Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.2.2.4
3.2.2.4 De wet van 1851
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702102:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 28 augustus 1851, Stb. 125.
De Memorie van Toelichting is te raadplegen in Thorbecke 1880. Officiële vindplaats: Kamerstukken II 1850/51, L, nr. 3.
De praktijk van andere landen in die tijd wordt ook zeer uitvoerig beschreven in het proefschrift van Visser 1884, p. 221-233.
Thorbecke 1880, p. 39.
De reden waarom de Tweede Kamer, anders dan in 1841, nu wel meende dat de rechter-commissaris’ aanwezigheid ter descente kon worden gevergd, blijft bij de parlementaire behandeling onbelicht.
Thorbecke 1880, p. 168.
Thorbecke 1880, p. 182.
Kamerstukken II 1850/51, L, nr. 3, p. 291.
Hij overwoog dat “elke vergoeding, elk voordeel boven de waarde, zoude zijn zonder grond, en eene benadeelding der publieke zaak.” Thorbecke 1880, p. 47.
Thorbecke 1880, p. 190. In dezelfde zin: Van Andel 1857, p. 128.
In 1851 kwam er een nieuwe onteigeningswet tot stand. De geestelijk vader van die wet – J.R. Thorbecke – hield vast aan de verplichte benoeming van deskundigen (art. 27).1 Wel heeft hij de positie van deskundigen nog eens grondig overdacht. In de Memorie van Toelichting beschrijft hij de verschillende denkbare manieren om tot een aanvaardbare wijze van begroting van de schadeloosstelling te komen. 2Hij rekende dat tot ‘de moeijelijkste punten’ van de onteigening. Er deden zich volgens Thorbecke twee vragen voor: 1) aan wie moet de beslissing omtrent de hoogte van de schadeloosstelling worden overgelaten? en 2) naar welke regels is die beslissing te nemen?
Met betrekking tot de eerste vraag wierp Thorbecke een blik over de grens.3 In enige Duitse staten werd de schade vastgesteld door een soort van door partijen te benoemen scheidsrechters. In België geschiedde vaststelling door de burgerlijke rechter, die van tevoren een deskundigenadvies moest inwinnen. En in Engeland en Frankrijk werd de schade vastgesteld door een jury. Thorbecke onderscheidde dus drie hoofdvormen, elk met zijn eigen voor- en nadelen. Alles tegen elkaar afgewogen leek het Thorbecke het best om:
“(…) de bepaling der schadevergoeding aan den burgerlijken regter, en wel in den regel aan de arrondissementsrechtbank, (…) op te dragen, die geen oordeel mag vellen, dan na een berigt van deskundigen te hebben ingewonnen.”4
Thorbecke voegde daar nog aan toe dat hij, in navolging van de Belgische wet, de aanwezigheid van een rechter-commissaris verplichtte.5 De gedachte was dat de rechter-commissaris de bepalingen van de onteigeningswet, en dan in het bijzonder de (procedure)regels, aan de deskundigen kon voorhouden.6 Ook kon de rechtbank dan zelfstandig, onafhankelijk van het oordeel van deskundigen de schadeloosstelling bepalen. In de visie van Thorbecke was de rechter-commissaris immers het verlengstuk van de bodemrechter ter plaatse.7 Verder introduceerde Thorbecke de figuur van de verplichte descente. De bedoeling daarvan was dat de deskundigen, tezamen met de rechter-commissaris en partijen, de te onteigenen percelen bezochten en die percelen daar in loco taxeerden.8
Thorbecke vond het van groot belang dat de rechter zelfstandig de schadeloosstelling bepaalde. Hij sprak daarom in art. 34 bewust over het advies van deskundigen. In lijn met zijn klassiek liberale agenda schreef hij hierover dat ‘zelfstandigheid een voorwaarde is voor de juiste vervulling van iedere taak’.9 Ik teken hier overigens wel bij aan dat men zich niet te veel moet voorstellen van dat advies. De facto was immers alleen aan de orde een taxatie van de werkelijke waarde van het te onteigenen object. Dat hangt samen met Thorbeckes visie op de omvang van de schadeloosstelling. Dat brengt mij tot zijn tweede vraag.
Met betrekking tot de tweede vraag (naar welke regels is de schadeloosstellingsbeslissing te nemen?) merkte Thorbecke op dat de schadeloosstelling wegens onteigening ‘volledig’ moest zijn. 10De volledige schadeloosstelling zoals Thorbecke die voor ogen had, komt echter niet overeen met wat wij thans verstaan onder volledige schadeloosstelling. Dat komt doordat voor Thorbecke de schadeloosstelling onmogelijk meer kon bedragen dan de waarde van het onteigende plus de eventuele waardevermindering van het overblijvende.11 Deze keuze is gebaseerd op de gedachte dat onteigening de ontneming van onroerend goed is en dat de vergoeding dus volledig is, indien de volledige waarde van het ontnomen goed wordt vergoed.12 Ruimte voor vergoeding van bijkomende, persoonlijke schade was er niet. Ik concludeer dat Thorbecke een duidelijk systeem voor ogen had. De deskundigen taxeren en adviseren, de rechter-commissaris begeleidt en de bodemrechter beslist. Een dergelijke gang van zaken werd vrijwel direct door de praktijk achterhaald.