Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/III.5.2.3
III.5.2.3 De trias en de juridische status van een onrechtmatig voorschrift
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS589522:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Treanor & Sperling 1993, p. 1915: ‘Commentators have generally agreed with the overwhelming majority of the courts that an overruling decision has the effect of automatically reviving statutes.’ Zie echter paragraaf 5.2.2.2.
U.S. Court of Appeals (6th Circuit) 3 juli 1991, 937 F.2d 1118 (Eubanks v. Wilkinson), 1127.
Nimmer 1965, p. 1415; Plave 1989, p. 116. Vgl. U.S. Supreme Court 8 juni 1953, 346 U.S. 100 (District of Columbia v. John R. Thompson Co.), 113. Het arrest wordt besproken in paragraaf 6.2.2.1.
Zij bepaalde: ‘Upon like petition, any ordinance of a city, town, or village, made contrary to law, the circuit court may supersede, revoke, and annul the same.’
Supreme Court of West Virginia 19 november 1887, 4 S.E. 635 (Shepherd v. City of Wheeling), 637.
Idem, p. 638.
Naar Amerikaans federaal recht kan een onrechtmatig voorschrift in beginsel herleven wanneer de oorzaak van zijn onrechtmatigheid is weggenomen, tenzij het voorschrift onbevoegd is vastgesteld, zoals in Newberry.1 Een onrechtmatig wettelijk voorschrift is in beginsel (slechts) niet toepasselijk en niet nietig. Het Court of Appeals for the 6th Circuit omschrijft de gevolgen van een rechterlijk oordeel dat een wettelijk voorschrift onrechtmatig is als volgt:
‘A ruling that a statute is unconstitutional and therefore unenforceable [...] does not remove the statute from the books. It is not the province of the court to repeal or amend an invalid [...] statute [...]. The result of a court decision may often be similar to a statutory amendment, but the underlying theory is quite different and does not include repeal, or amendment of the text of the statute by adding new language.’2
In de literatuur wordt die juridische status gerechtvaardigd met een beroep op de trias. Verschillende auteurs benadrukken, dat de juridische status van een nietig voorschrift zich niet onderscheidt van die van een ingetrokken voorschrift. Tot intrekking van een wettelijk voorschrift is echter een alleen de wetgever bevoegd, zo stellen zij.3 De rechter kan een onrechtmatig voorschrift daarom alleen buiten toepassing laten.
Ook in de jurisprudentie is de juridische status van een onrechtmatig voorschrift op die wijze verklaard, zij het niet door de federale rechter, maar door het Hooggerechtshof van West-Virginia. In die staat gold een wet die aan de rechter de bevoegdheid toekende om onrechtmatige gemeentelijke verordeningen te vernietigen.4 Eisers vorderen op grond van die wet, dat de rechter een onrechtmatige verordening vernietigt. De gemeente stelt zich op standpunt dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de wet waarop eisers hun vordering baseren zelf onrechtmatig is. Volgens de gemeente is zij in strijd met de Constitutie van West-Virginia die bepaalt:
‘the legislative, executive and judicial departments shall be separate and distinct, so that neither shall exercise the powers properly belonging to either of the others.’
Het Hof deelt het oordeel van de gemeente. Tot de kern van de wetgevende functie behoort volgens hem het uitvaardigen van wettelijke voorschriften. Daaronder moet mede de intrekking van zulke voorschriften worden verstaan. Ook de intrekking geschiedt immers door de uitvaardiging van een wettelijk voorschrift.
De drie overheidsfuncties bestuur, rechtspraak en wetgeving zijn echter niet volledig gescheiden, zo vervolgt het Hof. Zo is het taak van de rechter ‘to say what the law is’ en mag hij wettelijke voorschriften toetsen.
‘When [...] doing so it does not annul or repeal the statute [...]. It simply refuses to recognize it, and determines the rights of the parties just as if such statute had no existence. [T]here is no judgement against the statute. [I]t does not strike the statute from the statute-book’.5
Eisers betogen vervolgens dat de rechter wettelijke voorschriften niet vernietigt, maar slechts nietig verklaart. Ook dat argument vindt geen genade in de opvatting van het Hof:
‘This is nothing more than calling the same thing by different names. [T]he effect is precisely the same as if it were repealed. By either process it is made a nullity.’6
Het concludeert daarom, dat de wet die aan de rechter de bevoegdheid geeft onrechtmatige wettelijke voorschriften te vernietigen zelf onrechtmatig is en buiten toepassing moet blijven. De vordering tot vernietiging wijst het af. De rechter mag wettelijke voorschriften niet vernietigen en de wetgever mag hem die bevoegdheid ook niet toekennen, zo is zijn oordeel. De trias verbiedt dat.