Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/3.3.2.1
3.3.2.1 De formulering van de agenda
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971933:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:114 en artikel 2:224 BW, aant. 1; Breukink (diss.) 2022, p. 21; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 40 onder b; Assink/Slagter 2013, p. 792; en Handboek 2013, nr. 209; en Noldus (diss.) 1969, p. 258.
Mede ontleend aan Noldus (diss.) 1969; Dumoulin (diss.) 1999, p. 218 e.v.; en Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:114 en artikel 2:224 BW, aant. 1.
Aldus Dumoulin (diss.) 1999, p. 219, onder verwijzing naar Rb. Roermond (pres.) 4 februari 1986, NJ 1987/93 (Van Aarsen), waarin het stempunt ‘positie commissarissen’ toelaatbaar werd geacht; en Rb. Maastricht, 21 april 1988 (niet gepubliceerd), waarin anders werd geoordeeld (waarover kritisch W.J. Slagter in TVVS 1988, p. 253 e.v.).
Zie Rb. Overijssel 9 april 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1528.
Zie Hof Amsterdam (OK) 12 juni 2014, ARO 2014/135 (Makati), r.o. 3.9: “Uit niets blijkt voorts, dat Roel Bergsma met het verzoek het punt bestuurswijziging in de agenda op te nemen beoogde ook het ontslag van Du Bois aan de orde te stellen, laat staan dat Du Bois dat had moeten begrijpen. Niettemin heeft hij het er toe geleid, dat ook Du Bois – eveneens wegens het niet ondertekenen van de dadingsovereenkomst – werd ontslagen.”
Zie Rb. Utrecht 11 juni 2008, JOR 2008/225 m.nt. M. Holtzer (Crystal Communications), r.o. 4.4.4, waarover ook Breukink (diss.) 2022, p. 28.
In de uitspraak wordt gesproken over “een emissie ter grootte van ongeveer de helft van het onuitgegeven maatschappelijk kapitaal en tot het zeer grote bedrag van een half miljoen gulden, nominaal.”
Deze uitspraak is niet gepubliceerd, maar kenbaar uit HR 4 januari 1963, NJ 1963/434 m.nt. G.J. Scholten (Scholten’s Aardappelmeelfabrieken).
Zie onder meer Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:114, aant. 1; Breukink (diss.) 2022, p. 28; Dumoulin (diss). 1999, p. 218; en Noldus (diss.) 1969, p. 258.
Zie Rb. ’s-Gravenhage 12 juli 2006, JOR 2006/207 (Audilux), r.o. 3.7.
Zie Breukink (diss.) 2022, p. 25 e.v.
Zie ter illustratie bijvoorbeeld Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:114 BW, aant. 1; en Dumoulin (diss.) 1999, p. 218, die betogen dat een agendapunt als ‘maatregelen ter financiering van de vennootschap’ te breed is geformuleerd voor een stemming over een aandelenemissie omdat de wijze van financiering onvoldoende duidelijk is.
Vgl. Breukink (diss.) 2022, p. 14-15, waarin een verplichting wordt aangenomen om steeds expliciet te vermelden of een agendapunt een stempunt of een discussiepunt betreft, hetzij op grond van best practice bepaling 4.1.3 van de Corporate Governance Code, hetzij op grond van artikel 2:8 BW. Overigens is het in de praktijk (zeker in besloten verhoudingen) niet ongebruikelijk dat een dergelijke aanduiding niet expliciet wordt opgenomen in de agenda. In de meeste gevallen zal dit niet tot problemen leiden, omdat de bedoeling van de agendering voor de betrokkenen voldoende duidelijk is, bijvoorbeeld doordat zij bekend zijn met bepaalde discussies binnen de vennootschap. Vgl. in dit verband Rb. ’s-Gravenhage 12 juli 2006, JOR 2006/207 (Audilux), r.o. 3.7: “De exacte inhoud van de op de vergadering te lanceren voorstellen behoeven niet te worden bekendgemaakt in de convocatie. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, in het bijzonder indien voor een of meer van de aandeelhouders enkel aan de hand van de aanduiding van het onderwerp niet duidelijk behoeft te zijn dat er besluitvorming zal plaatsvinden over een onderwerp dat hem (hen) in het bijzonder raakt.”
De informatieverstrekking in de voorfase van de besluitvorming ter vergadering is gecentreerd rondom de agenda. De agenda dient voldoende duidelijk te worden geformuleerd, zodanig dat voor de opgeroepen aandeelhouder inzichtelijk is of een gegeven agendapunt zijn belangen raakt.1 Of aan dit eerste element van het inzichtelijkheidsvereiste is voldaan, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De rechtspraak op dit punt is zeer feitelijk en lijkt daardoor niet altijd even consistent. Ik geef een aantal voorbeelden.2
Er zijn bijvoorbeeld uitspraken te vinden waarin is geoordeeld dat een agendapunt als ‘positie commissarissen’3 of ‘samenstelling bestuur’4 voldoende duidelijk was om te stemmen over een voorgesteld ontslag. In een andere uitspraak werd het agendapunt ‘bestuurswijziging’ daarentegen niet toelaatbaar geacht, omdat daaruit niet bleek van een voornemen tot ontslag.5 Hetzelfde gold voor de samenhangende agendapunten ‘De inbreng van de Crystal activiteiten in de nieuw te vormen Comsys Groep’ en ‘De gevolgen van deze inbreng voor alle bij de Crystal Groep betrokken bedrijven en personen’.6 Omstreden is een uitspraak van de Rechtbank Groningen waarin zij het agendapunt ‘Bespreking van eventuele mogelijkheden, respectievelijk wenselijkheid van onderhandse kleine emissies met enige buitenlandse relaties’ voldoende achtte voor een stemming over een omvangrijke aandelenemissie7 aan Nederlandse partijen.8 Daartoe overwoog de Rechtbank Groningen dat “de in genoemd agendapunt gebezigde omschrijving zo ruim is, dat de mogelijkheid, dat de aangekondigde bespreking zou kunnen leiden tot een besluit als het litigieuze, voor [de aandeelhouder] wel degelijk voorzienbaar was.” In de literatuur is terecht als kritiek geuit dat dit agendapunt juist te breed was geformuleerd en bovendien was geagendeerd als discussiepunt en niet als stempunt.9 Daar komt nog bij dat de emissie die uiteindelijk in stemming is gebracht – een omvangrijke emissie aan Nederlandse partijen – significant afweek van de formulering van het agendapunt, die immers verwees naar kleine emissies aan buitenlandse relaties.
De ogenschijnlijke inconsistentie van deze rechtspraak illustreert de open aard van het inzichtelijkheidsvereiste, dat zich niet goed leent voor harde criteria. Wel kunnen enkele algemene richtsnoeren worden gegeven. In beginsel is niet vereist dat de letterlijke tekst van het voorgenomen besluit uit de agenda blijkt.10 Uit de formulering van een agendapunt dient duidelijk te zijn wat met dat agendapunt wordt beoogd en wat de uitkomst kan zijn van de behandeling van dat agendapunt. De formulering van de agendapunten mag beknopt zijn, maar zal in ieder geval voldoende concreet en duidelijk moeten zijn.11 Bij te brede agendapunten – zoals in het hiervoor aangehaalde voorbeeld van de Rechtbank Groningen – bestaat het risico dat de opgeroepene niet goed in staat is om te bepalen of de behandeling van het agendapunt zijn belangen raakt.12 Bovendien moet voor de opgeroepene steeds duidelijk zijn wat de uitkomst kan zijn van de behandeling van het agendapunt. Tegen die achtergrond verdient het ook aanbeveling om expliciet op te nemen of een agendapunt ter stemming of ter discussie op de agenda staat.13