Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.2.2
4.2.2 Het begrip 'benadeelde' in de Nederlandse Wam
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393565:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Benelux Gerechtshof 16 april 1992, NJ 1992, 685, m.nt. J.C.S, VR 1993, 30, m.nt. H.A.B.
HR 10 augustus 1994, NJ 1995, 58. Terzijde zij opgemerkt dat het gemeenschapsrecht in deze procedure wel op een heel verrassende manier aan de orde werd gesteld: de Wam-verzekeraar stelde zich op het standpunt dat het 'monopolie' van het ABP op het terrein van invaliditeitsverzekeringen voor ambtenaren in strijd met het EG-mededingingsrecht is en dat de uit dien hoofde door het ABP gedane uitkeringen wederrechtelijk zouden zijn en een niet toelaatbare grondslag zouden opleveren voor de vordering van het ABP. De HR maakt daar - evenals het hof en de A-G - korte metten mee.
De begripsverwarring die uit de Nederlandse versie van de Richtlijn voortvloeit rond de kring van beschermde personen, bestaat niet in de Nederlandse Wam. Deze gebruikt alleen het woord 'benadeelde' en bepaalt daarbij in art. 1 nadrukkelijk dat ook rechtverkrijgenden daaronder vallen.1 Over de vraag of onder rechtverkrijgenden in de zin van art. 1 ook regresnemers met een eigen recht - zoals sociale verzekeraars en de overheid op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren - vallen, geeft de MvT uitsluitsel:
"De benadeelden zijn degenen die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van de wet, alsmede hun rechtverkrijgenden. Derhalve is hieronder niet slechts begrepen het slachtoffer van het ongeval zelf, doch een ieder jegens wie de veroorzaker daarvan aansprakelijk is, hetzij deze een recht heeft uit eigen hoofde (o.a. op grond van art. 1401 e.v. BW of art. 95 Ongevallenwet), hetzij een afgeleid recht, dat b.v. door cessie of subrogatie kan zijn verkregen."2
In dit verband zij gewezen op het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 april 1992, waarin is beslist dat het op de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door het motorrijtuig veroorzaakte schade toepasselijke nationale recht bepalend is voor de vraag wie tot de kring van door de Wam beschermde benadeelden behoort.3
Het hof staat een ruime kring van benadeelden voor. Anders A-G Janssens de Bisthoven, die opmerkt dat daardoor de strekking van de Benelux-Overeenkomst die in wezen op specifieke bescherming van het slachtoffer van een ongeval is gericht, zonder enige rechtvaardiging wordt uitgebreid. "Een zodanige uitlegging zou erop neerkomen dat de nationale wetgever, telkens hij zou menen iemand een eigen recht tegen de aansprakelijke voor het ongeval te moeten toekennen, een nieuwe categorie benadeelden in het leven zou kunnen roepen, die noch aan de eisen van de overeenkomst noch aan het doel beantwoordt."
Een voorbeeld van een dergelijke uitbreiding is te zien in de werkgever, die in art. 6:107a BW een eigen recht op schadevergoeding heeft gekregen jegens de laedens van zijn werknemer. Maar of geconcludeerd moet worden dat daarmee de eisen van de Benelux-Overeenkomst en het doel daarvan met voeten zijn getreden, betwijfel ik. Wat de doelstelling van de overeenkomst oorspronkelijk ook is geweest, de maatschappij en daarmee de eisen veranderen. Naast slacht-offerbescherming dient de Wam ook andere doelen, zoals die van juiste allocatie van schade ten gevolge van het gemotoriseerde verkeer. Men kan zich voorts afvragen wat het gevolg van de door de A-G bepleite beperkte uitleg van het begrip 'benadeelde' zou zijn. De regresnemers die niet onder dat begrip vallen, zouden dan toch - als het toepasselijk recht hen daartoe een titel geeft de aansprakelijke verzekerde kunnen aanspreken. En zou die dan niet toch een beroep op zijn verzekeraar kunnen doen?
Schultsz wijst er in zijn noot onder het arrest in de NJ - mijns inziens terecht - op, dat het arrest zwak gemotiveerd is. In de eerste plaats merkt het hof op dat het IPR terzake van het verkeersrecht in de Benelux geharmoniseerd is, omdat de drie lidstaten van de Benelux het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 hebben geratificeerd. Dat verdrag is evenwel niet op regresvorderingen van toepassing. In de tweede plaats lijkt hem de wet die op de verhouding tussen de gelaedeerde en de uitkeringsinstantie van toepassing is, eerder in aanmerking te komen om te bepalen of de uitkerende instantie als benadeelde aan te merken valt, dan de wet die de aansprakelijkheid beheerst. Voorts - en het zal in het licht van dit boek niet verbazen, dat ik mij daarbij van harte aansluit - vraagt hij zich af of ook communautair recht geen rol zou moeten spelen. Daarbij merk ik in het algemeen op, dat EU-recht - in dit opzicht - boven Beneluxrecht gaat. Er is geen bepaling aan te wijzen die toestaat dat bijzondere verdragen in dit opzicht door de Richtlijn worden gerespecteerd. De Richtlijn strekt zoals hiervoor in paragraaf 42.1 is betoogd, de rechtstreekse vordering uit tot allen "die recht hebben op vergoeding van door motorrijtuigen veroorzaakte schade".
Voor Nederland is deze ruime opvatting omtrent het begrip benadeelde nog eens bevestigd in een in het kader van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren aangespannen procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 1994.4