Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.E.3
III.E.3. Einde van het beheer; de 'Freigabe'
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402661:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verslag mondeling overleg, tevens eindverslag, nr. 8, p. 69, Parl. Gesch.Vast., p. 864.
J. MAYER, Testamentsvollstreckung, Angelbachtal: Zerb Verlag 2000, p. 160. Zie in deze eveneens de modellen opgenomen bij BENGEL/REIMANN, Handbuch derTestaments-vollstreckung, Munchen: C.H. Beck 2001, p. 337 en 338, waarbij een interessante variant is de 'Freigabe gegen Sicherheitsleistung' (§ 2217(2) BGB) en wat te denken van de 'Umwand-lung von Gesamthandseigentum in Bruchteilseigentum'door deTestamentsvollstrecker.
Op grondvan § 2214 BGB kunnen de prive-schuldeisers van een erfgenaam verhaal zoeken op de vrijgegeven goederen. ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr. 519 merkt op dat art. 4:145 lid 1 BWer niet aan in de weg staat dat personele schuldeisers van een erfgenaam zijn aandeel in de goederen uitwinnen; [...].Vanuit de optiek van de gedachte van het niet 'vrijgeven' en het bewindskarakter van executele kan ik mij niet in deze benadering vinden. Men zou niet alleen kunnen stellen dat het afgescheiden vermogen uit de aard der rechtsverhouding volgt, maar ook dat art. 4:145 lid 1 BWeen bijzondere blokkaderegel is die de strekking heeft dat derden op geen enkele wijze in het vaarwater van de executeur mogen komen bij de vervulling van zijn taak. Hoe kan de vertegenwoordiger van erflater de nalatenschap afwikkelen als de schuldeisers van de erfgenamen hem steeds voor de voeten lopen? Als de erfgenamen moeten wachten, moeten hun schuldeisers toch ook wachten?
WALTER ZIMMERMANN, Die Testamentsvollstreckung, Berlin: Erich Schmidt Verlag 2003, p.317. Zie ook §2217 (2) BGB: 'dem Erben auf Verlangen'. KARL-HEINZ MU-SCHELER, Die Freigabe von Nachlassgegenstanden duch den Testamentsvollstrecker, Zeistschrift fur Erbrecht undVermogensnachfolge (ZEV) 1996, 11, p. 401-406 die spreekt van: 'Der Freigabeanspruch des Erben' en komt tot de mijns inziens ook voor het Nederlandse recht toepasselijke conclusie: 'Die Freigabe ist ein dinglicher Vertrag, gerichtet auf Schaffung eines freien Verfugungsrechts des Erben.'
Zie S. PERRICK, Gemeenschap, schuldeisers en verdeling (diss. Nijmegen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 141 die over het 'afgeven' in art. 4:226 BW opmerkt dat daar uiteraard niet onder moet worden verstaan de juridische levering van de nalatenschapsgoederen, omdat de erfgenaam daar reeds eigenaar van was. Zijns inziens moet daaronder worden verstaan de mededeling van de vereffenaar aan de erfgenaam dat de vereffening is voltooid met als gevolg, dat de erfgenaam weer zelfstandig bevoegd is om over de goederen van de nalatenschap te beschikken en dat de schuldeiser van een erfgenaam bevoegd is zijn vordering op de goederen van de nalatenschap ten uitvoer te leggen. Mijns inziens is deze filosofie ook op executele van toepassing vanwege het bewindskarakter van het beheer van de executeur. Op grondvan art. 4:150 lid 4 BW is art. 4:225 en art. 4:226 BW van overeenkomstige toepassing.
Al dan niet met behulp van de 'sterke arm.'
MvA, 3771, nr. 6, p. 101, Parl. Gesch.Vast., p. 846.
Dit wordt in de tweede titel (Van procedures betreffende een nalatenschap of een gemeenschap) van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregeld.
Derde NvW, nr. 22, p. 1, Parl. Gesch. Inv., p. 865.
Zie over het bezit van 'een jaar en dag',A.S. DE BLECOURT, H.FWD. FISCHER, Kort begrip van het oud-vaderlands-recht, Groningen 1967, onder meer p. 376 -377. Zie voor oud rechtart. 4:1054lid2BW
MvA, nr. 6, p. 104, Parl. Gesch.Vast., p. 862.
Legitimarissen kunnen wel een beroep doen op hun legitieme, art. 4:72, 4:73 en 4:75 BW.
Rapport Commissie Erfrecht KNB II, 1963-1966, p. 219.
Een executeur die zijn taak, met het oog waarop hem het beheer was opgedragen, heeft volbracht, is bevoegd zijn beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (art. 4:150 lid 1 BW).
In de parlementaire geschiedenis is de vraag gesteld hoe het ter beschikking stellen van de goederen door de executeur aan de erfgenamen in zijn werk gaat. Hierop is geantwoorddat men zich los moet maken van de gedachte aan een 'saisine', een bezit of reele overdracht en veeleer moet denken aan een eenvoudige kennisgeving door de executeur aan de erfgenamen, dat hij zijn taak als geëindigd beschouwt. Hier werd nog aan toegevoegd dat het ter beschikking stellen een feitelijke zaak is, welke men het beste aan de praktijk overlaat.1 Ook hier geldt zoals zo vaak 'Germania docet' en zal ook de Minister ongetwijfeldde Duitse Freigabe-praktijk als 'model' in gedachte gehad hebben.Van belang in de onderhavige materie blijft dat men zich steeds realiseert dat het beheer van een executeur niet van rechtswege eindigt, zelfs al is zijn taak voltooid. De executeur dient de goederen van de nalatenschap eerst 'ter beschikking van' de rechthebbenden 'te stellen' om hen weer beschikkingsbevoegd te maken. Het ligt dan ook zeer voor de hand in deze te rade te gaan bij de Duitse collega's en te kijken hoe zij met de beschikkingsonbevoegdheids-regel van § 2211(1) BGB) omgaan, die voor de erfgenamen geldt als een 'Testamentsvollstrecker' is benoemd.
In Duitslandwordt het probleem opgelost met een door de Testamentsvoll-strecker te ondertekenen 'Freigabe- erklarung'.2Bijvoorbeeld met betrekking tot een zich in de nalatenschap bevindende onroerende zaak:
'Formulierungsvorschlag:
Freigabe-erklarung bezuglich eines Grundstucks:
Als alleiniger Testamentsvollstrecker des Nachlasses des am ... verstorbenen... gebe ich folgendes Grundstuck von derTestamentsvollstreckung frei und uber-lasse es der freien Verfugung der Erben:
(omschrijving onroerende zaak)
Dieser Grundbesitz wird zur Erfullung der Aufgaben der Testamentsvollstreckung nicht mehr benotigt. [...].'
Helder en praktisch. Gelet op de overeenkomst tussen de Duitse en Nederlandse beschikkingsonbevoegdheidsregel (art. 4:145 BW) en de woorden van de minister, is de kans groot dat de 'Freigabe-erklarung'erfrechtelijke usance gaat worden of wellicht al is. De rechtszekerheid wordt hiermee zonder meer gediend. De wetgever heeft deze problematiek niet voor niets willens en wetens aan de rechtspraktijk overgelaten.
Een zware (notariele) verantwoordelijkheid omdat de Freigabe3 'zakelijke werking' heeft.
Veelal zal het initiatief uitgaan van de erfgenamen en zullen zij de executeur vragen of hij bereidis van zijn bevoegdheid tot 'Freigabe' gebruik te maken. In de Duitse literatuur4 wordt treffend gesproken van het 'Herausgabeverlangen' van de erfgenamen en in het verlengde hiervan van 'Herausgabe-pflicht' en 'Herausgaberecht'. Ondanks het in beginsel blijkens art. 4:150 lid 1 BW schijnbaar eenzijdige karakter van het 'vrijgeven': het (feitelijk) ter beschikkingstellen,5 lijkt het er in art. 4:150 lid4 BWop dat toch een aanvaardingsverklaring van de erfgenamen nodig is. In zoverre zal er in beginsel al-tijdeen samenspel zijn tussen executeur en erfgenamen. Dit past ook bij de quasi-overeenkomstgedachte. Zelfs als de erfgenamen de beheersbevoegd-heidvan de executeur beëindigen, zal er de facto nog steeds een feitelijke terbeschikkingstelling van de goederen moeten plaatsvinden.6 Eengoedbe-heer kan met zich brengen dat de executeur verplicht is zijn beheer te beëin-digen en van de hem in art. 4:150 BW gegeven bevoegdheid gebruik maakt.
Indien niet alle erfgenamen bekendzijn of niet alle erfgenamen bereidzijn de goederen in ontvangst te nemen, dan zijn art. 4:225 en 4:226 BW van overeenkomstige toepassing, waarover hierna in Hfdst V. meer.
Als de executeur zijn taak heeft volbracht, brengt dit, zoals reeds opgemerkt, nog niet automatisch met zich dat ook het beheer over de nalatenschap eindigt. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een automatisch verval van de beheersbevoegdheid tot rechtsonzekerheid zoukunnenleiden, in het bijzonder in het geval wanneer niet spoedig precies vaststaat welke opeisbare schulden de erflater heeft nagelaten. Voorts wordt gewezen op het feit dat het ook kan zijn dat het de erfgenamen welkom is dat de executeur het beheer nog enige tijdvoortzet, zonder dat het duidelijk is of de erfgenamen de executeur daartoe, stilzwijgend, volmacht hebben gegeven, waarbij uitdrukkelijk geconstateerd wordt dat een volmacht eigen beheersdaden van de erfgenamen niet zou uitsluiten.7 Hier blijkt wederom uit dat executele als het erfrechtelijke evenbeeld van privatieve lastgeving gezien kan worden.
Ook als de executeur zijn taak niet heeft volbracht of zijn taak wel heeft volbracht en zijn beheer niet heeft beëindigd op grond van lid 1 van art. 4:150 BW, zijn er gevallen waarin de erfgenamen het zelf in de hand hebben of ze de bevoegdheid van een executeur tot beheer al dan niet laten voortduren, art. 4:150 leden 2 en 3 BW.
Wanneer alle erfgenamen het hierover eens zijn, kunnen zij de bevoegdheidvan een executeur tot beheer beëindigen:
a. na voldoening van de schulden der nalatenschap en nakoming der lasten, waarvan de afwikkeling reeds tot zijn taak behoort of nog binnen het jaar na het overlijden van de erflater tot zijn taak zou kunnen gaan behoren.
In lid3 van art. 4:150 is in verband hiermee bepaald dat wanneer de erfgenamen de nodige middelen voor genoemde afwikkeling ter beschikking van de executeur stellen, zij zijn beheersbevoegdheid voor het overige kunnen beëindigen;
b. wanneer een jaar en zes maanden is verlopen sedert een of meer der executeurs de nalatenschap in beheer hebben kunnen nemen.
De kantonrechter kan deze termijn, ook na het verstrijken daarvan, op verzoek van een executeur een of meer malen verlengen.Tegen deze beschikking is geen hogere voorziening toegelaten.8
De termijn van een jaar en zes maanden begint niet meteen na het overlijden te lopen, maar nadat de executeur de nalatenschap in beheer heeft kunnen nemen.
In eerste instantie was een termijn van een jaar opgenomen. Bij Amendement Van Rijckevorsel, 3771, nr. 16, p. 2, is de duur van deze termijn verlengd tot een jaar en zes maanden.9 Als toelichting werdhierbij gegeven dat de praktijk leert, dat het dikwijls, ook bij niet ingewikkelde of omvangrijke nalatenschappen, reeds een jaar kan duren voor de definitieve aanslagen in de inkomsten- en vermogensbelasting, alsmede de aanslag successierecht - met de voldoening waarvan de executeur is belast - ontvangen zijn.10
De sub a. en b. genoemde bevoegdheden komen mede toe aan de echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft krachtens de andere wettelijke rechten. Überhaupt wordt voor de regeling van de executele genoemde echtgenoot als een erfgenaam aangemerkt (art. 4:152 BW).
Het is van belang hier te constateren dat de erfgenamen deze bevoegdheid ook hebben, al zou de erflater een langduriger beheer van de nalatenschap door de executeur hebben gewild.11 Indien erflater een 'afwikkelingsbewind' heeft ingesteld, dan hebben de erfgenamen niet de bevoegdheid om dit be-windop te heffen op grond van art. 4:150 BW.12 Dit artikel is slechts geschreven voor de executele.Voor het einde van het 'afwikkelingsbewind'geldt art. 4:180 BW waarin bepaaldis: dat het 'afwikkelingsbewind' eindigt wanneer het gemeenschappelijk belang vervalt, en tevens dat het kan worden opgezegd, wanneer vijf jaren na het overlijden van erflater zijn verstreken (zie ook art. 4:181 BW).
Art. 4:1055 (oud) BW bepaalde dat indien alle erfgenamen het daaromtrent eens zijn, zij het bezit van de executeur konden doen ophouden, mits zij de executeur in staat stelden tot afgifte van de legaten. De Commissie Erfrecht wees erop dat van deze mogelijkheid de executeur buiten de deur te zetten, uiterst zelden gebruik wordt gemaakt en geeft daar drie redenen voor:13
a.de onbekendheid van de erfgenamen met de mogelijkheid;
b. alle erfgenamen moeten het eens zijn, zodat wanneer een van hen executeur is, deze het gebruikmaken van de mogelijkheid om het bezit op te heffen zou kunnen tegenhouden;
c. men acht het onbehoorlijk op deze wijze tegen de executeur op te treden en tegen de bedoeling van erflater in te gaan.
Door de Commissie Erfrecht werd opgemerkt dat art. 4:150 lid 3 BW voortbouwde op art. 4:1055 (oud) BW. In zoverre zijn de redenen waarom van deze regeling in de praktijk uiterst zelden gebruik wordt gemaakt nog relevant.