden gemaakt.29
Ingevolge artikel 12i Sv werd strafvervolging bevolen van Bouterse voor de Surinaamse Decembermoorden ‘waarvan een ieder het strafwaardige karakter met de klomp kan aanvoelen’.30 De hier relevante rechtsvraag was of strafbepalingen uit de Uitvoeringswet folteringverdrag konden worden toegepast op de feiten begaan vóór de inwerkingtreding van die wet. Volgens de Hoge Raad stelden de artikelen 1 Sr en 16 Gw ‘een ongeclausuleerd verbod van terugwerkende kracht’. Dit moest krachtens artikel 94 Gw31 buiten toepassing blijven bij niet-verenigbaarheid ‘met een ieder verbindende bepa- lingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties’. Dergelijke bepalingen of besluiten waren er niet.32 Volgens de Hoge Raad staat het zelfs als ‘de verplichting tot strafbaarverklaring met terugwerkende kracht zou voortvloeien uit ongeschreven volkenrecht, [...] de rechter niet vrij [... de implementatiewet] buiten toepassing te laten wegens strijd met dat ongeschreven volkenrecht’. De Hoge Raad leidde dit af uit de wetsgeschiedenis van art. 94 Gw.
Gezien de strikte opvatting van de Hoge Raad over die uitzondering op het legaliteitsbeginsel en over materieelrechtelijke uitzonderingen ten nadele, is het opvallend dat hij wél interpretaties ten nadele accepteert. Later wordt hierop ingegaan.33
In de loop der tijd is de oorspronkelijke functie van het materiële legaliteitsbeginsel minder prominent geworden. De grotere aandacht in het strafrecht van de afgelopen decennia voor belangen van de maatschappij en slachtoffers bij criminaliteitsbestrijding gaat ten koste van bescherming van (mogelijke) verdachten.34 In de literatuur wordt gesteld dat ‘de laatste decennia […] het fundament’ van het legaliteitsbeginsel ‘wat minder absoluut geworden’ is35 en dat ‘de betekenis van het legaliteitsbeginsel voor de dagelijkse praktijk tanende is’.36 Het komt nu voor dat het beginsel zo wordt uitgelegd dat het niet alleen meer de beschermingsfunctie heeft, maar ook criminaliteitsbestrijding beoogt.37 De genoemde interpretaties ten nadele passen beter binnen deze gewijzigde visie.38 Deze verandering zou in de toekomst ook de deur kunnen openen voor de aanvaarding van materieelrechtelijke uitzonderingen ten nadele door de Hoge Raad. Later in dit hoofd- stuk komt wel al een voorbeeld ter sprake van een dergelijke uitzondering van de feitenrechter – die is echter vernietigd door de Hoge Raad.39 Daarnaast zouden strengere eisen kunnen worden gesteld aan uitzonderingen ten voordele waardoor belangen van de maatschappij of slachtoffers worden geschaad. Gezien het opportuniteitsbeginsel40 ligt het echter niet voor de hand dat burgers rechten kunnen ontlenen aan hun verwachtingen dat strafbepalingen worden toegepast als deze tekstueel zijn overtreden.
Het fundamentele en beschermende karakter van het legaliteitsbeginsel zal echter voorop blijven staan, en behoort dat volgens mij ook te doen, zolang het zijn plaats in artikel 1 Sr en artikel 16 Gw heeft.41 Dat houdt de ruimte voor uitzonderingen ten nadele zeer beperkt. Slechts in een zó uitzonderlijk geval dat ook de grondwetgever een uitzondering op het beginsel acceptabel zou hebben geacht, is die ruimte er. Ik denk dat zelfs een oorlogssituatie waarschijnlijk niet uitzonderlijk genoeg zal zijn als de rechter binnen de uitgangspunten van de Grondwet blijft, aangezien artikel 16 Gw werd opgesteld toen de Tweede Wereldoorlog en de toen door de wetgever en Bijzondere Raad van Cassatie gemaakte uitzonderingen op het legaliteitsbeginsel nog vers(er) in het geheugen lagen. Vanwege die zeer beperkte ruimte voor uitzonderingen ten nadele en de inhoudelijke vergelijkbaarheid van interpretaties ten nadele, behoort de Hoge Raad ook die interpretaties volgens mij te voorkomen. Dat wordt later beargumenteerd.42
Concluderend. Het materiële legaliteitsbeginsel staat vanwege zijn oorspronkelijke functie in de weg aan materieelrechtelijke billijkheidsuitzonderingen ten nadele van verdachten. Slechts in zeer bijzondere – moeilijk voorstelbare – gevallen is er misschien wat ruimte voor.
b. Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel en consequenties voor uitzonderingen
Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel heeft, anders dan het materiële, van oorsprong een dubbelfunctie, waardoor het meer ruimte laat voor billijkheidsuitzonderingen.
Het beginsel is neergelegd in artikel 1 Sv: strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet43 voorzien. Het geldt voor de gehele strafprocedure: opsporing, vervolging, tenuitvoerlegging en rechterlijk handelen.44 Tevens zijn beperkingsclausules bij grondrechten in de Grondwet en in verdragen, die bepalen dat grondrechten slechts door de wet (of een lagere regeling) mogen worden beperkt, uitdrukking van het beginsel.45 Ook het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel beoogt burgers te beschermen tegen schendingen van rechten en vrijheden door de overheid,46 welke bescherming gewenst is vanwege de rechtsstaat,47 de machtenscheiding48 en de democrati- sche gedachte.49 Die bescherming van (mogelijke) verdachten is volgens de wetgever van 1926 ook één van de twee functies van het strafprocesrecht.50 De andere functie van het strafprocesrecht komt overeen met de tweede functie van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel: criminaliteitsbestrijding, waartoe het Wetboek van Strafvordering bevoegdheden toekent aan politie en justitie.51 Het beginsel zorgt dat de opsporing en het strafproces voor die bestrijding zo effectief, efficiënt en doelmatig mogelijk verlopen.52 In de literatuur is deze functie ondersteund met de opmerking dat de wetgever niet alles kan voorzien, zoals ontwikkelingen in opsporingstechnieken.53 De tweede functie van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel past binnen de beschreven accentveranderingen in het strafrecht van de afgelopen decennia.54 Aangezien voor een doelmatige strafvordering beperking van rechten en vrijheden van (mogelijke) verdachten aangewezen kan zijn, conflicteren de twee functies. De wetgever probeerde balans te vinden door weliswaar aan overheidsorganen ‘alle bevoegdheden [te] verlenen, welke zij naar de omstandigheden kunnen behoeven’, maar tegelijk aan de verdediging alle bevoegdheden die ‘met het doel van het strafproces niet onvoorwaardelijk in strijd komen’.55
Door de dubbelfunctie staan bij de toepassing van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel door wetgever en rechter belangen van (mogelijke) verdachten niet altijd voorop. Doorgaans zijn deze belangen gediend bij een specifiek omschreven wettelijke grondslag voor strafvorderlijke bevoegdheden, en vanuit zijn eerste functie vergt het legaliteitsbeginsel deze grondslag dan ook. Toch zijn vanuit doelmatigheidsoverwegingen bevoegdheden geregeld (zeer) algemeen geformuleerd. Artikel 3 Politiewet 2012 verleent bijvoorbeeld opsporingsambtenaren de bevoegdheid ‘te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde’, en in de artikelen 141 en 142 Sv is bepaald dat de ambtenaren zijn ‘belast met de opsporing van strafbare feiten’. In die algemeenheid is de tweede functie herkenbaar. Uit vele arresten blijkt dat de Hoge Raad accepteert dat dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend ‘op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing’.56
Het OM had met een apparaat het geografisch gebied afgebakend waarbinnen de telefoon van de verdachte zich bevond, hetgeen ‘niet in een daarop toegesneden wettelijke bepaling geregeld’ was.57 De verdachte was hierdoor aangehouden. Volgens de Hoge Raad kon deze opsporingsmethode onrechtmatig zijn ‘indien zij in verband met de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene’. Hij liet het oordeel van het hof in stand dat de uitoefening van de bevoegdheid slechts een zo beperkte inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dat hiervoor artikel 3 Politiewet 2012 een toereikende wettelijke grondslag is. Relevant was ‘de kennelijk korte duur van de inzet van het apparaat’.
Belangen van (mogelijke) verdachten wijken ook in andere zaken voor het belang van een doelmatige strafvordering.
De anonimiteit van de verdachte was geen wettelijk geval van voorlopige hechtenis, maar volgens de Hoge Raad kon deze verdachte ‘gelijkgesteld’ worden met iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, wat conform artikel 67 lid 2 Sv wel een geval van voorlopige hechtenis is.58 Dit lijkt mij analogie.
Ook accepteerde de Hoge Raad dat een feit dat niet is ten laste gelegd maar wel is bekend, wordt meegewogen bij de straftoemeting en wordt beschouwd als afgedaan, terwijl de wet dit niet toelaat.59
Formeelrechtelijke uitzonderingen ten nadele zijn minder problematisch dan materieelrechtelijke,60 omdat zij niet per se op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sv. Beschermt een tekstueel toepasselijke wetsbepaling belangen van een verdachte, maar zou toepassing aanzienlijke vertraging van het strafproces met zich brengen, dan wijzen de twee functies van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel in verschillende richtingen. Enerzijds vraagt het beginsel om toepassing van de bepaling vanwege verdachtes belangen, maar anderzijds is dat problematisch gezien de doelmatigheid van de strafvordering. Een keuze voor een uitzondering vanwege die doelmatigheid is dan wel in strijd met verdachtes belangen, maar niet noodzakelijkerwijs met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel.
Dat het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zo wordt uitgelegd dat het niet alleen de belangen van (mogelijke) verdachten beschermt maar ook de doelmatigheid van het strafproces dient, is overigens gezien de consequenties daarvan voor de verdachte minder problematisch dan wanneer aan het materiële legaliteitsbeginsel twee functies worden toegeschreven. De gevolgen van materieelrechtelijke uitzonderingen ten nadele van een verdachte kunnen voor de verdachte zeer ingrijpend zijn, met als maximum vrijheidsbeneming tot (volgens de wet) levenslange duur. Dat rechtvaardigt hoge eisen aan materieelrechtelijke uitzonderingen ten nadele. Strafvorderlijke uitzonderingen ten nadele hebben doorgaans beperktere gevolgen voor de verdachte (willekeurige voorbeelden: telefoontap, stelselmatige observatie en het slachtofferspreekrecht61, en de voorlopige hechtenis is van kortere duur dan gevangenisstraffen). Dat vraagt om lichtere eisen aan strafvorderlijke uitzonderingen ten nadele dan aan materieelrechtelijke.
Samengevat heeft het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zowel de bescherming van belangen van (mogelijke) verdachten ten doel als de doelmatigheid van het strafproces. Hierdoor, en door de beperktere gevolgen van strafvorderlijke inbreuken op rechten van verdachten, zijn uitzonderingen ten nadele in het strafprocesrecht niet per se problematisch.
c. Afsluitend over het legaliteitsbeginsel
In het materiële strafrecht staat het legaliteitsbeginsel in de weg aan billijkheidsuitzonderingen ten nadele van verdachten. Situaties waarin die het fundamentele belang van het beginsel overtreffen, zijn moeilijk voorstelbaar. In het formele strafrecht heeft het legaliteitsbeginsel (nog meer dan sinds de afgelopen decennia van het materiële beginsel wordt aangenomen) twee functies. Het is niet alleen gericht op de bescherming van belangen van (mogelijke) verdachten zoals het materiële beginsel, maar ook op de doelmatigheid van het strafproces. Dit maakt strafvorderlijke uitzonderingen ten nadele niet per se in strijd met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel.