Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/12.3.2
12.3.2 Voordelen fiscale beleggingsinstellingen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457774:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
R.P.C. Cornelisse/A.J. van Soelen, Wetsontwerp herziening aanmerkelijk-belangregime, consumptieve rente en vermogensbelasting, blz. 2912, FED 1996/815 en blz. 3146, FED 1996/3146 menen dat ook deze uitbreiding van de uitzondering op het proportionele tarief van 25%> met vervreemdingsvoordelen van fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. een forse mate van overkill laat zien.
Slechts eenmalig was op verzoek afrekening van de herbeleggings- en afrondingsreserve tegen een gematigd tarief van 15% mogelijk en wel op 1 januari 1997 (ingangsdatum nieuwe aanmerkelijkbelangregime) (art. XII Wet van 13 december 1996, Stb. 652). Deze bijzondere overgangsregeling is getroffen vanwege het feit dat onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. voor aanmerkelijkbelanghouders niet langer aantrekkelijk zijn - in plaats van maximaal 51,25% is men dan maximaal 60%> inkomstenbelasting verschuldigd over de doorgestoten winsten van de fiscale beleggingsinstelling -en derhalve in veel gevallen beëindiging van deze bijzondere status van fiscale beleggingsinstelling wenselijk is.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 762, nr. 7, blz. 56-57. Hiermee leidt tevens de onder de oude aanmerkelijkbelangregeling wel toegepaste 'truc' om de aandelen in een fiscale beleggingsinstelling (kort) voor het einde van de achtmaandsperiode te verkopen aan een bank of financiële instelling teneinde zo de facto het aanmerkelijkbelangtarief van (toen nog) 20% deelachtig te worden over de winst van de fiscale beleggingsinstelling (zonder voordruk vennootschapsbelasting), niet langer tot het gewenste resultaat. Zie het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag F.2). Zie tevens de brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 oktober 1996, nr. WDB96/446M, V-N 1996, blz. 4031, waarin de staatssecretaris de suggestie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs om te komen tot een tariefdifferentiatie - het tabeltarief voor de reguliere voordelen en het 25%-tarief voor de vervreemdingsvoordelen - nadrukkelijk afwijst.
Uitdelingen van fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. zijn eveneens onderworpen aan het normale tabeltarief van maximaal 60%o, nu dergelijke beleggingsinstellingen zijn onderworpen aan een vennootschapsbelastingtarief van 0%o. Bij gebreke van een voordruk vennootschapsbelasting is een uitzondering op het 25%-tarief op zijn plaats. In het oorspronkelijke wetsvoorstel, waarin het bijzondere regime van de fiscale beleggingsinstelling ex art. 28 Wet Vpb. zou worden beperkt tot de beursvennootschappen en aldus niet langer zou gelden voor aanmerkelijkbelanghouders, gold deze uitsluiting van het bijzondere tarief van 25% enkel nog voor de reguliere voordelen uit deze lichamen; voor de vervreemdingsvoordelen bleef het proportionele tarief van 25%o wel van toepassing. Dit tariefsverschil tussen de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen is bij eerste nota van wijziging, waarbij het regime van de fiscale beleggingsinstelling ex art. 28 Wet Vpb. ook voor aanmerkelijkbelanghouders is gehandhaafd, vervallen en zijn de vervreemdingsvoordelen mede onder het normale tabeltarief gebracht.1 Dit betekent dat met ingang van 1 januari 1997 zowel de reguliere voordelen uit als de vervreemdingsvoordelen van fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. worden belast naar het normale tabeltarief van maximaal 60%.
Blijkens de tekst van art. 57a, derde lid, onderdeel b, Wet IB blijft de toepassing van het bijzondere tarief uitgesloten totdat acht maanden na het einde van het tijdvak waarover het lichaam als fiscale beleggingsinstelling ex art. 28 Wet Vpb. is aangemerkt, zijn verstreken. Met betrekking tot de winst van de ex-fiscale beleggingsinstelling van het afgelopen boekjaar is dit logisch, aangezien deze nog binnen acht maanden na afloop van het boekjaar als dividend (regulier voordeel) moet worden uitgekeerd waarop het 25%o-tarief dan niet van toepassing moet zijn. In zoverre er echter voor de vennootschapsbelasting is afgerekend, is er mijns inziens geen reden om het 25%-tarief te weigeren. Beëindiging van de bijzondere status van fiscale beleggingsinstelling leidt op grond van art. 10, derde lid, laatste volzin, Besluit Beleggingsinstellingen in het boekjaar met ingang waarvan de fiscale beleggingsinstelling niet langer als zodanig wordt aangemerkt, immers tot afrekening van de herbeleggings- en afrondingsreserve tegen het normale vennootschapsbelastingtarief van 35%.2 Het aanmerkelijkbelangtarief van 25% zou enkel moeten worden uitgesloten voorzover de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen betrekking hebben op de winst van de inmiddels ex-fiscale beleggingsinstelling van het laatste boekjaar voorafgaand aan het boekjaar met ingang waarvan de fiscale beleggingsinstelling niet langer als zodanig wordt aangemerkt. Aangezien dit ingewikkelde compartimenteringsproblemen met zich zou brengen, is ervoor gekozen om alle voordelen die gedurende de eerste acht maanden nadat de beleggingsinstelling als fiscale beleggingsinstelling is aangemerkt, worden verkregen - reguliere voordelen en/of vervreemdingsvoordelen - uit te sluiten van het bijzondere 25%)-tarief en te belasten naar het normale tabeltarief van maximaal 60%).3 Hiermee is een eenvoudige en voor de praktijk werkbare regeling verkregen. Dit betekent overigens wel dat bij een voorgenomen vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen in of -winstbewijzen van een ex-fiscale beleggingsinstelling deze achtmaandsperiode bij voorkeur moet worden afgewacht, waarbij dan tevens de uitdelingsverplichting binnen acht maanden in acht moet worden genomen. Geschiedt dit laatste namelijk niet, dan vervalt de bijzondere status van fiscale beleggingsinstelling immers met ingang van het jaar waarop deze voor uitdeling beschikbare winst betrekking heeft, d.w.z. een jaar eerder.
Ten overvloede wijs ik erop dat, nu dividenden uit aanmerkelijkbelangaandelen in en -winstbewijzen van fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. met ingang van 1 januari 1997 worden belast als winst uit aanmerkelijk belang (regulier voordeel) en niet langer als inkomsten uit vermogen de dividendvrijstelling van art. 42c Wet IB met ingang van deze datum niet langer van toepassing is (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.3.1). Dit ondanks het feit dat op deze dividenden niet het proportionele aanmerkelijkbelangtarief van 25% van toepassing is doch het normale tabeltarief van maximaal 60%. De vraag is mijns inziens gerechtvaardigd of voor deze dividenden niet ook de dividendvrijstelling van art. 42c Wet IB van toepassing had moeten blijven, evenals dat tot 1 januari 1997 onder de oude aanmerkelijkbelangregeling het geval was. Ik ben geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden.