Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.4.2.3.1:14.4.2.3.1 Effecten wettelijke regeling
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.4.2.3.1
14.4.2.3.1 Effecten wettelijke regeling
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232802:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt ook uit een voorbeeld in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 37 – 38).
Op grond van artikelen 4:10 en 4:11 BW.
Artikel 24 SW.
Artikel 33 ten 5˚ SW (ik abstraheer van de eenmalige verhoogde vrijstelling).
(25.000 -/- 5.428) * 10%.
Artikel 24 SW respectievelijk artikel 33 ten 7˚ SW.
(25.000 -/- 2.173) * 30% respectievelijk 1.957 + (3 * 6.848).
(100.000 -/- 5.428) * 10%.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 17 lid 1 SW wordt de uitkering geacht een schenking te zijn van de persoon of personen waaraan het APV-vermogen voor inkomstenbelasting wordt toegerekend. Via de delegatiebepaling in artikel 17 lid 2 SW en artikel 3 Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting is artikel 4a Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing, zodat de in paragraaf 14.3.2.5 beschreven regels over de verdeling van het toe te rekenen APV-vermogen over de verschillende personen aan wie wordt toegerekend hier doorwerken. Dit is van belang in geval van meerdere inbrengers; bij vererving wordt de verdeling van de toerekening bepaald door de regels van artikel 2.14a Wet IB 2001.
Als het vermogen van een APV wordt toegerekend aan meerdere personen, wordt een uitkering uit dit APV dus in principe geacht te bestaan uit meerdere schenkingen, van al deze personen, waarbij de omvang van de deelschenking afhankelijk is van het aandeel van de desbetreffende schenker in het APV-vermogen. Voor iedere deelschenking dient afzonderlijk het toepasselijke tarief vastgesteld te worden en voor iedere deelschenking kan een vrijstelling toegepast worden.1 Deze spreiding van de schenking over meerdere personen kan leiden tot een hogere totale belastingdruk, doordat deels een hoger tarief van toepassing is, maar ook tot een lagere totale belastingdruk, doordat in totaal een hogere vrijstelling verkregen wordt.
Voorbeeld: uitkering bij toerekening APV-vermogen aan meerdere personen
Inbrenger X heeft in 1993 vermogen ingebracht in APV Y. X is in 2008 in Nederland overleden. Hij was op dat moment niet gehuwd of als partner geregistreerd en had geen testament gemaakt. Zijn erfgenamen waren derhalve zijn vier kinderen, A, B, C en D, ieder voor een gelijk deel.2 In 2019 doet APV Y een uitkering van € 100.000 aan Z, de zoon van A.
Op grond van artikel 17 lid 1 SW wordt deze uitkering voor schenkbelastingdoeleinden gekwalificeerd als vier schenkingen door A, B, C en D, van elk € 25.000. Op de schenking van A is tarief I van toepassing3 en geldt de ouder-kindvrijstelling van € 5.4284. Over deze schenking is derhalve € 1.957 aan schenkbelasting verschuldigd.5 Ter zake van de schenkingen van B, C en D is tarief II van toepassing en geld voor iedere schenking de derdenvrijstelling van € 2.173.6 Per schenking is € 6.848 aan schenkbelasting verschuldigd en ter zake van de totale uitkering moet Z € 22.501 aan schenkbelasting betalen.7
Als Z daarentegen een schenking van € 100.000 van A zou hebben verkregen, zou hij slechts € 9.457 aan schenkbelasting hebben hoeven betalen.8 De omstandigheid dat het APV-vermogen aan meerdere personen wordt toegerekend leidt in dit geval dus tot een aanmerkelijk hoger bedrag aan verschuldigde schenkbelasting. In een andere situatie kan de splitsing van de schenking uiteraard voordelig uitwerken, indien het tarief bij alle “schenkers” gelijk is en door de splitsing meermaals van een vrijstelling gebruik gemaakt kan worden. Ik zou echter verwachten dat het toerekenen van de schenking regelmatig wel het gevolg heeft dat op een deel hiervan een hoger tarief van toepassing wordt, zoals in het gegeven voorbeeld.
Daarnaast rijst de vraag in hoeverre gelijke uitkeringen aan alle erfgenamen, bijvoorbeeld als A, B, C en D hiervoor ieder € 100.000 uit het APV ontvangen, deze erfgenamen geacht worden het ontvangen bedrag geschonken te hebben gekregen van de anderen, in plaats van dit onbelast te kunnen ontvangen omdat zij het desbetreffende bedrag toch al toegerekend kregen. Dit effect komt onlogisch en onredelijk over, maar vloeit mijns inziens wel voort uit de letterlijke wettekst.