HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.
HR, 04-02-2022, nr. 20/03024
ECLI:NL:HR:2022:42
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2022
- Zaaknummer
20/03024
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:42, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2022; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑05‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2022/8.15 met annotatie van Redactie
NLF 2022/0306 met annotatie van Jits Berns
NTFR 2022/673 met annotatie van dr. H.M. Roose
Viditax (FutD) 2022020413
FutD 2022-0419
Uitspraak 04‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Vergoeding immateriële schade en proceskosten in een geval waarin het beroep niet-ontvankelijk is.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03024
Datum 4 februari 2022
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER & WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE NOORDWIJK
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 augustus 2020, nrs. SGR 19/675 V en SGR 19/676 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 11 februari 2020. De uitspraak van de Rechtbank op verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Het College van burgemeesters en wethouders van de gemeente Noordwijk, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.A.N. Bartels, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten
2.1
Belanghebbende heeft op 8 maart 2018 een bezwaarschrift ingediend bij de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk. Die heeft bij uitspraken van 17 december 2018 het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het door belanghebbende tegen die uitspraken ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het daartegen ingestelde verzet ongegrond verklaard.
2.2
In de uitspraak op verzet heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en tot vergoeding van proceskosten.
2.3
De klachten die zijn gericht tegen het in 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank slagen. In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de Rechtbank.1.De Rechtbank had de heffingsambtenaar dus niet mogen veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en tot vergoeding van proceskosten.
3. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie aangevoerde klacht
De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van de Rechtbank op verzet beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Slotsom
Uit hetgeen in 2.3 is overwogen volgt dat de uitspraak van de Rechtbank op verzet niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak op verzet moet worden vernietigd voor zover daarin de heffingsambtenaar is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en van proceskosten.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie gegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond, en
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op verzet, maar uitsluitend voor zover deze betreft de veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van de kosten van belanghebbende voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑02‑2022
Beroepschrift 18‑05‑2021
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de griffie van de afdeling bestuursrecht/belastingen/WOZ
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Geachte Griffier,
[…], 18 mei 2021
Inzake uw dossier met het nummer 20/3024 bericht ik u hierdoor tijdig dat onze klant niet alleen verweer wenst te voeren in cassatie maar óók incidenteel beroep in cassatie wenst in te stellen.
In de eerste plaats meld ik u dat onze opdrachtgever zich —in grote lijnen— wel degelijk kan vinden in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, welke thans in cassatie bestreden wordt. De redenatie van de gemeente is puur ‘pour besoin de la cause’ én miskent de uitleg die de Rechtbank aan de onderhavige casuspositie heeft gegeven. Het stond de Rechtbank wel degelijk vrij om te beslissen zoals zij heeft gedaan.
In de tweede plaats breng ik onder uw aandacht dat nu door cliënte gevorderd wordt vergoeding van de wettelijke rente over de uitgesproken en door de Rechtbank toegewezen PKV én het dezerzijds destijds betaalde griffierecht.
Derdens wordt vastgelegd dat de volmacht zicht reeds in het dossier van de Rechtbank bevindt.
Ik verzoek u in en na goed onderling overleg een datum en tijdstip te bepalen voor een mondelinge behandeling. Weet dat ik elke donderdag vanaf 12.00 uur absoluut verhinderd.
Tot slot: voor de financiële afwikkeling van een en ander dient uitsluitend steeds het hiernavolgende IBAN gebruikt te worden: [000] t.n.v. […] B.V…
Kunt u mij de goede ontvangst en correcte verwerking van dit schrijven schriftelijk bevestigen? Bij voorkeur per email!
Rest mij voor het moment u dank te zeggen voor de wellicht extra door u te nemen moeite, die zeker beloond zal worden.
Beroepschrift 15‑02‑2021
Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer)
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Noordwijk, 24 maart 2021
Uw kenmerk 20/03024
Uw brief van 15 februari 2021
Zaaknummer 69778 (I)
Behandeld door […]
Verzenddatum 24 maart 2021
Onderwerp Motivering cassatieberoep 20/03024
Bijlage(n) geen
Edelhoogachtbaar college,
Bij bericht van 1 5 februari 2021 heeft u mij in de zaak met nummer 20/03024, belanghebbende [X] B.V., in de gelegenheid gesteld om het beroep in cassatie te motiveren. Met deze brief maak ik daarvan gebruik.
Voor de volledigheid merk ik nog op dat deze zaak inhoudelijk gelijk is aan de zaak met nummer 20/03024, betreffende belanghebbende [A] B.V.
Inleiding
1.
In een uitspraak op verzet is de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk door de Rechtbank Den Haag veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van geleden immateriële schade. Het betreft de zaken met nummers SGR 19/675 en 19/676 betreffende [X] B.V. (hierna: belanghebbende).
2.
De gemeente is van mening dat dit onterecht is. De Rechtbank heeft de door uw Raad gegeven uitgangspunten miskend, en daarmee het recht geschonden. Dat lichten wij hieronder toe.
Verloop van de procedure
3.
Op 8 maart 2018 is het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 17 december 2018 is uitspraak op het bezwaar gedaan, en is het bezwaar ongegrond verklaard.
4.
Daartegen is door belanghebbende beroep ingesteld. Op 2 maart 2019 is belanghebbende door de Rechtbank eraan herinnerd dat griffierecht moet worden betaald. Op 27 mei 2019 is het beroep door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet (tijdig) is voldaan. Het verzoek om schadevergoeding wordt door de Rechtbank afgewezen omdat de redelijke termijn niet is overschreden.
5.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank is verzet gedaan. Op 8 oktober 2019 wordt het verzet gegrond verklaard omdat het beroep volgens de Rechtbank ten onrechte zonder zitting is afgedaan. De nota griffierecht was volgens de Rechtbank te onduidelijk. De heffingsambtenaar is in de proceskosten van de verzetprocedure veroordeeld. De heffingsambtenaar heeft berust in die veroordeling.
6.
Na de uitspraak op verzet van 8 oktober 2019 heeft belanghebbende van de Rechtbank een nieuwe nota griffierecht ontvangen. Op 11 februari 2020 verklaart de Rechtbank het beroep (wederom) niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet (tijdig) is voldaan.
7.
Tegen die uitspraak is wederom verzet gedaan. De Rechtbank verklaart het (tweede) verzet op 10 augustus 2020 ongegrond. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn voor ruim 3 maanden aan de heffingsambtenaar is toe te rekenen, en voor ruim 1 maand aan de rechter. De Rechtbank kent daarom € 500 toe, waarvan € 375 voor rekening van de heffingsambtenaar en € 125 voor rekening van de Staat. Verder veroordeelt de Rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten van de (tweede) verzetprocedure.
Rechtbank neemt bij toekenning vergoeding immateriële schade ten onrechte overschrijding in bezwaarfase in aanmerking
8.
De Rechtbank heeft ten onrechte de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van (een deel van de) immateriële schade, omdat ze ten onrechte ook de (termijnoverschrijding in de) bezwaarfase in aanmerking heeft genomen.
9.
In HR 2 december 2016, nr. 16/01713, ECU:NL:HR:201 6:2712, BNB 2017/38, overwoog uw Raad:
‘2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
(…)
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist. Dat is slechts anders in het — zich in deze zaak niet voordoende — geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard. 2.3.3. In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.’
Hier doet zich een min of meer vergelijkbare situatie voor. Tussen het instellen van het beroep en de uitspraak op het tweede verzet is meer dan anderhalf jaar verstreken, en vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift is meer dan twee jaar verstreken. Het tweede verzet is ongegrond verklaard. Kort gezegd moet de rechter in een geval als het onderhavige bij de vergoeding de bezwaarfase buiten beschouwing laten. De Rechtbank heeft dit miskend, en heeft ten onrechte de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van (een deel van de) immateriële schade.
Rechtbank veroordeelt heffingsambtenaar ten onrechte (volledig) in de proceskosten van de tweede verzetprocedure
Het tweede verzet is ongegrond verklaard, maar vanwege haar oordeel over de schadevergoeding ziet de Rechtbank aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de volledige procekosten voor de tweede verzetprocedure. Primair zijn wij van mening dat de heffingsambtenaar ten onrechte überhaupt in de proceskosten is veroordeeld. Subsidiair zijn wij van mening dat de heffingsambtenaar slechts voor een deel in de proceskosten moet worden veroordeeld.
In HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECU:NL:HR:201 6:252, BNB 2016/140, overwoog uw Raad:
‘3.14.1.
Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.
3.14.2.
In de hiervoor in 3.14.1 bedoelde gevallen rijst de vraag wie het griffierecht en de proceskosten voor de procedure bij de rechtbank moet(en) vergoeden indien de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden. Indien die overschrijding met inachtneming van het hiervoor in 3.11.1 overwogene
- (i)
uitsluitend is toe te rekenen aan het bestuursorgaan, zal de vergoeding van deze bedragen ook moeten plaatsvinden door dat orgaan;
- (ii)
uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter, zal de vergoeding van deze bedragen moeten plaatsvinden door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie);
- (iii)
zowel aan het bestuursorgaan als aan de rechter is toe te rekenen, zal de vergoeding van deze bedragen deels moeten plaatsvinden door het bestuursorgaan en deels door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.’
Wij zijn primair van mening dat de Rechtbank de heffingsambtenaar niet in de proceskosten had mogen veroordelen. In een geval als dit blijft de overschrijding van de termijn in de bezwaarfase buiten beschouwing (zie randnummers 9 en 10 van deze motivering). De overschrijding is dan geheel toe te rekenen aan de rechter, zodat gelet op r.o. 3.14.2 onder (ii) van BNB 201 6/140 de vergoeding van proceskosten moet plaatsvinden door de Staat.
14.
Wij zijn subsidiair van mening dat in het geval de overschrijding van de termijn in de bezwaarfase wel mee moet worden gerekend, de heffingsambtenaar slechts een deel van de proceskosten moet vergoeden. De overschrijding is immers niet volledig aan de heffingsambtenaar toe te rekenen. Vergelijk BNB 2016/140, r.o. 3.14.2 onder (iii). De Rechtbank heeft dat miskend.
Burgemeester en wethouders van Noordwijk
De secretaris,
De burgemeester,