Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.5:9.3.5 Toetsing van praktijkcasussen
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.5
9.3.5 Toetsing van praktijkcasussen
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630605:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik heb in hoofdstuk 6 een aantal casus nader uitgewerkt en getoetst hoe de huidige regels van de winstbepaling uitwerken. De volgende subonderzoeksvraag is daarbij onderzocht: Voldoen de regels voor de sfeerovergang aan de kwaliteitseisen van een goede fiscale regelgeving?
De kwaliteit van de wetgeving wordt voldoende geacht indien wordt voldaan aan de zes kwaliteitseisen die in de nota Zicht op wetgeving uit 1991 aan wetgeving worden gesteld. Deze kwaliteitseisen dienen – ook bij belastingwetgeving – een cruciale rol te spelen bij de evaluatie van wetgeving. Om een praktische toetsing mogelijk te maken heb ik een toetsingskader gemaakt:
Is de uitwerking in overeenstemming met de uitgangspunten van het totaalwinstbeginsel, dat wil zeggen:
alleen de daadwerkelijk gerealiseerde opbrengsten en gemaakte kosten die toerekenbaar zijn aan de belaste periode behoren tot de van de totaalwinst, tenzij de hoogte van de winst is beïnvloed door het onzakelijk handelen ten behoeve van een gelieerde (rechts)persoon. De hoogte van de winst moet worden gecorrigeerd voor de effecten van dat onzakelijke handelen.
alle voordelen verkregen uit de onderneming die toerekenbaar zijn aan de belaste periode zijn onderdeel van de totaalwinst. Dit is het geval als er een milieuverband tussen de voordelen en de bedrijfsuitoefening van de onderneming is.
Worden de voordelen op een adequate manier toegerekend aan de belaste periode, dat wil zeggen: worden de voordelen toegerekend aan de periode waarin ze worden veroorzaakt door de bedrijfsuitoefening?
Is er sprake van een duidelijk en praktisch toepasbaar systeem?
Uit de beoordeelde casusposities blijkt dat het systeem van waardering tegen de waarde in het economische verkeer tekortkomingen heeft. Uitgangspunt is dat alleen reële inkomsten worden belast. Omdat tot de totaalwinst slechts de voordelen die betrekking hebben op de belaste periode mogen worden gerekend, is het legitiem dat in geval van een vermogenswinst een deel van de winst wordt gealloceerd aan de onbelaste periode. Het is hierbij ook logisch om aan te sluiten bij de vermogensmutatie ten tijde van de sfeerovergang. Als de vermogensmutatie in de belaste periode echter hoger is dan het door het lichaam genoten voordeel, dan ontstaat frictie met het realiteitsbeginsel. Er worden immers meer voordelen in de belastingheffing betrokken dan de resultaten die de onderneming gedurende haar levensduur feitelijk heeft genoten. Dit past niet binnen de uitgangspunten van totaalwinst en staat op gespannen voet met het draagkrachtbeginsel. Ook blijkt nadrukkelijk dat de voordelen niet worden toegerekend aan de periode waarin ze worden opgeroepen door de bedrijfsuitoefening. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende twee voorbeelden.
De eerste casus die ik heb onderzocht is een woningcorporatie die onrendabele investeringen doet in sociale huurwoningen. In dit voorbeeld had een woningcorporatie woningen gebouwd voor € 1.000.000. Omdat bij toepassing van de dcf-methode het verwachte rendement contant wordt gemaakt (en de overeengekomen huur afweek van een zakelijke huur ten tijde van de sfeerovergang), was sprake van een onrendabele top. Als gevolg van deze waarderingsmethode worden in het voorbeeld de woningen gewaardeerd op de fiscale openingsbalans voor € 700.000. De gehele onrendabele top ad € 300.000 wordt derhalve toegerekend aan de onbelaste periode. Als de woningen vervolgens in de belaste periode voor € 800.000 worden verkocht, wordt een positief resultaat ad € 100.000 in de heffing betrokken. Als de investering echter in de belaste periode zou zijn gedaan, zou de onrendabele top volledig in de belaste periode in aanmerking worden genomen. In dat geval zal in plaats van een winst een verlies ad € 200.000 in aanmerking zijn genomen. Een (klein) verschil in het tijdstip van aanschaf kan een groot effect hebben op de omvang van de totaalwinst. Als het feitelijke gebruik en de exploitatie (de bedrijfsuitoefening) worden gezien als de feiten die de onderrentabiliteit veroorzaken, dan is het logisch om de kosten aan de exploitatieperiode toe te rekenen. Uit bovengenoemd voorbeeld blijkt echter dat door waardering tegen de waarde in het economische verkeer de toerekening van het verlies volledig plaatsvindt aan de periode waarin de investering is aangegaan en de kosten niet worden toegerekend aan de periode waarin de investering wordt gebruikt voor de bedrijfsuitoefening van de onderneming.
Het herwaarderingsvoorschrift geldt voor alle vermogensbestanddelen, dus ook voor schulden. Het herwaarderingsvoorschrift heeft dan tot gevolg dat de schuld op de contante waarde moet worden gewaardeerd op de fiscale openingsbalans. In de belaste periode moet het verschil tussen de nominale waarde en de contante waarde vrijvallen. Hierdoor komt in de belaste periode effectief niet de betaalde rente in aftrek, maar de rente die verschuldigd zou zijn als de lening op het moment van sfeerovergang zou zijn afgesloten. Als bijvoorbeeld een lening ad € 1.000 is afgesloten in de onbelaste periode met een zakelijke rente van 7%, terwijl de rentestand op het moment van de sfeerovergang 6% is, dan leidt dit tot een hogere waardering van de schuld op de openingsbalans. Effectief komt vervolgens 6% rente in aftrek, namelijk de verschuldigde rente ad € 70 minus de vrijval van € 10 (contant gemaakt).