Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.4.2:16.4.4.2 Verbod op vaste renten
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.4.2
16.4.4.2 Verbod op vaste renten
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402370:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de wet was opgenomen dat de aandeelhouders “geene vaste renten” mochten bedingen.1 Met “vaste renten” werd bedoeld een door de vennootschap gegeven garantie dat tot een bepaalde hoogte een uitkering zou worden gedaan, ongeacht of er winst was gemaakt en ongeacht of er voor uitkering vatbaar vermogen aanwezig was. Het bedingen van dergelijke rente werd geacht lijnrecht in te gaan tegen de gedachte dat uitkeringen alleen konden geschieden uit de winst. Pinto benadrukte dat de overeenkomst van de vennoten niet mocht “ontaarden in eene soort van leencontract”.2 Hij voerde daartoe aan dat deze ‘renten’ alleen betaald konden worden in de vorm van dividend uit de jaarlijkse winst, waarvan de omvang op voorhand onzeker was. Indien men de aandeelhouders een gefixeerd recht op uitkeringen zou toestaan, ging dit mogelijk ten koste van het kapitaal en aldus ten koste van de vennootschapscrediteuren.
Sauer schreef hierover in 1911: “Al had de wet dit niet gezegd, toch zou het m.i. volgen uit het karakter van het dividend. De aandeelhouders treden op als ondernemers en hebben als zoodanig recht op de winst, die door de uitoefening van het bedrijf wordt gemaakt, maar loopen ook het risico van een ondernemer. En evenmin als iemand, die voor eigen rekening zaken drijft, erop kan rekenen, dat hij elk jaar een vast percentage van zijn kapitaal als winst zal overhouden, kan de vennootschap aan de eigenlijke ondernemers een vast percentage beloven. En laat men dit toch toe, dan miskent men de economische figuur der vennootschap.”3