Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.2.2
3.5.2.2 Vertaling van het arrest Öztürk naar de Nederlandse situatie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940787:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van echte synoniemen is uiteraard geen sprake: vóór 1998 was de boete vormgegeven als een wettelijke verhoging van de belasting, en was het schuldverband bij niet-ordeboeten negatief geformuleerd. Vanaf 1998 is er sprake van een afzonderlijke boete(beschikking), terwijl de inspecteur bij vergrijpboetes het positieve bewijs van de aanwezigheid van het schuldverband moet leveren.
HR 19 juni 1985, BNB 1986/29, zie met name r.o. 4.2. Overigens twijfelde A-G Van Soest in zijn Conclusie voor het arrest nog aan de toepasbaarheid van art. 6 EVRM op de in geschil zijnde verhoging in de motorrijtuigenbelasting.
Zie bijvoorbeeld Koopman 1996, par. 6.2.2, en Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 570. Scheltens ging er in zijn noot bij het arrest (par. 8) daarentegen al van uit dat ook ordeboeten een strafkarakter hadden.
Uit HR 18 december 2020, V-N 2020/65.25, r.o. 3.2.2, volgt dat de Engel-criteria nog steeds leidend zijn bij de toets of er sprake is van een criminal charge. Zie ook de Aantekening, waarin de Redactie Vakstudie-Nieuws signaleert dat de Hoge Raad enkele nuances en verdiepingen aanlegt ten opzichte van de Engel-criteria.
Caveat: In het navolgende loop ik voor wat betreft de gehanteerde terminologie vooruit op de sinds 1998 bestaande tweedeling in verzuimboetes en vergrijpboetes (zie paragraaf 3.6.2.1). Ten tijde van het arrest Öztürk bestonden deze termen nog niet: in plaats daarvan werd, zoals eerder aangegeven, gesproken van ordeboeten en niet-ordeboeten. Het onderscheidend criterium (het schuldverband van opzet of grove schuld) is bij de herziening in 1998 echter overeind gebleven. De betekenis van het onderscheid voor de toepassing van de EHRM-jurisprudentie op de Nederlandse situatie is om die reden dan ook niet gewijzigd. Omwille van de leesbaarheid hanteer ik de termen niet-ordeboeten/vergrijpboetes en ordeboeten/verzuimboetes in het vervolg van dit hoofdstuk alsof het synoniemen zijn.1 Ter verduidelijking zal ik soms ook beide termen noemen.
De stap van een Duitse verkeersboete naar het Nederlandse fiscale bestuurlijke boeterecht was voor de Hoge Raad niet groot. In BNB 1986/29 oordeelde de Hoge Raad in tamelijk algemene termen dat art. 6 EVRM ook van toepassing was op fiscale bestuurlijke boetes.2 De precieze reikwijdte was aanvankelijk echter niet helemaal duidelijk: de toepassing van art. 6 EVRM op de ordeboeten (verzuimboetes) werd in de literatuur namelijk soms betwijfeld.3 Duidelijk was in ieder geval dat de Hoge Raad op basis van de Engel-criteria tot de conclusie kwam dat alle niet-ordeboeten een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM zijn: het gaat om een rechtsnorm met een algemeen verbindend karakter, terwijl de doelstelling van de sanctie preventie en bestraffing is.4 De twijfel omtrent de toepassing van de waarborgen van art. 6 EVRM op ordeboeten (verzuimboetes) werd definitief weggenomen door HR 24 januari 1990, BNB 1990/287. Daarin merkte de Hoge Raad – onder verwijzing naar BNB 1986/29 – ook ordeboeten aan als criminal charges in de zin van artikel 6 EVRM.5