Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.1
I.3.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623661:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Meijers 1915, p. 98; Suijling/Dubois 1931, nr. 85, 95 en 144; Breemhaar 1992, nr. 18, 42, 72 en 74-77; Kleijn 2004a, p. 82; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 221; B. Schols 2007a, p. 432 e.v.; Van Mourik 2008, nr. 46 (zie in dit kader ook Van Mourik 2013, nr. 46, waarin hij aangeeft dat de verwijzing naar de ‘hoogstpersoonlijke aard’ van de uiterste wilsbeschikking in de literatuur met weinig sympathie wordt omringd); F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 116; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 148. Allen betrekken het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking in het delegatievraagstuk.
In Asser/Meijers/Van der Ploeg 1956, p. 107 is ‘erflater’ te lezen.
Asser/Meijers 1915, p. 98. Vgl. ook Suijling/Dubois 1931, nr. 85, 95 en 144.
Zie paragraaf 2.5 ‘Hoogstpersoonlijk karakter’. Voor een opsomming van landen waarin het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke in wetteksten is terug te vinden zie Debucquoy 2012, voetnoot 171.
Zie Grossfeld 1968; Sünner 1969; Stiegeler 1985; Sens 1990; Zimmermann 1991; Kossmann 1994; Wagner 1997; Frey 1999; Halding-Hoppenheit 2003.
Als klassiek voorbeeld van deze behoefte wordt veelal het fruhzeitigen Unternehehmerstestament genoemd. Hierover uitgebreid Kossmann 1994.
Over het Drittbestimmungsverbot: Grossfeld 1968; Sünner 1969; Stiegeler 1985; Sens 1990; Zimmermann 1991; Kossmann1994; Wagner 1997; Frey 1999; Halding-Hoppenheit 2003.
B. Schols 2007a, p. 15.
Voor deze historische uiteenzetting haak ik overigens aan bij de bevindingen van de onderzoeken van Immel 1965, Zimmermann 1991 en Halding-Hoppenheit 2003. Een eigen studie naar de originele bronnen zal nagenoeg uitblijven, omdat zo’n rechtshistorische beschouwing het bestek van dit onderzoek te buiten gaat. Bovendien zou het onpraktisch zijn om het reeds door de Duitse collega’s uitgeplozen onderzoekswerk nog eens dunnetjes over te doen. Zie voor het Belgische recht en testamentaire keuzeverlening het noemenswaardige rechtshistorisch pleidooi van Debucquoy 2012, waarin ook wordt geput uit bronnen van het oude Franse erfrecht.
De doctrine lijkt een materieel aspect van het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking te veronderstellen.1 Erflater moet zijn uiterste wil niet alleen hoogstpersoonlijk maken (het formele aspect), maar moet ook de inhoud, werking en voorwaarden van zijn uiterste wilsbeschikking hoogstpersoonlijk bepalen (het materiële aspect). Ofwel:
‘Een erflater kan de geldigheid van een making niet van den wil van den erfgenaam of van een derde afhankelijk stellen. Evenmin kan hij een erfgenaam of een legataris door een ander laten aanwijzen. Een testament moet immers den wil van den erflater bevatten, niet van een ander persoon, op wien de erfgenaam (erflater, correctie NB)2 zijn testeerbevoegdheid zou willen overdragen.’3
Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, wordt dit aspect niet uitdrukkelijk door het BW uitgesproken.4 Dient in art. 4:42 lid 3 BW (toch) een materieel aspect te worden gelezen, dat een delegatieverbod inhoudt? Het is deze gewichtige vraag waarop het antwoord in dit hoofdstuk wordt gezocht. Dat gebeurt in belangrijke mate aan de hand van Duitse literatuur. Zoals reeds in de inleiding en verantwoording van dit onderzoek is gemeld, is in Duitsland het delegatievraagstuk al meerdere malen uitgedokterd.5
Evenals in Nederland leeft in Duitsland namelijk een behoefte om de laatste wil aan anderen te delegeren.6 Niettemin loopt de Duitse erflater tegen het bepaalde in § 2065 BGB (der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit) aan:
‘I. Der Erblasser kann eine letztwillige Verfügung nicht in der Weise treffen, dass ein anderer zu bestimmen hat, ob sie gelten oder nicht gelten soll.
II. Der Erblasser kann die Bestimmung der Person, die eine Zuwendung erhalten soll, sowie die Bestimmung des Gegenstands der Zuwendung nicht einem anderen überlassen.’
§ 2065 I BGB verlangt van de erflater dat hij zelf de werking van zijn uiterste wilsbeschikking bepaalt. Het is zodoende niet toegestaan om de werking van een uiterste wilsbeschikking van andermans wil afhankelijk te stellen.
§ 2065 II BGB voegt hieraan toe dat de erflater eveneens eigenhandig over de inhoud van zijn uiterste wilsbeschikking dient te beslissen, in die zin dat hij het niet aan een ander kan toevertrouwen om te bepalen wie verkrijgt (het subject van de verkrijging) noch wat wordt verkregen (het object van de verkrijging). In § 2065 II BGB ligt het zogenaamde Drittbestimmungsverbot besloten, waardoor de praktijkbehoefte om flexibel te testeren door middel van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van uiterste wilsbeschikkingen wordt doorkruist.
Waarom heeft de Duitse wetgever der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit in de wet neergelegd? Wat houdt het in? Zijn er uitzonderingen op § 2065 BGB? En wat rechtvaardigt het Drittbestimmungsverbot? Een aantal Duitse auteurs stelde in de afgelopen decennia deze vragen met het oog op de praktische behoefte aan wilsdelegatie.7 De resultaten van hun studies zouden, mede met het besef dat Boek 4 BW sinds 2003 sterk op het Germaanse erfrecht is gericht,8 bij het antwoord op de vraag of het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking in het Nederlandse erfrecht aan wilsdelegatie in de weg staat, verhelderend kunnen werken.
Ik zal dan ook in onderstaande paragraaf het Duitse § 2065 BGB nader analyseren. Hierbij ga ik onder meer in op de oorsprong en de ontwikkeling van der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit.9 Dit beginsel staat namelijk aan de wieg van het Drittbestimmungsverbot en kan inzicht geven over de verhouding tussen het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke en de mogelijkheid van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking. Ook voor de vraag of wilsdelegatie mogelijk is ten aanzien van de werking van de uiterste wilsbeschikking kan inspiratie worden opgedaan bij onze oosterburen, door bestudering van § 2065 I BGB (zie ook paragraaf 6.2).
Voorts besteed ik aandacht aan Sinn und Zweck van het Drittbestimmungsverbot. Is een dergelijk verbod in de huidige maatschappij te rechtvaardigen?
Tot slot maak ik de vertaalslag naar het BW en stel ik la question principale: ligt in het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking, zoals dat tot uitdrukking komt in art. 4:42 lid 3 BW, een materieel aspect besloten dat een delegatieverbod inhoudt?