Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.6.3.2
5.6.3.2 Het recht dat de aanspraken op het schadevergoedingsorgaan beheerst
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394808:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Muyldermans, 2000, p. 282.
Dat zijn de Bureaus die de Multilateral Agreement hebben ondertekend. Zie par. 4.5.4.
Zie Van Schoubroeck, Krachtlijnen, p. 237.
Muyldermans, 2000, p. 282 e.v.
Deze situatie doet zich voor als het voertuig van de aansprakelijke gewoonlijk gestald is in een land waarvan het Bureau de Multilateral Agreement heeft ondertekend.
Er zij op gewezen dat de verschillen in 'dekking' tussen Bureau en waarborgfonds bij ongevallen die door onverzekerde motorrijtuigen zijn veroorzaakt, met de 5e Richtlijn (vrijwel) zijn weggevallen: de tot dan toe bestaande mogelijkheid van een eigen risico bij het waarborgfonds is geschrapt.
Kamer-stukken II 2002/03, 28 636, nr. 3, p. 22.
Ook in het kader van art. 25 van de Richtlijn moet worden stilgestaan bij de vraag welk recht de aanspraken op een uitkering door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde beheerst. Bij de behandeling van art. 24 is gesteld dat dit in de omstandigheden waarop dat artikel ziet, het recht van de lidstaat van het ongeval zal zijn; daarbij zal het schadevergoedingsorgaan wel rekening hebben te houden met de minimaal te verzekeren som in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, als deze hoger is dan die in de lidstaat van het ongeval.
In het kader van art. 25 is deze kwestie minder helder. Hier gaat het om situaties waarin ofwel het voertuig, dan wel de verzekeraar niet (binnen een bepaalde tijd) kan worden geïdentificeerd, dus om situaties waarin het waarborgfonds bedoeld in art. 10 van de Richtlijn dekking biedt. Als het aansprakelijke voertuig niet bekend is, komt alleen de wet van de lidstaat van het ongeval in aanmerking. Is echter het voertuig bekend maar de verzekeraar niet te achterhalen (lees: het voertuig is onverzekerd), dan kan uit twee rechtsstelsels worden gekozen: die van de lidstaat van het ongeval en die van de lidstaat van de gewoonlijke standplaats.
In deze situatie rijzen twee vragen. De eerste is welk recht de uitkeringsvoorwaarden van het schadevergoedingsorgaan beheerst. De tweede vraag luidt, of - als het recht van de lidstaat van het ongeval de uitkeringsvoorwaarden beheerst en als de minimaal te verzekeren sommen in de lidstaat van de gewone standplaats en de lidstaat van het ongeval van elkaar verschillen - ook rekening moet worden gehouden met de hoogste van de twee wettelijk voorgeschreven minimale verzekerde sommen.
De onzekerheid over het toe te passen regime wordt veroorzaakt doordat de Richtlijn voorschrijft dat de vergoeding wordt uitgekeerd overeenkomstig het bepaalde in de art. 9 en 10, en dat het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde zich kan verhalen op het waarborgfonds van de lidstaat waar het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald. Dat kan onder omstandigheden het waarborgfonds van een andere lidstaat zijn dan die van het ongeval.
Denk aan het ongeval in België, waarbij een Nederlandse ingezetene slachtoffer wordt van een onverzekerd Duits voertuig.
Dat ook de vraag welk recht de uitkeringsvoorwaarden van het waarborgfonds beheerst van belang kan zijn, maken de volgende voorbeelden duidelijk.
1) Een Nederlander wordt in Frankrijk de benadeelde van een ongeval waarvoor een onverzekerde Belg aansprakelijk is. De vraag is naar welk recht het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan de schade zal behandelen, een vraag die in het licht van de sterk uiteenlopende uitkeringsvoorwaarden van de waarborgfondsen in de lidstaten van groot belang is.
Het Franse Fonds de Garantie is volkomen subsidiair: schade die de benadeelde uit enige andere voorziening vergoed krijgt valt niet te verhalen. Zou het Franse recht de aanspraken van de benadeelde op het Nederlandse schadevergoedingsorgaan bepalen, dan zou dat inhouden dat hij voor wat betreft de schade aan zijn casco-verzekerde auto met zijn B/M-verlies blijft zitten.
Het Belgische Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is niet in die zin subsidiair en de benadeelde kan, als dat recht zijn aanspraken op het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan beheerst, dus besluiten om de schade zelf te verhalen en geen beroep te doen op zijn cascoverzekering.1
2) Een Nederlandse onverzekerde automobilist is aansprakelijk voor een ongeval in België waarbij meerdere Duitse ingezetenen zwaar lichamelijk letsel lijden. De totale schade overschrijdt het maximum-bedrag waarvoor het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer kan worden aangesproken; dat probleem geldt niet als Belgisch recht de aanspraken van de Duitse benadeelden jegens het Duitse schadevergoedingsorgaan beheerst, want in België geldt een onbeperkte dekking voor personenschade.
Voor het waarborgfonds van de lidstaat waar het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald is de vraag ook van belang: als zijn verplichtingen worden beheerst door het recht van de lidstaat van het ongeval kan het onder omstandigheden voor grotere verplichtingen komen te staan dan uit zijn eigen wetgeving voortvloeit.
Tenzij men zou willen aannemen dat de benadeelde een rechtskeuze heeft (waarvoor de Richtlijn geen aanknopingspunten biedt), valt een aantal opmerkingen te maken.
Vooreerst is op te merken dat een theoretisch derde optie - die van de uitkeringsvoorwaarden van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde - niet voor de hand ligt. Zie Muyldermans die er mijns inziens terecht op wijst dat de Richtlijn niet bepaalt dat de waarborgfondsen "hun tussenkomsten moeten uitbreiden tot dezelfde tussenkomst als deze van het fonds van de woonplaats van de benadeelde, en evenmin dat het fonds van de woonplaats de wetgeving van de woonplaats van de benadeelde moet toepassen."2
Een tweede opmerking is dat geen van de beide andere opties (lidstaat ongeval dan wel lidstaat gewoonlijk gestald) onder alle omstandigheden gunstiger is voor de benadeelde. Slachtofferbescherming is dus geen invalshoek.
In de derde plaats moet worden vastgesteld dat het vraagstuk in de praktijk alleen van belang is als het onverzekerde voertuig gewoonlijk gestald is in een andere lidstaat dan die van het ongeval. Is het immers gewoonlijk gestald in de lidstaat van het ongeval dan vallen het recht van de lidstaat van gewoonlijke standplaats en van de lidstaat van het ongeval samen.
En ten slotte moet erop worden gewezen dat de benadeelde, indien de aansprakelijke onverzekerde, evenals hij zelf, een bezoeker is van het ongevalsland, onder omstandigheden ook de weg van het groenekaartstelsel kan volgen. Hij kan dan het Bureau van het land van het ongeval aanspreken, vooropgesteld dat het voertuig gewoonlijk is gestald in een der lidstaten dan wel een daarmee gelijk gesteld derde land.3 In dat geval heeft hij met beperkingen in zijn aanspraken tegen het schadevergoedingsorgaan in verband met de omvang van de aansprakelijkheid van het waarborgfonds niet te maken. Het voertuig wordt dan immers geacht verzekerd te zijn. Hij kan dan bovendien een beroep doen op het regime van art. 14 onder b) van de Richtlijn, waarmee hij in elk geval voor wat betreft de verzekerde som het voordeel heeft dat de hoogste van de twee bepalend is. Zie paragrafen 5.2.5.1 en 5.433.
Van Schoubroeck stelt de vraag naar het recht dat de uitkeringsvoorwaarden beheerst, maar geeft er geen expliciet antwoord op; zij maakt wel melding van de overeenkomst tussen de nationale schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen van 29 april 2002.4 Deze overeenkomst regelt hun wederzijdse rechten en verplichtingen, met name in verband met het regres dat zij op elkaar kunnen nemen. In deze overeenkomst is bepaald dat het waarborgfonds van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde bij het regelen van een schade ten laste van een schadevergoedingsorgaan of waarborgfonds in een andere lidstaat voor wat betreft de aansprakelijkheid en de omvang van de schade de wet- en regelgeving van het land van het ongeval in acht heeft te nemen. Daarbij valt op te merken dat deze contractuele bepaling vanzelfsprekend niet doorslaggevend kan zijn voor de vraag waarop de benadeelde aanspraak kan maken: de overeenkomst regelt alleen de verhoudingen tussen de contractspartijen en kan de rechten van derden niet beperken.
Muyldermans bespreekt de vraag naar welk recht het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde de schade dient te regelen uitgebreider.5 Hij wijst erop dat de Richtlijn het regelende schadevergoedingsorgaan een verhaalsrecht geeft op het waarborgfonds van de lidstaat van de gewoonlijke standplaats van het aansprakelijke voertuig. En dat pleit ervoor om de omvang van de aanspraken op het regelende schadevergoedingsorgaan te baseren op de wet van de lidstaat van de gewoonlijke standplaats van het aansprakelijke voertuig, waarbij de uitkeringsomvang van het waarborgfonds van die lidstaat bepalend zou zijn. Muyldermans meent echter dat het raadzamer zou zijn dat - als de benadeelde zich niet alleen tot het schadevergoedingsorgaan maar ook tot het Bureau van de lidstaat van het ongeval kan wenden - het schadevergoedingsorgaan regelt zoals het Bureau van het ongevalsland dat zou hebben gedaan.6 Aldus wordt forum shopping vermeden.
Zie ik goed, dan baseert Muyldermans deze redenering er (mede) op dat de Richtlijn bepaalt dat de vergoeding wordt uitgekeerd overeenkomstig het bepaalde in thans art. 9 en 10, waarin niet alleen de materie van het waarborgfonds maar ook de verplichte verzekeringsdekking wordt geregeld.
Muyldermans is zelf echter kennelijk niet geheel overtuigd van de houdbaarheid van zijn betoog, gezien de opmerking waarmee hij deze passage afsluit: "het valt evengoed te verdedigen dat de regeling zou overeenkomen met deze van het Waarborgfonds van het ongevalsland."
Ik zou zelf de laatste opvatting willen verdedigen en willen aannemen dat de vordering van de benadeelde op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats in geval van een onverzekerde aansprakelijke wordt beheerst door de regeling van het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval. Daarvoor pleit in de eerste plaats dat de uitkeringsvoorwaarden dan worden beheerst door het recht dat ook op het ongeval van toepassing is, hetgeen de schaderegeling vereenvoudigt. Voorts wordt forum shopping minder aantrekkelijk, omdat de aanspraken op het Bureau en die op het regelende schadevergoedingsorgaan door hetzelfde recht worden beheerst.7 En ten slotte wordt voorkomen dat bezoekende slachtoffers van ongevallen die worden veroorzaakt door onverzekerde voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in lidstaten, anders worden behandeld dan slachtoffers van ongevallen waarvoor onverzekerde voertuigen uit derde landen aansprakelijk zijn. In dat laatste geval bepaalt art. 25 onder c) immers dat het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde verhaal kan nemen op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval.
De Nederlandse wetgever neemt kennelijk ook het standpunt in dat de uitkeringsvoorwaarden van de lidstaat van het ongeval de omvang van de aanspraken op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde beheersen, gezien de in paragraaf 4.8.9 reeds geciteerde passage in de MvT bij het wetsvoorstel ter implementatie van de 4e Richtlijn.8
Het argument dat het regelende schadevergoedingsorgaan een regresrecht verkrijgt op het waarborgfonds van de lidstaat van gewoonlijke standplaats is mijns inziens onvoldoende om af te wijken van de gewone regel dat het recht van het land van het ongeval de gevolgen van een ongeval beheerst, met inbegrip van de aanspraken op verzekeraar, Bureau en waarborgfonds.
De door mij verdedigde opvatting brengt wel mee dat de waarborgfondsen onder omstandigheden andere schadeposten zullen hebben te dragen, en wellicht ook tot hogere bedragen vergoeding hebben te verlenen, dan uit hun eigen wetgeving voortvloeit. Dat is het geval als de uitkeringsvoorwaarden van het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval ruimer zijn dan die van de lidstaat van gewoonlijke standplaats van het onverzekerde voertuig. Het omgekeerde kan echter ook het geval zijn, in welk geval het uiteindelijk de schade dragende waarborgfonds 'voordeliger' af is.
De tweede vraag die nog beantwoording behoeft is die, of het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde bij de regeling van de schade rekening heeft te houden met de omstandigheid dat de minimaal te verzekeren som in de lidstaat van gewone standplaats van het voertuig hoger is dan die in de lidstaat van het ongeval. Daarvoor pleit, dat benadeelden die een waarborgfonds moeten aanspreken omdat een verzekeraar ontbreekt, in een vergelijkbare positie zouden moeten verkeren als slachtoffers die wel een verzekeraar kunnen aanspreken. De achtereenvolgende richtlijnen hebben de verschillen tussen de aanspraak op de verzekeraar en die op het waarborgfonds (in gevallen van onverzekerde aansprakelijken) steeds verder teruggedrongen. Als (voorlopig) laatste fase in dat proces valt te wijzen op de afschaffing met de 5e Richtlijn van het eigen risico voor zaakschade in dergelijke gevallen.
De consequentie van deze opvattingen is wel dat - in een situatie waarin een inwoner van een lidstaat schade lijdt door een ongeval in een andere lidstaat en waarvoor een onverzekerd motorrijtuig uit een derde lidstaat aansprakelijk is - de omvang van de aanspraken op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde moet worden beoordeeld naar twee rechtsstelsels: dat van de lidstaat van het ongeval voor wat betreft de uitkeringscondities (zoals die gelden voor het waarborgfonds van die lidstaat) en dat van de lidstaat van de gewone standplaats van het onverzekerde voertuig voor wat betreft de hoogte van de gedekte som (indien en voor zover de minimaal te dekken som hoger is dan in de lidstaat van het ongeval). Dat geldt echter ook als een verzekeraar voor de schade kan worden aangesproken en is dus geen onaanvaardbare consequentie.